Main De intrede van christus in Brussel

De intrede van christus in Brussel

0 / 0
How much do you like this book?
What’s the quality of the file?
Download the book for quality assessment
What’s the quality of the downloaded files?

Wanneer wordt aangekondigd dat Christus op 21 juli, in volle komkommertijd, Brussel zal bezoeken, ondergaat de Belgische hoofdstad een metamorfose. De gevels worden opgeknapt, bloembakken geplaatst en de criminaliteitscijfers duiken plotsklaps naar het nulpunt. Terwijl de beleidsmensen bakkeleien over wie een persoonlijk onderhoud met de profeet verdient en discussieren over de route waarlangs Jezus lopen moet, krijgt de stad almaar een menselijker gelaat met oog voor de dakloze, de illegaal, de dronkaard en de armoe-oogster. De metro ruikt niet langer naar pis, de hoop is onder het volk. En dan breekt de grote dag zelf aan.

Dimitri Verhulst (1972) is ondermeer de auteur van de moderne klassieker De helaasheid der dingen, waarvoor hij de Gouden Uil Publieksprijs kreeg. In 2009 ontving hij de Libris Literatuurprijs voor Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Werk van hem is ondertussen verschenen in meer dan 15 talen.
(source: Bol.com)





Publisher:
Uitgeverij Contact ebf
Language:
dutch
File:
EPUB, 198 KB
Download (epub, 198 KB)
0 comments
 

To post a review, please sign in or sign up
You can write a book review and share your experiences. Other readers will always be interested in your opinion of the books you've read. Whether you've loved the book or not, if you give your honest and detailed thoughts then people will find new books that are right for them.
1

O espetacular Homem-Aranha: a última caçada de Kraven

Year:
2013
Language:
portuguese
File:
PDF, 136.30 MB
0 / 0
2

De helaasheid der dingen

Year:
2009
Language:
dutch
File:
EPUB, 301 KB
0 / 0
.


DIMITRI VERHULST


De intrede van Christus in Brussel

			(in het jaar 2000 en oneffen ongeveer)





.




2011

			Uitgeverij Contact

			Amsterdam/Antwerpen





© 2011 Dimitri Verhulst

			Omslagontwerp en verzorging e-book Suzan Beijer

			Omslagillustratie: © James Ensor, De intrede van Christus in Brussel in 1889 (details), 1888-1890, c/o Pictoright Amsterdam 2011

			ISBN 978 90 254 3753 4 (paperback)

			ISBN 978 90 254 3740 4 (gebonden)

			e-ISBN 978 90 254 3804 3 (digitaal)

			D/2011/0108/943

			NUR 301

			www.uitgeverijcontact.nl





.

			Voor Chris, Gerard & Lieven





.

			La la la lala la la la la la la

			lalala lalala la la la la la la





.





[statie 1]





Men beweert dat het weinig blijk geeft van vakmanschap wanneer een verhaal aanvangt met een weersbeschrijving, en ergens kan ik begrijpen waar die gedachte wortel schoot. Toch rest mij op dit ogenblik geen andere mogelijkheid – en geloof mij, ik heb alle overwogen – dan dit relaas te beginnen met de boodschap dat het helemaal niet regende, de ochtend van de dag waarop wereldkundig werd gemaakt dat Christus spoedig Brussel zou bezoeken. Veeleer was het dat onbestemde weertje waar België een patent op heeft en het aan een plaats helpt in de wereldtop waar het de verkoop aangaat van antidepressiva. Wie ooit het vliegtuig naar onze hoofdstad nam, moet ze kennen: de losse, wollige schapenwolken, suikerspinnen gelijk, die aanstonds samentrossen eens ons luchtruim wordt doorsneden en die versomberen zodra de daling is ingezet. Dik en donker hangt dat pak boven de landingsbaan, en alle energie die de thuiskomers tijdens hun vakantie hebben opgeladen, is bij de aanblik van dat wolkendek grotendeels alweer tenietgedaan. Rammelend boort het toestel zich door de dichte nevelen, een stem hijgt à la française dat de gordels moeten worden omgegord, een andere en kordatere stem zegt hetzelfde maar dan met een moeizaam verholen Leuvens accent. Gedurende vele weken aanhoudende regen is het enige wat men verwachten kan, en het is tel; kens weer verrassend hoe laag men al hangt wanneer men eindelijk de grond ziet, hoe gedetailleerd men de gazonnen bestuderen kan waarin de als zwembad fungerende, grote, blauwe soepkommen ongebruikt pronken naast de trampolines, de lintbebouwing, de vierkante villa’s van de middenklasse, de keurig geschoren hagen eromheen, de wijken waarin de alarmsystemen waken over het leven van kind en gezin. Maar: het regent niet. Het is warm noch koud, grijs noch blauw, maar in elk geval is het geen van de tweehonderd jaarlijkse regendagen die de liefhebbers van gemiddelden in de mond nemen. De wind komt van waar hij doorgaans komt, het zuidwesten, verre van hard maar met net genoeg kracht opdat een luie fietser zichzelf de treurnis van het openbaar vervoer aan zou doen.

			 Zo’n weertje was het dus die bewuste ochtend en er was geen kunst aan geweest om het te voorspellen. Het regende niet, ik herhaal dat graag, in het geheel niet, geen verdwaalde drup viel neer. En omdat de inwoners van dit koninkrijk prijs stellen op de anonimiteit zoals die voortreffelijk wordt geboden door een paraplu, hadden zij zich nu een paraplu te bedénken: een cocon, een psychologische afbakening, een muur die elkeen scheidde van elkeen, om toch maar geen contact te hoeven hebben met elkaar. Modieuze trainingspakken hadden aangenaaide monnikskappen en jongeren maakten er dankbaar gebruik van om er in weg te kruipen met hun hele moeilijke zelf, of ze duwden de headphones van hun mp3-spelers diep in hun oren, afgesloten als ze daarmee waren van ’s werelds lelijke geluiden. Op alle lijnen, de ondergrondse zowel als de bovengrondse, tussen Gare du Nord en Foyer Schaerbeekois, tussen Berchem Shopping en Anderlechtsepoort, tussen de halte van Montgomery en die van Gare de l’Ouest, overal, sms’ten pendelaars kattenbellen naar elders; de communicatievorm waar zij zich achter verstopten om gesprekken te vermijden. Koppen staken in kranten, neuzen wezen naar buiten en lieten een dampvlek achter op de ramen. Als er niet zo nu en dan een kinderwagen was waaruit een ongecontroleerde krijs opsteeg, of een bel die de reizigers attendeerde op het naderen van een stopplaats, men zou dit doofstomme tafereel met diepe doodsverachting hebben bekeken.

			 Aanhangers van de stelling dat toeval niet bestaat, zagen het als een teken dat de misschien wel bekendste inwoner van deze stad, Pieter Breugel de Oude, bijgenaamd Peer den Drol, zich van een plaats in de kunstgeschiedenis verzekerde middels het schilderen van de bekendste toren uit de Bijbel. Brussel liet zich namelijk vaker vergelijken met de ziggurat van Babel, bemoeilijkt als het zich in alles voelde door de heersende hutsepot van vele talen. Voorbij de gevels werd er gebeden, gedroomd, met potten gesmeten en de liefde bedreven in alle mogelijke dialecten uit alle windstreken. Maar op trein, tram of bus waren het idiomen waarin er voornamelijk werd gezwegen. En wat maar weinigen durfden toe te geven: men was dolgelukkig zich te bevinden op een plaats waar de mensheid in al haar diversiteit afgevaardigd was. Het gaf elke aangeboren asociaal het goedkope excuus te mogen schuilen achter de façade van z’n moedertaal.

			In de binnenstad was het nodeloos hengelen naar een lach of een goedendag, tenzij je natuurlijk met een verkoopster te doen had die zich zelfs wou verlagen tot een beetje vriendelijkheid om haar alreeds gedemodeerde zomerstock kwijt te raken. Haast en spoed, zelden goed, stonden elke vorm van hoffelijkheid in de weg: het gebruik van het woord ‘alstublieft’ was kostbaar tijdsverlies. Wie hoopte met een ongeschonden gezicht thuis te komen, ging er beter niet van uit dat er ook maar iemand ooit een deur voor hem zou openhouden.

			 Eenmaal terug in de flakkering van de eigen haard, kropen deze individuen achter hun computerschermen, zich bedienend van schuilnamen om op allerhande blogs gif te spuien. Ze spuwden bevolkingsgroepen in de smoel, jongleerden met schuttingtaal, richtten hun grofbekkerij desnoods met begeleidende bedreigingen naar mensen wier mening het gevolg is van het feit te hebben nagedacht. Maar in de fysiek tastbare realiteit waren zij kopjes zonder tekstballon, voortreffelijke vertolkers van hun figurantenrol in het grootstedelijke massaspektakel.

			 Het regende niet, behalve wanneer je op ieders gezicht afging. Doordeweeks doorweekt, zompig en lomp.

			Het nieuws van Christus’ komst – en ik kan niet anders dan het heuglijk te noemen, wars van elke overtuiging – werd door de meesten onder ons, Belgen, dappersten aller Galliërs, vernomen in de glazen kathedralen van het kantoordistrict en de ambtenarij, toen het zoveelste spelletje patience was gaan vervelen en men naar een nieuwssite surfte, diep fronsend, knabbelend aan een potloodtopje om concentratie te veinzen en de afdelingschef te misleiden. Daar stond het, weggemoffeld tussen een bericht over een wereldrecordpoging hotdogs eten en de immer op de voet gevolgde strapatsen van een zangeres. Christus zou naar Brussel komen, de eenentwintigste juli aanstaande, de bron was betrouwbaar doch onbekend, maar dat Hij komen ging was een vaststaand feit, nadere informatie volgde later.

			 De sereniteit waarmee dit item werd verspreid én waarmee het tevens werd gelezen, was even miraculeus als de inhoud ervan. Goed, de maatschappij mocht geseculariseerd zijn zoveel ze wou, het geloof in God was algemeen gezien nog altijd groter dan in het journalistendom. Steeds minder scrupuleus vulden die pennenridders hun katernen, opiniekolommen werden uitbesteed aan celebriteiten met meer roem dan opinie, te oordelen naar het aantal woorden werd het belang van een televisiequiz hoger ingeschat dan pakweg de miserie in Soedan. Men koketteerde met de term ‘sexy’ en gebruikte die voor politici zowel als voor obligaties. Men plaatste in de hoofdkatern uit morele verplichting een artikel over de achteruitboerende ecologie om dan in de weekendbijlage schaamteloos hippe reizen aan te prijzen richting verre, kerosineverslindende paradijzen. Was het uitgekeken op de wereld dan beval het journaille een onderzoeksbureau een statistiek te maken die de lezer vervolgens wijzer maakte dat Walen meer tijd in hun keuken doorbrachten dan Vlamingen, waarmee vaaglijk geïnsinueerd werd dat het om twee totaal verschillende volksstammen ging, met elk een heel eigen DNA-structuur en denkpatroon. En nefaster nog voor de reputatie van de papieren klokkenluiders: de klakkeloosheid waarmee zij zoveel slikten en verspreidden. Een jonge cineast die om aandacht hongerde hoefde meer noch minder te doen dan het persbericht te versturen waarin stond dat zijn laatste prent de Gouden Applausmeter op het gerenommeerde filmfestival van Sarajevo had gewonnen, en ’s anderendaags was het artikel overgenomen door veertien onafhankelijke en zichzelf als kritisch beschouwende couranten. Dus inderdaad, wat zou de tijding van Christus’ komst ons nog hebben opgewonden?

			Ik kan mij niet herinneren dat er iemand die middag is opgesprongen van z’n bureaustoel. Niemand proestte het uit bij het vernemen van iets wat nochtans makkelijk voor een schitterende grap kon worden gehouden, geen gekerstende ziel sloeg zich een kruisteken, geen vreugdekreten onderbraken de zeurderige zang van printers en kopieerapparaten. En ook de rokers die, verenigd door het Ministerie van Volksgezondheid als gemeenschappelijke vijand, buiten op straat hun pauzes doorbrachten, als publiekelijk te kijk en te kakken gezette zwakkelingen, brachten hun gespreksonderwerpen niet op dit toch wel bijzondere feit. Natuurlijk, wij moesten de afdelingschef in de waan laten dat wij ons enkel hadden ingelaten met facturatiegegevens, ons salaris mocht ten anderen niet in vraag worden gesteld. En, ook dat, misschien vertrouwden we onze eigen ogen niet helemaal, waren wij beducht voor een over het hoofd geziene lapsus, wachtten wij af tot een moediger iemand het risico nam zich eindeloos belachelijk te maken door te zeggen: ‘Hé, hebben jullie het ook gelezen: Jezus Christus...?’

			 Elk voor zich had dit nieuws gelezen en het in stilte gedragen.

			Het regende wél toen wij die avond uitprikten. Meer dan behoorlijk zelfs. Maar het was geen mens aan te zien. Paraplu’s bleven ongeopend, het waren niet enkel snotneuzen die je zag hinkstapspringen van plas naar plas. Chauffeurs kwamen tot de vaststelling dat ze vergeten waren te toeteren als een idioot hoewel zij niettemin en zonder blikschade het andere eind van de Wetstraat hadden gehaald. Op de tram zei een vrouw opeens, luidop: ‘Nous sommes des passeurs, nous avons besoin des mots des autres’, omdat ze dat net had gelezen in haar krant en dit zo mooi had gevonden dat ze de nood had gevoeld de hele zin uit te spreken. Een heel klein deeltje in haar wou zich nog verontschuldigen voor deze impulsieve daad, uit gewoonte, maar het was te laat, zij was met haar woorden door de lethargie van de pendelaars gebroken, en had daarvan genoten.

			 Zelf kocht ik in Les Jardins du Luxembourg bloemen voor mijn vrouw, witte, iets wat ik in geen tijden meer had gedaan, een bevlieging zeg maar, en gaf vooral mezelf daarmee te kennen blijkbaar nog aan dat in slaap dommelende huwelijk van ons te willen werken.





[statie 2]





België is een favoriete reisbestemming van de Heilige Familie, altijd al geweest, tot die conclusie moet iedereen komen die de archieven van de Romeinse Curie heeft uitgevlooid. Absoluut memorabel was het donkere jaar 1933, waarin de Heilige Maagd Maria zo vaak op Belgische bodem is verschenen dat het stil moet zijn geweest in de Hemel. Een kleine veertig dagen voor het aanbreken van dat kalenderjaar, de negentiende november van 1932, stond Zij boven het spoorwegviaduct van Beauraing, te glunderen, alsof Ze een glas Elixir d’Anvers te veel gedronken had, griezelig te lachen naar vijf kinderen van onopvallende komaf. Tot en met de derde januari van 1933 zou Zij zich in totaal nog meer dan dertig keren aan deze kinderen presenteren, staand onder de takken van een meidoornhaag. ‘Ik ben de Koningin van de Hemel’, oreerde het lichaam in de stralenbundel, ‘Koningin van de Hemel en de Moeder van God. Bid tot Mij! Bid altijd!’ Het nieuws verspreidde zich als syfilis en kort daarop vertrokken bussen vanuit Brussel, Charleroi, Givet, Dinant, Namur en St. Hubert naar de mystieke plaats. Vanuit de hele, prachtige, gothic-novellisten gunstig gezinde Ardennen, werden extra treinen naar Beauraing ingelegd opdat elkeen getuige kon zijn van het wonder. Verschillende psychiaters namen de kinderen aan wie de Moeder Gods zich had vertoond in observatie en kwamen onafhankelijk van elkaar tot de vaststelling dat geen van de vijf een vijs los had. Volkomen normale kinderen, aangeraakt door de extase. Het volk, uit alle landsdelen massaal opgedaagd met picknickmanden en paternosterbollen, zich in al zijn miserie warmend aan een vernieuwde godsdienstwaan, zong tot de Madonna: ‘strek Uw gezegende hand uit over België.’

			 Twaalf dagen later en 85 kilometer verder, in Banneux, een dorp dat tot die dag enkel befaamd mocht zijn om z’n kolossale taarten, verscheen de Heilige Maria opnieuw, weer aan een kind, ene Mariette Beco, een halve naamgenoot, en leidde het meisje naar een ontspringend beekje met de cryptische woorden: ‘Deze bron is voorbehouden aan alle naties, om de zieken te verlichten.’

			 En Maria strekte Haar gezegende hand wel degelijk uit over België: datzelfde jaar nog dook de beroemdste aller moeders op in Herzele, Onkerzele, Etikhove, Olsene, Tubize, Wielsbeke, Wilrijk, Verviers, Berchem en Foy-Notre-Dame, ongehinderd door taalgrenzen en tot groot jolijt van bouwondernemers aangezien elke verschijning werd geëerd met de onmiddellijke oprichting van een kapel. Voor velen was hiermee het bewijs geleverd dat Maria zich niet inliet met geopolitiek, want als Zij ergens met Haar verschijningen de mensheid tot nut had kunnen zijn in 1933, dan wel in Duitsland, waar op dat moment net een nieuwe Messias was opgestaan, eentje met minder baard doch met een beter verzorgde snor dan de vorige.

			 De Heilige Maagd Maria: Zij kende hier Haar baan, Zij was hier al zo vaak geweest, de Lieve Vrouwe van dit land, met haar troon van sleep en kant.

			 Maar ook andere jaartallen veroverden het reisdagboek van Moeke Gods. In 1415 had de devote boerenbevolking van Scherpenheuvel een Mariabeeldje geplaatst in de holte van een eik. In afwachting van een deugdelijke geneeskunde en de uitvinding van antibiotica kwamen de plaatselijke koortslijders er, en met succes naar het schijnt, om genezing bidden. Toen een herder het beeldje stelen wou, verlamde hij terstond en bleef hij aan de grond genageld, als bevroren. Hij kon pas uit zijn komische positie worden bevrijd nadat het heiligenbeeldje weer in de boomholte was gezet. Later, in 1603, rolden er bloeddruppels over de lippen van ditzelfde beeldje, een luguber feit dat ons via maar liefst drie ooggetuigen heeft bereikt. Wie geen komma van dit verhaal in twijfel zal trekken is Maria Linden, alweer een naamgenoot. Deze Maasmechelse zag in september 1982 namelijk de plaasteren Mariabeeldjes op haar schoorsteenmantel bloedtranen schreien, de cameraploeg van de nationale omroep kwam net te laat om een wereldprimeur te filmen.

			 Maar nooit eerder in onze vaderlandse geschiedenis hebben wij de Moeder Van God zo kordaat weten optreden als in Malmedy anno 1919, waar een man het huis van een dame binnendrong met, zo kon worden opgemaakt uit zijn alreeds uitgespeelde broek, oneerbare bedoelingen. De dame dreigde ermee de hulp van de Heilige Maagd in te roepen als de ongewenste indringer niet stante pede weer zijn edele delen bedekte en het huis verliet. En het lijdt geen twijfel of de verkrachter zal zich uitstekend hebben vermaakt zijn weerloze slachtoffer te horen dreigen met, haha, een maagd. Tot de Alma Redemptoris Mater plotsklaps daadwerkelijk naast het bed stond, onversaagbaar, de hele slaapkamer verlichtend met de gloed van Haar aureool, en de arme zondaar de nacht in joeg. Volgens sommigen sukkelde hij sedertdien met erectieproblemen. Men zou van minder.

			Maar al deze, in folklore gedoopte, voorbeelden betreffen visitaties van Maria. Nu was er sprake van de komst van Christus in eigen persoon!!! En niet zomaar op de wilde bof naar een landelijk gat, neen. Aangekondigd! En meteen naar de hoofdstad! Die ook de hoofdstad van Europa was!

			Zo rustig en ruiselend het nieuws, de Blijde Boodschap zeg maar, ’s middags nog naar onze aandacht dong, zo heftig roesde het ’s avonds dwars door alle gesprekken. Uiteraard besteedden de televisienetten die avond enkel aandacht aan het hoge bezoek. In allerlei praatprogramma’s – die te allen prijze gezellig moesten zijn, actualiteit moest entertainen – zaten prominenten van uiteenlopende strekkingen knus naast elkaar op de bank te kouten over de mogelijke betekenis van Jezus’ reisplan. Rabbijnen en vooraanstaande atheïsten, agnosten, henotheïsten, eeuwige twijfelaars, de voorzitter van de moslimexecutieve (die het consequent over de komst van Isa had), anglicanen, woordvoerders van religieuze vrouwenraden..., ja zelfs een Birgittijner zuster was bereid gevonden haar clausuur te verlaten om in de verderfelijke wereld haar vreugde uit te schreeuwen met een stem die door het langdurige kloosterleven aan jus verloren had, gesticulerend met vingers die krom stonden van het vele kantklossen. Hun discussies werden afgewisseld met opgeleukte, poppy versies van kerkliederen. ‘O hoofd vol bloed en wonden’, maar dan door de mangelmolen van een beat-machine gedraaid. En nadien: de libertijnse meiden van popgroep Brigitte die live een lied hijgden uit hun debuutalbum, ‘Jesus Sex Symbol’. In hun onderbroek, een zwarte. Twee reclameblokken later spraken de studiogasten al over Christus als over een ouwe bekende, de jongen van de buren die het tot rockster had geschopt. En de ogen van de interviewer glommen reeds wanneer hij bedacht dat hij spoedig misschien het Lam van God in eigen persoon in zijn talkshow kreeg. Dat ze die dag de kijkcijfers maar eens in de gaten hielden!

			‘En, Jezus... mag ik gewoon Jezus zeggen, ja, dank u... Vertel ons nu eens, want deze vraag ligt uiteraard al een dikke twintig eeuwen te kriebelen op onze tong... Die apostelen van u: zaten daar toch niet een paar nichten bij?’

			Zo ongedwongen en vederlicht waren deze programma’s inderdaad, onderhoudend vooruit, dat wij bijna vergaten op te merken dat niemand, de nihilist zomin als de antichrist, de waarachtigheid van het persbericht in twijfel trok. De vrijzinnigen drukten hun enthousiasme uit, uitkijken als zij deden naar de filosofische weelde die een ontmoeting met dit voor velen lichtende voorbeeld kon opleveren. De marxisten, die de Nazareeër traditioneel afschilderden als één grote morfinepomp voor het dom te houden volk, loofden de anarchistische karaktertrekken van de man die net als Che Guevara liever wenste te sterven om Zijn idealen dan dat Hij te leven had in de leugen, en hoopten Hem weldra te mogen begroeten als de voorvader van het linkse gedachtegoed.

			 Vooralsnog viel er geen panische kreet te noteren. Jehova’s Getuigen slikten in dat de laatste uren van de Eindtijd bij deze waren ingegaan. Zo iemand daar überhaupt nog gehoor aan gegeven had, want de aarde verging volgens hun berekeningen zowat iedere vijf jaar. Defaitisten en kustmijnklotenisten gingen zich te buiten aan een kindse opwinding, de sceptici borgen hun monkellachjes op, het was ontroerend om te zien.

			Des te frappanter waren de beteuterde kopjes waarmee de gezaghebbers van de Katholieke Kerk het debat ondergingen. Als je iets zou hebben verwacht van de kopstukken van dit eeuwenoude instituut, dan toch dat het gaga van geluk de komst van hun Herder zouden hebben bejubeld. Ze konden een religieus reveil gerust gebruiken: hun eucharistievieringen voerden ze ’s zondags op voor een paar verlopen pezewevers, de leegstand der godshuizen noopte de Dienst Monumentenzorg een kerk alhier en een basiliek aldaar te herbestemmen als discotheek of kledingboetiek. En dat was nog niet eens het diepste van hun put. De dampen die over onze bisdommen hingen, waren afkomstig uit stinkende potjes waarvan het deksel eindelijk was losgeschroefd.

			 Kijk, dat een priester zich had vergrepen aan een kind was een schok die de bevolking nog wel te boven kwam. De losse handjes der pastoors kwamen in net iets te veel volkse moppen voor om onverdacht te zijn want datzelfde volk, dol op spreuken, leefde al eeuwen met de wijsheid dat daar waar rook is ook vuur moest zijn. Iedereen kende de pretoogjes waarmee de aalmoezenier van een jeugdbeweging zijn welpjes boven hun wasteil monsterde. Ieder jaar in juni leverden de internaten weer een bende jongens af die de klamme hand van een priester in hun hals hadden gevoeld, die wisten hoe een stem tijdens het Hosanna kon trillen indien gezongen in het aanschijn van een troep jongenskopjes. Collegestudenten op de dag van hun proclamatie, en weinig is natuurlijk mooier dan een jongeling die trots het volwassendom in stapt met een schots en scheef want voor het eerst zelf geknoopte das, dachten terug aan de vingers van de jezuïet in hun mond, toen die theatraal een hostie legde op hun tong. En hoe die vinger telkens een tabaksmaak had achtergelaten. Zeer zeker ook daar zouden de laatstejaars aan denken vóór zij zich samen in de drank gooiden en het verleden wegdronken; een hechte kliek tieners vóór zij uiteenspatte in advocaten, artsen, beroepen die men met minder fierheid uitsprak, en mislukkelingen. Leerlingen die zich ooit als misdienaar hadden opgegeven zouden straks, en voor het laatst, door de grote poorten van de katholieke school lopen, wetend dat het beeld van de spermavlek op de kazuifel hen evenmin verlaten zou als het jeugdverdriet. De chambrettes hadden een stempel gezet op hun gemoed, de opzichter had er hun kruis betast, maar nu namen ze hun diploma in ontvangst en waren ze klaar voor het Grote Vergeten.

			Tot op zekere hoogte kon de massa deze religieuzen hun amper verborgen geilheid nog vergeven, geperverteerd als men langzaam worden moest onder het celibaat. Ja, zelfs op medelijden konden deze geestelijken rekenen.

			 Maar er was recentelijk een bom gevallen in het imago van de Katholieke Kerk. Wederom. Eén slachtoffer van een hitsige bisschop was zo slim geweest zijn gesprekken met de kerkinstanties te registreren op geluidstape. Daarop was duidelijk te horen geweest hoezeer de Kerk had gepoogd die jongen klem te zetten. Hij, het slachtoffer, was het die een probleem had, want hij – jawel, het slachtoffer – was het die er niet in slaagde zijn problemen op een pastorale manier op te lossen. Dit was namelijk niet iets wat het daglicht hoefde te zien, de rechtbanken hoorden zich niet over deze zaak te ontfermen, onbevoegd als zij in feite ook waren over zaken waar God veel snuggerder over oordelen kon. Niet de verkrachter maar de verkrachte was het die tekortschoot als christenmens, omdat hij in de onmogelijkheid verkeerde om zijn beulen te vergeven. Schamen moest hij zich.

			 De Kerk kroop in haar rol van de verongelijkte, verweet het op schadevergoeding uit zijnde slachtoffer zelfs profijt te willen slaan uit de situatie. Overal te lande werden missen opgedragen om de pedofiele bisschop met gebeden te steunen in deze voor hem ongetwijfeld moeilijke tijden. En om hem de volkswoede te besparen werd hij verstopt in een trappistenklooster, waar het bier aanzienlijk lekkerder was dan wat de burgerlijke plegers van zedenfeiten in hun overbevolkte cellen te drinken kregen. Verontschuldigingen kwamen er niet. De clerus was helegaar vrij van zonde, altijd, en onaanraakbaar.

			 Natuurlijk, wij hadden ons in slaap laten wiegen. Dit was hetzelfde instituut dat de jacht op de Heilige Graal als goedkoop excuus had gebruikt om zich te buiten te kunnen gaan aan puur racisme. Hetzelfde instituut dat veel sadistische genoegens putte uit de Inquisitie, dat jonge meisjes flagrant verkrachtte omdat het verboden was maagden op de brandstapel te zetten, dat in de dorpen ongeremd corsettes losrukte en borsten betastte om na te gaan of de duivel er geen zuigvlek nagelaten had. Hetzelfde instituut dat eerder dan anderen weet had van de Holocaust, de deportatie en de vergassing van eindeloze stoeten mensen, joden vooral. En dat zweeg, voor het gemak ervan. Datzelfde instituut, want hetzelfde was het na die jaren inderdaad nog steeds, we moesten het allemaal vaststellen, zweeg gelijk de stenen over alle pedofilieschandalen binnen de kerk. Het psychisch verminken van kinderen was en bleef ondergeschikt aan het blazoen van de Heilige Kerk, amen.

			En nu kwam Christus naar Brussel!

			 De laatste keer dat de Moeder Gods in Brussel was verschenen, was in 1972 geweest, om tegen een lukraak uitgekozen sloor Haar beklag te doen over alle wanpraktijken achter de façade van de Katholieke Kerk.

			 De clerus wist genoeg. Welhaast alle pijen aller klerezijen werden bezeikt van angst. Dit keer kwam niet de Moeder, maar de allerhoogste instantie van het heelal naar hen toe. Om hen ter verantwoording te roepen, een andere reden kon niet worden bedacht! En de bisschoppen zagen bleek als de vele kindergezichten waarin zij nog zo vaak hun door sigaartjes aangetaste adem hadden uitgehijgd.

			 Actualiteit moest entertainen. En dat had het inderdaad weer prima gedaan.

			In bed moest ik er mezelf op betrappen dat ik begonnen was mij ineens een kruisteken te slaan. Ik bedoel, de reflex was daar. Een oud, oeroud gebruik uit mijn kindertijd, toen m’n grootouders met hun duim nog een kruisje tekenden op mijn voorhoofd voor het slapengaan, iets wat mij destijds altijd een gevoel van geborgenheid geschonken had. Bidden deed ik allang niet meer. Gewoon, ik was mijn geloof kwijtgespeeld. De weerzin voor de dood was groter geworden en in ruil daarvoor had ik de trots op mijn onafhankelijke denken verworven. Maar nu voelde ik plotsklaps mijn rechterhand naar mijn voorhoofd gaan, een automatisme waarvan ik niet wist dat ik het nog in me had. Even hoefde ik de controle maar te lossen en ik zou gaan prevelen zijn, O Heer, d’ avond is neergekomen, smekend om Zijn zegen, rust en vree. Ik zou hebben vastgesteld hoezeer ik de teksten van al die gebeden nog uit het hoofd kende en in welke mate hun mantra mij kalmeren kon. Maar ik kon mijn hand nog net op tijd terugtrekken en heb in de plaats ervan mijn vrouw goed vastgepakt. Hetgeen toch ook een vorm van bidden was.





[statie 3]





Toen ik daags nadien om m’n krant liep, slenterde is een beter woord, werd ik langs de Place des Palais getroffen door de aanblik van een ouder vrouwtje dat haar kampement reeds had opgetrokken langs de rand van de weg. Het was op dat ogenblik nog net iets meer dan drie weken aftellen tot de komst van de Allerhoogste, maar deze dame liet er dus geen gras over groeien en had alvast postgevat in een opklapbaar strandzeteltje, bewapend met een frigobox, een kleine caddie gevuld met conservenblikken, en een tamelijk groot portret van de Heer waarvan ik niet wist of het een plensbui zou overleven. Op een kartonnen bord had ze geschreven ‘Heer ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar Ge zijt tóch gekomen. Dank U.’, met een paar aandoenlijke schrijffouten die ik hier uit piëteit niet heb wensen weer te geven. Zo zat ze daar, vastberaden geen meter van haar zetel meer te wijken. In een decorum van immer reislustige Japanners die dit stadsdeel makkelijk vonden, de tandelozen met hun zak opgespaarde broodkorsten tjokkend naar de eenden in het nabije park, de jonge vrijers die nog tevreden waren met slechts een zitbank en met elkaar, de joggers, de velen die door de noden van hun hond meermaals daags hun tuinloze huizen hadden te verlaten, de bomvolle sightseeing-bussen met city-trippers, hun camera’s hoopvol gericht op het koninklijk balkon, de uitlaatgassen... Het tafereel leek mij surrealistischer dan de doeken van René Magritte die in het museum om de hoek de dromers bekoorden.

			 Deze dame was er dus maar meteen van uit gegaan dat Christus bij Zijn bezoek het koninklijk paleis zou aandoen. Waarom ook niet? Koningen onder elkaar, tenslotte. Met haar aanwezigheid dwong ze ons, en het stadsbestuur al evenzeer, na te denken over een te volgen parcours. Zelf zou ik de Zoon van God het pad der ontevredenen hebben opgestuurd, zijnde de as van noord naar zuid, lopende over de Emile Jacqmainlaan, de Anspachlaan, de Lemonnierlaan: straten waardoor meermaals de galm van megafonen, toeters en bellen en vloeken was gegaan. Waar de IJslandvaarders hun onvree over de opgelegde visquota uitschreeuwden, schapenscheerders uit de Pyreneeën smeekten om een menselijke prijs voor hun wol, waar de boeren hun mestkarren hadden leeggespoten, hun kannen met melk hadden uitgegoten, en de metaalwerkers aller hoogovens om een socialer Europa hadden gebruld; hier waar men het racisme uit de wereld hoopte te marcheren, waar men geloofde in de doeltreffendheid van leuzen en kernraketten unisono op de schroothoop scandeerde, waar de vakbonden uit alle hoeken van het oude continent hun afkeer kwamen tonen voor de macht van het geld, poppen in brand werden gestoken en rotte eieren gegooid... dat was het pad, zo had ik gedacht, dat Christus in deze stad te bewandelen had. Dat van de malcontente massa, de eeuwige etcetera’s, de geknechten, de krabbers. Maar richting koninklijk paleis was inderdaad ook een optie. Het was maar hoe men het bekijken wou.

			 De vooruitziende blik van het oude vrouwtje werd natuurlijk opgemerkt. Met haar actie haalde ze het middagjournaal van de regionale televisie, en daarmee sloeg de vlam in de pan. Tegen de avond had de Place des Palais veel weg van een tentenkamp, de hele buurt stroomde vol met goed geëquipeerde families die niet van plan waren één seconde van dit historische moment te missen, ondanks de weigering van officiële instanties om de opname van deze buurt in het parcours te bevestigen.

			Onwillekeurig deed dit mensje, deze groupie van de Heer, mij aan m’n moeder denken. Ik zeg onwillekeurig, omdat ik al bij al weinig aan mijn moeder denk, alleszins minder dan wat van me zal worden verwacht. Maar het schoot me te binnen dat ook mijn moeder misschien best aanwezig had willen zijn op dit onwaarschijnlijke evenement. Als ik me niet vergiste was ze ’r in een viefere levensfase nog getuige van geweest hoe Johannes Paulus II op de kleine luchthaven van, ik dacht, Wevelgem het tarmac zoend. Al kon zulks er ook mee te maken hebben gehad dat haar vrome werkgever voor dit pausbezoek destijds betaald verlof had verleend aan elk gedoopt personeelslid.

			 Op eigen houtje was een middagje in de Brusselse binnenstad mijn moeder ondertussen te lastig geworden, gezien haar respectabele leeftijd, haar angst om een metro te nemen, de vrees voor aanslagen en wat nog meer. Met mij erbij zou ze wellicht moediger zijn geweest, en dus zat er maar één ding op en dat was het haar gewoon te vragen.

			Ze woonde op de Avenue Charles Quint, dicht bij de plompe basiliek van Koekelberg, drie hoog op een grauw appartement, zoals elke stad er vele kent. Aan kleurlingen weigerde de eigenaar te verhuren, uit principe, omdat ze kweekten gelijk ratten en zijn flats ten langen leste niet voorzien waren op kroostrijke druktemakers. En dus had de vastgoedbaron zijn slecht onderhouden koterijen voornamelijk te laten renderen via prille liefdesparen met beginnersloontjes, of bejaarden met magere pensioenen en een aangetaste reukzin, hetgeen hem niet aanmoedigde iets tegen de geur van de vuilniskoker te ondernemen.

			 ’s Ochtends tussen zeven en negen was de kanarievogel van mijn moeder het vrolijkst, wanneer de pendelaars beneden in de straat hun geduld verloren en de buurt trakteerden op een concerto voor claxons; dat gaf het beestje iets omhanden, lustig antwoorden als het deed op al deze steedse geluiden. Tot de avondspits z’n gevangenschap weer wat verlichten zou had de vogel, Fladder was z’n naam, zich te vermaken met het slome geslinger van de pendule en een keer of vijf het weerbericht. Maar vanwaar ze haar roddelblaadjes las, had mijn moeder zicht op de enige koe die Brussel nog rijk was, een pluspunt waarmee elke immobiliaboer in het vet zou adverteren. Ieder jaar wanneer de slachtmaand her en der in ’t land de stallen stiller achterliet, vreesde men de komst van een projectontwikkelaar. Want uiteraard stond elk sprietje gras de economie in de weg. Wat baatte het een koe dag in dag uit te laten snuiven aan onze diesellucht? Aan haar melk hield men ongetwijfeld een loodvergiftiging over! De vaart der volkeren zou meer gediend zijn met het optrekken van kantoorblokken! Maar goed, de koe hield vooralsnog stand tegen allerlei expansiedriften, volgens de geruchten omdat de lobby van de milieuverenigingen te sterk geworden was, en de weide zowel als het somtijdse geloei van zijn begrazer schonk ondermeer mijn moeder een illusie van natuur. Wanneer catecheten door en door verstedelijkte kinderen voorbereidden op hun Heilig Vormsel en naar een aantal concrete bijbelillustraties zochten, dan negeerden zij voor het gemak de verwaarloosbare verschillen tussen een os en een koe en namen zij hun leerlingen mee naar het stukje weiland aan de Avenue Charles Quint: wat daar stond was een nazaat van het bevoorrechte dier dat ooit in Bethlehem aanwezig was geweest bij de geboorte van het kindje Jezus; de damp uit de neus van dit gepiercete wezen was in het wondere jaar nul over de kribbe getrokken en had daar eventjes een aangename warmte achtergelaten. Atheïstische ouders legden hun educatieve accenten elders en stonden ’s weekends aan de prikkeldraad van dit grasperk tekst en uitleg te geven bij het wonder, genaamd ‘koe’. Met opengesperde ogen keken de kleintjes naar de bengelende doedelzak van het beest, ternauwernood gelovend dat daarin zich de bron bevond van potjes yoghurt.

			 Daar woonde dus mijn moeder en was ze, te oordelen naar het volume waarop haar televisie steeds aanstond, een groot stuk van haar gehoor verloren.

			De lift deed het, de mirakelen stapelden zich op die week.

			 Nooit eerder had ik mijn moeder uitgenodigd voor een of andere uitstap, overdacht ik. Anderen namen hun ouders al ’ns mee naar hier of daar, een pannenkoekenzaak, een markt, een theatervoorstelling. Je had er zelfs die ’r meenamen op reis. Maar ik dus niet. De enige uitstappen die ik maakte met mijn moeder waren naar het Erasmusziekenhuis, waar ze om de zoveel tijd de houdbaarheidsdatum van haar heupprothese liet berekenen. Het ergst aan doktersbezoek vond ze de taxi erheen, omdat die tien tegen één werd bestuurd door een Maghrebijn. Om te vieren dat ze de chauffeur had overleefd en gezond was verklaard, betaalde ze ons dan telkens een taartje in de cafetaria van het hospitaal. Een carré confiture; een vlechtwerk van deeg gevuld met abrikozenjam. Een familiale traditie, laat me maar zeggen.

			 Eigenlijk was ik er ook niet heel erg zeker van of mijn voorstel om met haar de Goede Herder toe te juichen wel in zachte aarde vallen zou. Wellicht wou zij niet over dezelfde kam worden geschoren als de simpelen met hun vlaggen en wimpels langs het parcours. Om nog maar te zwijgen over de diepte van haar geloof, waar ik geen fluit vanaf wist. Goed, ze had het bijbeltje bewaard dat ze op de dag van haar eerste communie engelachtig in haar handen had gehouden om de portretfotograaf te plezieren, maar ik heb haar daar nooit een letter uit weten lezen. Boven de deur van de keuken hing een crucifix, een decoratiestuk dat vrouwen het plezier verschafte het wekelijks te mogen afstoffen maar waar verder geen enkele aandacht aan werd besteed. Er stak een tweetal palmtakjes achter de rug van de halfnaakte gekruisigde, bijna als pluimen in de derrière van een burleske danseres, en die blaadjes zagen er dermate verlept en afgebleekt uit dat dit alleen betekenen kon dat mijn moeder in geen decennia meer naar de mis op Palmzondag was geweest. Religieuze verplichtingen als Aswoensdag liet ze aan zich voorbijgaan en haar eeuwige appetijt naar pralines stond haar interesse voor de vastenperiode in de weg. Mij had ze weliswaar naar een katholieke school gestuurd, maar slechts omdat ze aannam dat de kwaliteit van de geboden lessen daar beter was, hetgeen overigens veel van haar generatiegenoten nog hebben gedacht. Op koude kerkstoelen maakte mijn moeder enkel haar water woelig tijdens huwelijksinzegeningen en begrafenisplechtigheden, dat laatste beduidend vaker dan het eerste. Stonden er christelijke groeperingen aan haar drempel om een aalmoes te bedelen voor de oprichting van een schooltje in Port-au-Prince of het boren van een waterput in een verdord stuk Afrika, dan smeet ze de deur onbeschoft dicht. Dus neen, ik wist niet of haar hart doordrongen was van Jezus’ leer. Bovendien was ze een zondares in de klerikale zin van het woord: ongehuwd, moeder van een kind dat ze nooit de naam van z’n ongekende verwekker had opgebiecht.

			‘Wie we daar hebben, mijn verloren zoon! Drink je iets?’

			 Eigenlijk zijn er maar twee vloeistoffen die ik echt lust: bier en koffie. Voor bier was het nog te vroeg, vond ik. En sinds de gierigheid haar nog vaster in haar greep gekregen had was mijn moeder begonnen haar filterzakjes meerdere malen te gebruiken. Eenmaal ze daar mee begon wist ik dat ze oud geworden was. Haar smaakpapillen waren, gelukkig voor haarzelf, geen cent meer waard. Als je ’r met een pepermolen tekeer zag gaan boven haar bord soep wist je genoeg. Maar mij kon je geen plezier doen met waterige, vaag aan koffie herinnerende aftreksels van aftreksels.

			 ‘Ik moet niets hebben, dank je.’

			 ‘Is Claudia niet meegekomen?’

			 ‘Veronique!’

			 ‘Wat zeg je?’

			 ‘Veronique! Het is al meer dan vijftien jaar geleden dat ik met Claudia was. Het is Veronique, ma, onthou dat nu toch eens.’

			 ‘Het maakt niet uit, je bent helemaal alleen gekomen, dat zegt genoeg.’

			 Als ze tegen me sprak bleef haar gezicht naar de televisie gericht. Samen met haar zag ik een chef-kok heel gewichtig een bord met drie krulslablaadjes schikken, ongetwijfeld in de hoop dat de sla hierdoor iets minder naar sla mocht smaken.

			 ‘Moet je iets hebben om te drinken?’

			 ‘Maar dat heb je mij nog maar net gevraagd, ma!’

			 ‘Oh, ja? En wat heb je geantwoord?’

			 ‘Dat ik niets hebben moest, merci.’

			 De chef-kok verdween van het televisiescherm, een dierenchirurg nam zijn plaats in.

			 Het werd tijd dat ik met mijn voorstel op de proppen kwam. Voorzichtig, bang nog om mij belachelijk te maken. Ik zeg het, religie had bij ons thuis altijd op dezelfde hoogte als seksualiteit gestaan, in de zin dat het iets privé was, niet zozeer taboe, maar privé, je praatte er niet over en daarmee gedaan.

			 ‘Heb je gehoord dat Jezus naar hier komt?’

			 ‘Ze hebben het over niets anders.’

			 ‘Zou het je interesseren om erbij te zijn wanneer Hij door onze straten trekt?’

			 Eindelijk haalde ze haar blik van die domme, vermoeiende televisie weg. Ze keek me strak aan, leek me na te denken over wat ze doen zou: mij uitlachen of een donderpreek afsteken.

			 Ze liet haar kunstgebit even buitelen in haar mond, een tic die ze altijd vertoonde wanneer ze haar woorden in de weegschaal lei, en zei ten slotte: ‘Al die mensen die daar nu drie weken op voorhand aan de kant van de weg staan, hebben weinig vertrouwen in hun zaak. Wie gelooft dat hij God nog lang genoeg zal zien, hoeft zich niet uit te sloven om er tijdens zijn aardse bestaan een vlugge glimp van op te vangen.’

			Overbodig te vertellen dat haar antwoord mij verraste. Aan alles had ik mij verwacht, maar niet aan deze scherpe reactie. Neem daarbij het feit dat mijn moeder luttele uren na haar uitspraak onverwacht kwam te sterven in haar slaap, met een gelukzalige glimlach zoals de kistenmaker er nog nooit één op het gezicht van z’n klanten had gezien, en mijn verbazing was compleet.

			 En zo komt het dat ik in een periode die ik mij toch moet herinneren als één van de mooiere uit mijn flink opgeschoten leven, mijn moeders lichaam liet vieren in de kerkhofgrond van Evere.

			 Bij Dupont, het café in de buurt van de begraafplaats waar vele rouwenden zich komen troosten met gestoofd konijn en een trappist, at ik een carré confiture en was ik, gepast of niet, in alle onverklaarbaarheid gelukkig. De komende dagen had ik een appartement leeg te maken waarin ik misschien een foto zou vinden van de man die mijn vader kon zijn, een brief kon ook, en zou ik een kanarievogel bevrijden uit zijn ellendige kooi.





[statie 4]





Sedert 1698 heeft Brussel een geheel eigen manier om iemand z’n liefde te betuigen, namelijk: door zijn bekendste standbeeld te verkleden als de te vereren mens. Getooid in het kostuum van Elvis Presley en Nelson Mandela liet Manneken Pis, want over een ander standbeeld kon ik het hier inderdaad niet hebben, z’n water reeds klateren in de fontein van de Stoofstraat. Als Baden Powell, Mozart, Columbus, een voetballer van Racing Anderlecht, een geletruidrager uit de Tour de France, als Sinterklaas, noem maar op…, vermomd als zovelen schond de guitige krullenkop bij daglicht en in het donker de openbare zeden. Wie ooit deze bronzen goedzak in z’n hoedanigheid van chansonnier Maurice Chevalier blijk zag geven van een goed gesoigneerde prostaat, zou nimmer kunnen luisteren naar ‘Mais où est ma zouzou’ zonder daarbij terug te denken aan de nietige piemel waar nog geen dorre non aanstoot aan nemen kon.

			 Parijs had de Eiffeltoren, Rome de Trevi-fontein. Lange tijd had het mij gestoord dat ons nationaal symbool moest bestaan uit een blote pisser, alsof wij ons gebrek aan verdere ambities verborgen achter goedkope onderbroekenlol. Evenmin begreep ik waarom reizen uit alle windstreken leidden naar dit achtenvijftig centimeter metende beeldje, waar je op een vlooienmarkt zó aan voorbijlopen zou.

			 Maar ik werd vrolijk, fiks vrolijk, toen ik ons Manneken ineens aangekleed als Christus, een aureool op z’n kruin, z’n plasser uit zijn lendendoek zag diepen, en pissen, onophoudelijk pissen met één hand in z’n zij, de knieën lichtjes gebogen om te kunnen bewonderen wat door een mollig buikje aan het zicht onttrokken wordt. Daar begreep ik het. Op geen betere manier kon het gevoel van bevrijding worden gesymboliseerd dan met het beeld van een pisser. Een jonge pisser, een mannelijke pisser, omdat die het nog niet verleerd is zorg te dragen voor de boog waarmee zijn straal zich gewonnen heeft te geven aan de zwaartekracht, omdat die de ballistieke pracht van z’n gespui hoog in het vaandel draagt. Veel triomfantelijker dan alle uit marmer gekapte heldhaftigen in de Florentijnse binnenstad vond ik plots dat onooglijke icoon van mijn niet minder onooglijke land. Triomfantelijk en levenslustig. En ik prees mij gezegend ergens te leven waar er geen oorlog werd ontketend omdat onze, cultuurhistorisch, voornaamste profeet in Zijn blote lullemans werd afgebeeld. Geen schande uitschreiende predikant die smeekte om de terugkeer van het vijgenblad in de plastische kunst. Het fluitje van Onze Lieve Heer choqueerde ons niet. Wanneer Giovanni Bellini het minuscule kinderpikje van Jezus al tijdens de Vroege Renaissance aan het doek had toevertrouwd, – als wou de schilder de menswording van God beklemtonen door Hem pover te bedelen op de plaats waar het voor elke man, en eigenlijk ook elke vrouw, altijd een paar grammetjes méér mag zijn – wat zouden wij dan zoveel eeuwen later moeilijk doen over een Jezus die geen centimeter van de Schepping verbergen wou?

			 En zoals het Brusselse stadsbestuur altijd besloot voor hoogst uitzonderlijke dagen, werd ook nu de leiding van de fontein aangesloten op een vat bier. Tot de dag van Christus’ komst zou Manneken Pis zich hullen in aureool en lendendoek, en het bassin van de Stoofstraat amber kleuren.

			Als ik voor mijn eigen generatie spreek – wij, kinderen van de sixties, jaren die steevast op platenhoezen worden bedacht met gouden predikaten – dan moet ik zeggen dat de hoop ons bij het zien van dit Manneken Pis naar het delirium dreef. Het valt ons te vergeven. Wij werden in de wereld geworpen op het ogenblik die klaar dacht te zijn voor een revanche op het verleden. De slechtigheid was uit de mens verdreven, met plastic, bubblegum en rock-’n-roll. Daarom organiseerde Duitsland in 1972 andermaal de Olympische Spelen, om de herinnering aan de propagandistische editie van 1936 weg te spoelen. Met vernieuwde naïviteit, en helaas is dat het juiste woord, ik had het gaarne anders gezien, trok de mensheid zich op aan het geloof dat sport de volkeren nader tot elkaar kon brengen. Dat de weg naar de vrede liep over een piste van 400 meter. En hoezeer men ook hockeyde of uitblonk in badminton, hoe hard men zwom of sprong, de droom der broederschap spatte uiteen toen Palestijnse terroristen een bloedbad aanrichtten in het olympisch dorp en het Israëlische team huiswaarts stuurden met meer doodskisten dan medailles. We maakten kennis met het gegeven van de terreuraanslag, politieburelen ruilden hun boekjes met boetebonnen in voor PSG-1 precisiegeweren. In de herinneringen aan onze kindertijd eten wij spruiten met kruidnoot en worst en staat onderwijl de televisie aan; bomauto’s en vliegtuigkapingen zijn de onderwerpen van de nieuwslezer en ons maal smaakt ons daar niet minder om. Dodentallen vallen als lotto-getallen, gijzeldrama’s zijn dagelijkse kost. Militaire grootmachten dreigen elkaar af met een allesvernietigend rakettenarsenaal. En de Biafraan met zijn buik bol van het extracellulaire vocht, rammelt met zijn gamel, als om te zeggen: ‘Hier ben ik weer, uw spelprogramma gaat zodadelijk beginnen, fijn dat u keek, tot morgen!’

			 De industrie keerde zich tegen haar mankrachten, de rijen met werklozen zwollen, weg was het welvarende walhalla dat onze ouders met jukeboxlampen hadden verlicht. Het racisme dat veertig jaar eerder zoveel schade had aangericht dat Europa er nog steeds niet van was hersteld, kreeg nieuwe prekers en volgelingen. Nors en lam en dom schikten wij ons in de rol waarin het eind van de smerigste eeuw ons blijkbaar drong.

			 Ik was een jongeman, in de jaren van mijn eerste scheerkwast, toen het geloof in mijn soort zich onverwachts herstelde, en ach, het viel wellicht te schrijven op het conto van mijn jeugdige, gebrekkige mensenkennis, maar niettemin, het apartheidssysteem in Zuid-Afrika stortte in, de Koude Oorlog verdween uit het script van de Apocalyps, de Berlijnse Muur werd gesloopt, fluwelen revoluties gaven het volk een stem... en wat ik nog had bewaard aan utopist in mij stond daarmee op en rook z’n groot gelijk van heel nabij. Ideologisch waren dat de mooiste dagen uit mijn leven, ik schaam me niet dat te zeggen, en ik denk oprecht dat ik voor veel van mijn leeftijdsgenoten mag spreken. Wie je jouw hele collegetijd voor de grootste onverschilligaard had gehouden zag je plots, en vrij van ironie, in een T-shirt van Amnesty International lopen. Alsof we eerst week werden gemaakt opdat de volgende klap des te harder aan zou komen. Want kort daarna toonde Rwanda dat een genocide maar 100 dagen en een paar kapmessen nodig heeft om het bevolkingsregister 1 miljoen namen lichter te maken. En ondanks de belofte, plechtig gehouwen in zovele standbeelden en zuilen die waren verrezen na de Tweede Wereldoorlog, werd er in Srebrenica bewezen dat er nog altijd massaal stakkers werden gedeporteerd en afgeslacht, omwille van hun geloof, hun afkomst, hun kleur. En dat de rest van de aardbol daar nog altijd geen rotte zak om gaf! Dat gaf mijn, gaf ons, optimisme aangaande het humanisme de genadeslag. Wij werden die befaamde verloren generatie, zich begravend in kleinburgerlijke gemakken, zelfzuchtig, onbevlogen. In onze verzuurde rangen kwamen de politieke partijen gretig lijsttrekkers rekruteren, de toekomst hoefde voor niemand meer.

			Hadden wij ons gewenteld in onze lamlendigheid? Zeker en vast! Maar onvoorziens viel er een glans op onze matte dagen. Wij voelden ons bevrijd uit onze banale bestaantjes. Of laat me anders voor mezelf spreken, dat zal verreweg het eerlijkst zijn: ik voelde mij bevrijd uit mijn banale bestaantje. En dat gevoel, waarvan ik mij steeds bewuster werd hoe langer ik in de Stoofstraat stond, trof mij zozeer, ontroeren effenaf, dat ik iets deed wat ik nooit eerder voor mogelijk had gehouden: ik liep een souvenirzaak binnen en kocht mij daar een replica van Manneken Pis. Dertig euro voor een versie in polyester. De verkoopster verstond er niks van: normaal gezien verkocht zij enkel aan toeristen; vandaag vooral aan Brusselaars.





[statie 5]





In België was het moeilijker een slijper van machinegereedschappen dan een parlementariër te vinden. Zo al onze verkozenen tenminste de vaardigheid bezaten een regering te vormen, dan telde ons land zes parlementen. Een federale regering, een Waalse gewestregering, een Vlaamse regering, een regering voor het Brussels hoofdstedelijk gewest, een Franstalige gemeenschapsregering en een regering van de Duitstalige gemeenschap. Een hele boterham. Zes – ik herhaal: zes! – verschillende regeringen voor een natie van hoop en al 30.000 km², kleiner dan Bhutan, kleiner dan Guinee-Bissau, zorgden ervoor dat er maandelijks 537 parlementslonen moesten worden uitbetaald. En daarbovenop streken 48 ministers en 10 staatssecretarissen vette salarissen op, geld dat altijd ergens vandaan moest worden gehaald. Sommige van die ministers jobhopten van de ene regering naar de andere tijdens één en dezelfde legislatuur, hetgeen de loonsberekening er niet op vergemakkelijkte. Enfin, onze staatsstructuren vormden een dankbaar onderwerp voor sadistisch aangelegde examinatoren, en weinig woorden doken dan ook zo vaak in onze editorialen op als ‘kafkaiaans’.

			 Het was mij de laatste jaren opgevallen dat ik op reis in het buitenland steeds vaker moest uitleggen dat hier geen burgeroorlog heerste. De discrepantie tussen het politieke discours en het burgerlijke leven kon amper schriller. Vlamingen en Walen stonden niet met getrokken messen tegenover elkaar; onze metselaars werkten samen op dezelfde werven en wat zij bouwden stond schoon recht, het orkest van De Munt was samengesteld uit musici uit noord en zuid en niettemin speelden zij La Finta Giardiniera in dezelfde sleutel, er werd met elkaar gehuwd over de taalgrenzen heen en in die huishoudens smeten ze meer noch minder dan anderen met deuren en pannen, zij troffen dezelfde warmte, dezelfde kilte in elkanders armen. Maar de populistische slagzinnen van onze luidste blaffers gaven sommige buitenstaanders het tegendeel te kennen en hielden voorname investeerders weg.

			Hoe dan ook, stilaan moest er worden nagedacht over een officiële delegatie, prominenten die de eretribune met Christus mochten delen, die Hem de hand konden schudden in het aanschijn van de massaal opgetrommelde pers. En dan bonkten de Vlaamse ministers het eerst op tafel, hetgeen niemand meer verbaasde. Het eerst en het hevigst. Brussel was hún hoofdstad, basta. De Waalse minister-president resideerde tenslotte in het Elysette van Namur waar hij, als de wind goed zat, de everzwijnen hoorde knorren in de nabije bossen. Het Vlaamse Parlement daarentegen bevond zich op de hoofdstedelijke Boulevard du Roi Albert II, waar ’s avonds de hedendaagse Maria Magdalena’s in donkere wagens stapten. Bovendien, en dat leek de noorderlingen al helemaal doorslaggevend, stond het Vlaamse volk dichter bij God dan het Waalse! Toen het aan progressiefs op z’n minst toch nog een spelling had, schreef het ‘Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen Voor Kristus’, een credo dat zich olijk liet jodelen tijdens ommegangen, en werk schonk aan menige borduurster van letters in een vlaggenatelier. Jaarlijks trokken de rabiate voorstanders van een onafhankelijk Vlaanderen, een autocar of vier bij elkaar, vergezeld van twee priesters en een vat wierook naar de polders, bevangen door de gedachte dat de Schepper hun idee van separatisme gunstig genegen was, om er te bidden in de open en naar overbemesting ruikende lucht, en er vervolgens de gevoelens van een geplette minoriteit te evoceren. Tromgeroffel en vendelgezwaai kon daarbij helpen. Wanneer, elders in hun kalender, de vreugde omtrent hun culturele identiteit dermate was gezwollen dat zij moest worden uitgezongen, dan verzamelden zij in het Antwerpse Sportpaleis en brulden ze in koor ‘Op de purperen heide’, ‘Zie ik de lichtjes op de Schelde’, en ‘Mieke hou u vast aan de takken van de bomen’, zowel als, jazeker, profanere schlagers. Wallonië, daarentegen, had z’n geloof met industriële dampen uitgerookt, de kerkklokken klepelden er doffer door de dikke zwavelsmoor. Wou men gezegd hebben: ‘Walen hebben niks te zoeken in Christus’ nabijheid, en al helemaal niet in Brussel!’

			Daar stond dan weer tegenover dat je in de schaduw van het Atomium meer librairies dan boekhandels vond en dat l’amour er beduidend vaker dan de liefde werd bedreven. Het was lang zoeken, met andere woorden, naar iemand in de buurt van het Centraal Station die onder de douche tijdens het mousseren van z’n permanent ‘Op de purperen heide’ jodelde. Van alle aanstaande bruidjes die in de Brusselse hospitalen stiekem nog snel hun maagdenvlies lieten herstellen, waren er maar weinig die ‘Onze Lieve Vrouw Van Vlaanderen’ konden neuriën. Laat staan dat zij het zongen in het Nederlands.

			 (… Onze Lieve Vrouw Van Vlaanderen: het mag-num opus van componist Lodewijk De Vocht; men vroeg zich af waar, in welke prefabwijk, op welk parkeerterrein van welk tuinbouwmagazijn, ’s mans standbeeld stond... En door hoeveel duiven het reeds onherkenbaar was bescheten...)

			 Maar dat het aan Franstaligen niet kon ontbreken in een waarachtige afvaardiging van stad en land stond buiten kijf.

			 Ook dat vergeten procentje Duitstalige Belgen, immer stil en bescheiden teruggetrokken in hun grassige achterhoek, niemandslanders die begrepen dat het leven in essentie draaide om het vullen van kannen melk, eiste opeens luid en duidelijk een rol op in het ceremonieel gebeuren omtrent de ontvangst van de Lieve Heer.

			 En zo was men alweer vervallen in het aloude communautaire gekakel waar onze beleidsmensen zich zo gaarne achter verscholen om het toch maar niet te moeten hebben over de putten in ons wegdek, de betaalbaarheid van ons onderwijs, de vervuiling van de bodem, de bejaardheid onzer kernreactoren.

			Niet alleen de natie, ook de hoofdstad zelf had men menen te moeten verkruimelen in onoverzichtelijk veel beslissingsniveaus. Maar liefst negentien buiken in deze ene stad waren ingebonden met een burgemeestersjerp. Brussel was een lappendeken van verschillende gemeenten wier visie niet verder dan de eigen stoeprand reiken mocht. Tot nu. De burgervader van Ukkel voelde zich halsoverkop weer een pure Brusselaar, ook al had hij daar niemand iets te beloven om zijn electorale achterban te verstevigen. En hij stond erop met een vip-badge om z’n hals aan de rechterhand van Christus te mogen zetelen op de grote dag, deze des Oordeels misschien.

			 Neem daarbij dat ook nog eens alle europarlementariërs aanspraak meenden te maken op een persoonlijk onderhoud met Jezus, en men begrijpt de moedeloosheid waarmee de organisatie van dit evenement werd aangepakt.

			 Hetgeen te verwachten was: iedereen met een beetje naam en faam wou zich laten fotograferen naast een man met het genetisch erfmateriaal van de Almachtige. Alles wat tevoorschijn kon worden getoverd aan adelbrieven was bruikbaar, geen gat te vuil of het kon worden gelikt, geen trots te klein of te groot of zij kon opzij worden geschoven om via de zelfvernederende weg der mouwvegerij z’n slag thuis te halen. Het zou werkelijk te ver leiden om alle onbeschaamde eenmansinitiatieven op te sommen, maar als één voorbeeld voor al het andere lulligs kan staan, dan mag het niemand onthouden worden dat de voorzitter van voetbalclub FC Brussels de datum voor de vriendschappelijke oefenwedstrijd tegen de B-kern van Standard de Liège naar de eenentwintigste juli verschoof, hopend dat niemand minder dan de Godenzoon in eigen persoon alzo de officieuze aftrap geven kon.

			Voor één keer werden de leiders van de vaste tijdelijke federale regering niet teruggefloten uit hun buitenlandse vakantieoorden om een crisis te bezweren, maar om iets heuglijks in elkaar te boksen. Een speciale commissie werd samengesteld, en tot eenieders verwondering ging dat zo vlot dat de televisiemakers hun hoop op een geanimeerd debat vervloog.

			De priorij van Hertoginnedal had zich in het verleden meermaals bewezen als geschikte locatie voor gewichtige onderhandelingen. In 1957 had men daar het Verdrag van Rome tot op de laatste paragraaf bij elkaar gefilosofeerd, en bij deze meteen ook de deklaag gegoten van wat later de Europese Unie worden zou. Kwakkelende regeringen kwamen er hun val breken, onmogelijk gewaande akkoorden raakten er gesloten. Volgens ingewijden lag het aan het haardvuur, dat er inspiratiebevorderend knetterde. Het lag aan het park, volgens anderen, waarin de hersens een kwak zuurstof kon worden toegediend alvorens een moeilijke knoop moest worden doorgehakt. En het lag, jaja, ook aan de keuken van het domein. Duo de langoustine et homard en carpaccio à la citronnelle; Limande aux petits gris de Namur, fin bouillon aux lentins de chêne et à la ciboulette chinoise; Saint-Jacques poêlées aux lentilles vertes du Puy, roulade de concombre aux huïtres plates de Colchester, Poule faine à la fine champagne et sa garniture hivernale... Waar honger wordt geleden, krijgt men de vrede niet gesticht. De hardnekkigste flamingant liet bij het lezen van deze spijskaart alle taaleisen varen en zette eerst zijn mond en vervolgens zijn bovenste broeksknoop wagenwijd open. Het was dan ook geen enkel commissielid aan te zien dat hij rouwig zijn zou omdat hij zich gedurende de tijd van de onderhandelingen terug moest trekken in deze gastronomische afzondering.

			Eén discussiepunt kon alleszins snel worden afgerond: wie de ambitie had Jezus Christus te chaperonneren gedurende Diens verblijf in deze stad moest Zijn taal beheersen!

			 De kennis van het Latijn hadden sommigen nog wel op hun curriculum staan. Bon, je kon geen brood meer kopen in die taal, en ook de hoger opgeleide meisjes lieten zich allang het hof maken door jongens die hun ablatieven op zak hielden. Maar enkelingen hadden het tijdens hun humaniorajaren gestudeerd om de denkspieren te stretchen, een cerebro-gymnastische oefening waar anderen dan weer liever een schaakbord voor gebruikten. Vulgairder viel men voor deze studierichting te motiveren om het aanzien te verwerven dat de notabelen lange tijd onder de vleren van de kerktorenhaan genoten dankzij hun kennis van het plusquamperfectum. Maar dat was ocharme slechts Latijn, de taal waarin botanici onder elkaar over hun gedroogde herfstbladeren spraken.

			 Christus had Zijn vissen vermenigvuldigd in het Aramees! Ha! Hij had de kooplieden en de geldwisselaars in de tempel van Jeruzalem verrot gescholden in het Aramees. Het was de taal waarin Hij Kajafas kort van antwoord diende, waarmee Hij Lazarus van z’n verlamming hielp; de taal waarin Hij op de Olijfberg Zijn verscheurendste gebeden bad, de taal waarin Hij, zo durft men hier en daar te zeggen, droomde van de geliefde die Zij nooit gekregen had.

			 De leden van het comité zaten net aan de mousse au chocolat (herkenden zij daar niet een lichte ondertoon cognac?) en keken elkander aan. Aramees? Iemand? Dat zou ten zeerste de verbazing hebben gewekt. Op een paar krokant geworden bijbelrollen na was het Aramees zo goed als volledig van de wereld geveegd. Neo-Aramees, of een koddig dialect dat daarvan was afgeleid, dat sprak hier en daar nog wel een mens. Assyrische christenen in Iran en Irak, bijvoorbeeld, er waren er nog een paar duizend van, die moesten misschien in staat zijn een conversatie met de profeet te tolken. Maar begon hen eens te zoeken, zeg, verscholen als de stumpers zaten in de bergen, vrezend voor hun leven, een zoveelste diaspora trekkend over de stafkaarten.

			En zo kwam het dat ’s lands hoop en blik op Transitcentrum 127 werd gericht. Daar, in de transitzone van de nationale luchthaven, zaten achter prikkeldraad de uitgeprocedeerden, de papierlozen, de vergeefse zoekers naar begrip en asiel, in afwachting van een vliegtuig waarmee ze werden gerepatrieerd naar waar ze evenmin welkom waren. Omdat het hun niet in de schoot geworpen was, hadden ze het geluk te zoeken, over vele staatsgrenzen heen... Ach, we hadden geen koolmijnen meer, anders hadden wij ze daarin kunnen stampen. Zo strekte hun gevonden geluk ons nog tot nut. Het land was vol, stampvol, met winkelketens van Ikea, Tonton Tapis en Lederland. Dus vertel ons: waar moesten wij die arme sloebers herbergen? In de toonzalen van al die ketens soms...? Aangezien al hun verzoeken om een vluchtelingenstatuut werden afgewezen waren deze mensen: clandestien. Alsof ze de verpersoonlijking van een zak cocaïne of een kist springstof waren. Illegaal: je zal het maar te horen krijgen over jezelf! Dat je bestaan ongewettigd is! Dat je geboorte buiten het wetboek viel! Dat je ’r eigenlijk niet zijn mocht! Meer van het leven durfden ze niet meer te vragen dan dat zij ergens onderbetaald en zonder enig woord van dank aan de afwasbak van een restaurant mochten staan. Ze stonden ervoor open te wonen in kamers waarin de schimmel zo dik op de muren stond dat geen vergiftigende kachel ertegen opgewassen was. Maar zelfs dat comfort was hun niet gegund. Weg moesten ze. Weg naar waar hun moeders hen geworpen hadden. Het was de meest bekrompen gedachte die de nieuwe tijd had voortgebracht: dat de informatie op je paspoort iets wezenlijks zei over jezelf!

			 Hij had de vogels geringd, de koeien gemerkt. Het laatste wat de mens nog in een cataloog had te stoppen was zichzelf. Het geloof van de soort in haar eigen denken en handelen stond blijkbaar op zo’n lamentabel niveau dat het onmogelijk werd geacht dat iemand zijn geboortegrond ontgroeien kon.

			 Daar, waar de tralies strepen trokken over het uitzicht, in dat droefmoedige Transitcentrum 127, moest er zich tussen de verschopten misschien iemand bevinden die met z’n moedertaal een touw geknoopt kreeg aan dat oude Aramees. Als dat waar mocht zijn, dan hadden we een tolk voor Onze Lieve Heer en kreeg die man of vrouw meteen een definitieve verblijfsvergunning cadeau. Buitenlandse Zaken was al onderweg met de stempelkussens.





[statie 6]





Ik denk dat ik Brussel altijd al het mooist vond in de tweede week van juli, wanneer de hoge ozonconcentraties de apothekers dwongen een grote reserve astmapuffers in te slaan en de vrouwen, bezeten van reducties, gelaarsd en gespoord hun koopjesjacht door de Nieuwstraat aanvatten. Dan, als de vakantiejobbers tot het besef kwamen dat de baan van kassierster niet zo simpel was als zij er altijd had uitgezien, wezen de kompassen van de ambtenaren naar het luie zuiden en ontlastte deze stad zich voor even van haar hectische verkeersgetijden. Mooier kon een ochtend in de bewoonde wereld niet aanbreken dan deze waarop de eerste foorkramers hun zwaar geladen vrachtwagens door het centrum reden. De zomerkermis zou dra beginnen. De eerste lampion hoefde maar in z’n fitting te worden gedraaid of ik rook reeds de beignets, de wafels, de smoutebollen. En als gegoten uit prachtige fiolen hoorde ik daarbij steeds weer die meeslepende stem van Jacques Brel, zingend: j’aime la foire où pour trois sous l’on peut se faire tourner la tête. Ik moet het toegeven, het ontroerde mij zomer na zomer de bedrijvigheid gade te slaan, vandoen om die hele kilometer tussen de Hallepoort en de Anderlechtsepoort te vullen met ijspaleizen en carrousels. Bizar, want ik was geen man van de grote massa. Nooit dol op geweest. Maar op een kermis, een broeikas van misantropie nochtans, tja, durfde ik mijn wantrouwen tegenover de meute al ’ns te laten varen. Ik wist ook niet hoe dat kwam.

			Voor drie sous werd je allang niet meer ondersteboven door het heerschap van de vogels geslingerd. Integendeel, vele kermisattracties boden bijna-doodservaringen aan als ultiem vertier en vroegen daar een prijs voor die serieuze gaten sloeg in een gemiddeld gezinsbudget. Maar de autoscooter, de bumper car, had gelukkig menige mode overleefd en schonk nog steeds jongeren de ideale en betaalbare atmosfeer om stoer sigaretten te roken, de borstkas breed, de schouders recht, kijkend naar het andere geslacht en dat laatste ongetwijfeld met meer lef en zelfvertrouwen dan ik op hun leeftijd had. Het was een van de weinige zaken waar ik mezelf iedere kermis weer op trakteerde: de autoscooter, een rit of vier. Natuurlijk vormde ik voor geen van de jeugdige macho’s een bedreiging en had niemand er lol aan mij in de flank een deuk te rammen. Zij duldden mij op hun terrein als de oude en steeds zieliger wordende nostalgicus, freewheelend door zijn verrafelde memoires. De enige generatiegenoten van me die ik onder het neon nog tegenkwam waren mannen die tamelijk laat in hun bestaan het vaderschap waren ingeklaterd, en die hun zoontje, occasioneel een dochtertje, op speelse wijze inwijdden in de rijkunst. Zij hadden al een lichte ervaring met osteopaten, wisten wat een whiplash was, en zagen botsauto’s niet langer als een middel om mee te botsen doch veeleer als een pedagogisch hulpstuk om hun nazaten de verkeersregels aan te leren. Dus ja, ik kon de jongere die mij als een meelijwekkende melancholiekerd aankeek geen ongelijk geven, verloren als ik enigszins mijn wagentje over het strijdtoneel, hún strijdtoneel, laveerde. Toch krijg ik het niet afgeleerd mezelf telkens weer in een autoscooter te hijsen. Ook nu, nu de stalen geraamtes van allerlei gigantische zwiermachines in elkaar werden gevezen, begreep ik dat ik dit jaar weer het stuur in handen zou nemen, en voelde ik daarbij nog iets van de oude opwinding die mijn zenuwstelsel in rep en roer had gezet, jaren geleden, vrouwen geleden, verdrieten geleden, toen de komst van de foor als een belofte klonk.

			Deze buurt kon een beetje feeërie gebruiken, ook daarom keek ik altijd weer de aankomst van dat romantisch gebleven kermisvolk tegemoet. Deze mensen bevrijdden ons van de lelijkheid en dienden als dusdanig te worden begroet, als bevrijders, zoals de Canadese sigarettenrokers de derde september 1944 op de Tervurenlaan. Indien onze meisjes voor dit doeleind de verantwoordelijkheden die hun bevalligheid met zich meebracht hadden op te nemen, welaan dan: Deus Vult!

			 Ik overdrijf, enigszins. Maar het neemt niet weg dat de Boulevard Poincaré al jaren stond te vergrauwen. Weinig viel daar makkelijker te gedogen dan de leugen van een reuzenrad bij nacht, een mechanische supernova, die ons optilde boven onze dagelijkse grijswaarden. Gedurende deze lumineuze weken kleefden er gezichten tegen de ramen van de internationale treinen die het Zuid Station uit schreden en de uitdrukkingen die daarop lagen versteend verrieden spijt dat de Noordzee was onderkelderd met een ultrasnelle spoorweglijn. Liever waren zij nog wat gebleven, nu de temperaturen een gunstige invloed hadden op de genieting van een geuze en tevens het seizoen aanbrak waarin Belgen zich uitputten in discussies over de kwaliteit van de nieuwe lichting mosselen. Maar de eisen die ons tijdperk het spoorverkeer oplegde waren onverbiddelijk; slechts twee croissants scheidden onze Grand Place van Piccadilly Circus. En aangezien tijd en geld twee larven zijn die zich meermaals spijzen aan hetzelfde lijk, moest de reistijd, nodig om Brussel met Londen te verbinden, volgens sommige aandelenjagers kunnen worden teruggebracht naar één croissant. Tegen de tijd dat Jacques Brel zijn volgende strofe aanhief, bevonden de handelsforenzen zich al dieper dan de kabeljauw.

			Et nous donnant un peu de rêve pour que les hommes soient contents.

			Telkens dit stadsdeel veelbelovend rook naar paardenstront, afkomstig uit de gecoiffeerde konten van afgestompte kermispony’s, maakte ik mij op voor een wandeling langs alle attracties, die toch ook een wandeling langs het verleden was. Het sentimentele daarvan staat mij tegen, maar het is niet anders: ieder bezoek aan de kermis was een bezoek aan de kermissen van vroeger. Ik dompelde mij onder in het gebrul van loten verkopende kramers en zocht naar de spinnenvrouw, het rondtrekkende kabinet Siamese tweelingen, de vlinderrups. Het was een gezapig dolen door herinneringen aan brasserie Caulier-Express Midi, waar ik ooit mijn eerste pils dronk en deed alsof ik ’m lekker vond, aan boksers en worstelaars, aan kalverliefdes die ontloken en stukgingen tijdens een en dezelfde zomer.

			 En toch leek er mij deze editie iets veranderd. Iets essentieels. Uiteraard katapulteerden diverse machines de gretig krijsende meiden nog hoger en sneller door het ijle dan het jaar voordien, en kostte een ritje op de hobbelbaan flink meer dan het 360 dagen eerder al deed. Maar da ’s niet essentieel. Wat ik gezegd wil hebben is dat deze kermis opeens meer met de toekomst dan met het verleden te maken had. Het was een kermis die zichzelf verdiende, gerechtvaardigd was, omdat er, simpelweg, iets te vieren viel.

			Zag ik dat goed en laadden de migrantengezinnen met tegenzin hun camionnettes vol, zich opmakend voor een weerzien met steeds meer vervreemdende naasten in Marokko, een achtergebleven oma die voor haar gemoedsrust moest worden verzwegen dat het moeizaam overleven in Europa was? En zag ik ook goed dat er hier inwoners plotsklaps bloembakken voor hun raam hadden geplaatst? Dat ze bloembakken voor hun raam hadden dúrven te plaatsen? Want zeker, zij die zich ooit de moeite hadden getroost hun gevel en dus ook de buurt te verfraaien met iets van kleur en iets van leven, waren daar snel weer op teruggekomen. Vele jeugdige werklozen, en zij waren talrijk in deze stad, meenden dat zij mede met bloembakken en bushokken hun eigen verveling vernielden. Een enkele dappere hield vol in zijn rol als burger bij te dragen tot de schoonheid, wapende zich met stoffer en blik en plaatste ogenblikkelijk een nieuwe bloembak. Iemand die ooit de wilskracht of de na- iviteit bezat om ten derden male een bloembak te plaatsen heb ik nog niet mogen ontmoeten. En dus mochten we dankbaar zijn om het bestaan van schotelantennes, anders zouden vele van onze gevels er nóg troostelozer hebben uitgezien. Maar nu dus verscheen de ene na de andere bloembak in het straatbeeld; je geloofde je eigen ogen niet.

			 De reisbureaus bedachten steeds agressievere reclames, gooiden met prijsreducties, gratis ditjes en nóg gratissere datjes, om het tegenvallende aantal boekingen voor juli, tenslotte toch de maand waarin hun jaaromzet werd gemaakt of gekraakt, een injectie te geven. (Injectie: een modewoord, gebruikt door stakkers die zich van de ene vergaderzaal naar de andere sleepten.) Omgekeerd schoten de prijzen voor een Brusselse hotelkamer, met of zonder ster, duizelingwekkend naar omhoog. De selders in de volkstuintjes aan het Laarbeekbos moesten wijken voor een geïmproviseerd kampeerterrein en wie met een kleiner geweten winst wenste te halen uit deze bijzondere situatie, verhuurde onbeschaamd duur zijn washok als bed and breakfast voor de steeds talrijker toestromende pelgrims.

			 Inderdaad, als onze stad voor even de navel van de wereld was, waarom zouden wij dan zelf onze vakantie elders doorbrengen?

			Toevallig hadden Veronique en ik voor die zomer nog geen reis gepland, hetgeen niet naar onze gewoonte was. Mogelijks hadden wij, elk afzonderlijk, gevreesd zo’n vakantie als koppel niet meer te overleven, grondig als de klad het afgelopen jaar in onze relatie zat. We waren moe van elkaar. Ik was beginnen berekenen hoeveel van mezelf ik had prijsgegeven om op te blijven gaan in dat geheel van twee. Stellen dat het enkel gemak was dat ons bij elkaar hield zou te ruw zijn, maar er was onmiskenbaar een nieuwsgierigheid naar andere levenswijzen in mijn denken geslopen, naar het groenere gras van de overkant. Je moest geen zielkundige zijn om te weten dat de kans om meeslepend verliefd te worden op de eerste de beste vreemde groter was dan ooit. Dat gold voor haar, en dat gold voor mij.

			 Wou ik dat?

			 Soms wel! Maar, en dat was toch ook belangrijk: soms ook niet!

			 ‘Jij bent te zeer op jezelf en het is je te vergeven’, had ze eens gezegd, en zij was niet de eerste partner van me die hiermee op de proppen kwam. ‘Je hebt nooit een vader gekend, altijd alleen met je moeder geweest... Wie zou jou het samenleven dan kunnen leren hebben?’

			Ook Veroniques verlof was nu ingegaan. Drie weken zonder telefoongerinkel, deadlines of volgepropte mailboxen. Tegen de tijd dat zij die sleur enigszins ontwend was mocht zij weer haar bureeldoos in.

			 Om het begin van de vakantie te vieren schoven we onze benen onder de tafels van Le Tournant, bestelden Italiaanse bubbels en deden alsof we de menukaart bestudeerden, ruim op voorhand wetend dat we alle twee de zwezeriken zouden nemen. Met amandelschilfers, er waren onsmakelijker combinaties te verzinnen. De afwezigheid van een reisbestemming zou ter sprake komen en ik was er zenuwachtig voor. Ik wist hoe zij onder de gedachte leed dat een mensenleven schier onvoldoende was om de aardkorst, of zelfs nog maar een kwart ervan, te kunnen hebben bewonderd. Er waren woestijnen waarvan zij geloofde dat die op haar lagen te wachten. Ze had nog bergpassen te bewandelen, bossen te ruiken, doodshoofdaapjes te aaien. Voor mezelf had ik de beslissing al genomen: ik wou deze zomer in Brussel blijven, nu deze stad compleet onverwachts het geloof in zichzelf hervonden had, een renaissance beleefde en de, op het eerste gesnuffel, precies iets minder naar pis stinkende metrokokers werden opgevrolijkt met plaatselijke hoempapa’s van Lange Jojo, Coco Van Babbelgem en andere halfvergeten volksbarden. Maar ik zette me niet schrap om applaus te ontvangen na de bekendmaking van mijn persoonlijke vakantieplannen. Voor zover er een goede toekomstvoorspeller aan mij verloren was gegaan schatte ik in dat Veronique dan maar zonder mij op reis zou gaan. Ruimdenkende koppels maakten daar geen problemen van, het huwelijk was geen gevangenis, men moest elkaar als individu z’n vrijheid gunnen. Maar ik was nuchter genoeg om te weten wat die vrijheid in wezen betekende.

			 ‘We hebben nog niks geboekt voor van de zomer...’

			 Ze had niet verontwaardigd geklonken, niet ontgoocheld. Zij bracht dit gewoon als een nuchtere vaststelling. We hadden nog niks geboekt, punt.

			 ‘Neen, klopt. Had je een bestemming in gedachten, jij?’

			 ‘Wel, er zijn natuurlijk nog veel plaatsen om te zien. We raken nooit rond.’

			 ‘Dat is waar.’

			 ‘En jij?’

			 ‘Ik weet het niet. Ik dacht misschien...’

			 ‘... dat je ’ns een jaartje thuis zou willen blijven?’

			 ‘Nu ja... Weet je... het appartement van mijn moeder moet nog worden leeggemaakt. Zolang daar nog spullen staan moet haar huur verder worden betaald. Dat is één. En ten tweede voelt Brussel op dit moment zo, ik weet niet, gezellig aan dat het me zonde lijkt om het te verruilen voor een strand of wat dan ook. Hoe moet ik het zeggen... de kermis... die hele Christus-affaire...’

			 En er viel een zwaarte van haar blik. Ze had precies hetzelfde gedacht, maar durfde het niet te zeggen.

			 Voorspelbaarheden hebben soms ook hun aangename kanten: de zwezeriken waren weer succulent.

			 Op de terugweg naar huis hebben zeker veertig mensen ons spontaan een goedenavond gewenst.





[statie 7]





Meestal droomde zij haar dromen op slechtere matrassen. Zo ze al de mazzel van matrassen had. Met kranten verzachte vloeren, banken in parken, opengeplooide dozen in verlaten winkelhallen, dát waren doorgaans de ondergronden waarop ze al te vaak de slaap had moeten vatten. De bedden in het Transitcentrum waren vergeleken hiermee pure luxe geweest. Maar in één van die zachte julinachten sliep de elfjarige Ohanna opeens, samen met haar ouders, op de Boulevard Adolphe Max – de straat waar jonge en oude rukkers zich zochten te vermoeien in het gluurhok van een seksshop – in het duurste bed dat deze stad haar bezoekers te bieden had. De presidentiële suite van een hotel. 7800 euro per overnachting oftewel, volgens de statistieken van dat ogenblik, vijf doorsnee maandsalarissen per nacht. Haar lakens waren eerder reeds beslapen door oliesjeiks, ministers, magnaten.

			 Driehonderdveertig vierkante meter mat de suite, en om het onbehaaglijke gevoel van leegte te reduceren had men de ruimte verfraaid met een buitenproportioneel groot televisiescherm alsook, onvermijdelijk haast, een jacuzzi. En vond men de kamer te lelijk, dan kon men met de verlichting – uiteraard domoticasysteem – redelijk veel camoufleren. Een butler, hoger opgeleid in het plofloos losmaken van champagnekurken, zichzelf overigens niet onaardig verrijkend met wat eenzame vrouwen hem aan fooi hadden toegestopt, hield zich discreet op de achtergrond. Wensten ze een stapje te zetten in de wereld waar hun driedubbel beglaasde ramen op uitkeken, dan stond de klanten een Jaguar met chauffeur ter beschikking. En omdat je ook van een makkelijk leven aardig kan zweten, konden de gasten zich wassen in een multi-jetdouche.

			Ohanna was door Buitenlandse Zaken geselecteerd om Christus te begeleiden gedurende Zijn verblijf in het ondermaanse. Officieel omdat de kans groot was dat haar grammatica, gezien haar afkomst en haar aangeboren taalgevoeligheid, het oorspronkelijke Aramees goed benaderde. Dat zij was verkozen boven, onder meer, de gretig voor deze eer postulerende joden had wellicht niet weinig met haar leeftijd te maken. Een kind in alles nog.

			 ‘Laat de kinderen tot Mij komen!’ Het was een zin waarvan meer dan één ministerieel medewerker zich herinnerde dat die uitgesproken was door de Heer, of liever: zich meende te herinneren, want pogingen om het bewuste citaat terug te vinden in de Bijbel werden gestaakt zodra de koffiepauze aanbrak. Maar de keuze voor een kind kon zelden kwaad, vroeg dat maar aan reclamemakers. Het konden ontzettende etters zijn, maar eens je dat detail over het hoofd zag had je zo vrede met het beeld van kinderen als symbool voor de absolute onschuld. En bovendien had die Ohanna een schattige, charmante snoet, geknipt als illustratie op een kalender van Unicef, de meimaand laat ons zeggen. Op geen betere manier had men Christus kunnen tonen hoezeer men in België bekommerd was om de machtelozen, de vreemden, zoals ook Hij als kind machteloos en vreemd was geweest, zozeer zelfs dat Zijn Moeder Hem heimelijk ter aard had moeten persen in een beestenstal, alsof Hij een stuk stront was dat nodig moest worden uitgescheten, onttrokken aan alle neuzen en blikken.

			Deze selectie gaf Ohanna en haar ouders een toekomst, een godswonder op zichzelf, zij hadden er niet meer op gehoopt. Maar de grote verantwoordelijkheid die het meisje toegewezen kreeg, woog zwaar op haar frêle schouders. Zij had deze taak met verve te voltooien, zoniet werd zij met de rest van het gezin linea recta terug naar de miserabiliteit gevlogen. Geen wonder dat de gedachte aan die klus haar geen seconde van de dag verliet, ze stond er mee op, ging er mee slapen, en ook gedurende die slaap gingen haar dromen derwaarts. Haar ouders rekenden op haar. Het land rekende op haar, de Europese Unie, het Vaticaan misschien. Wat wil je? Zij had haar werk perfect te voltooien en dus de Godenzoon Brussel te tonen zoals het was, zoals zij het kende en doorvoeld had: als de stad waar een kwart van de bevolking net te weinig nagels had om zich aan het gat te krabben, waar een derde van de kinderen, een derde jawel, opgroeide in gezinnen zonder een door arbeid verworven inkomen. Waar 1 op 4 zieke mensen gezondheidszorg uitstelden, omdat sterven betaalbaarder was dan genezen. Zij moest Hem de stad tonen op een ochtend waarop de jongeren zich moedeloos aanboden op de arbeidsmarkt, zich met veel te velen verdringend voor het raam van een interimkantoor, jagend op dezelfde drekkige baantjes, in het volle besef dat 30 procent onder hen nooit een loonbrief te zien zou krijgen. Nooit. De schoolpoorten moest zij tonen, die de jeugdigen te vroeg en zonder diploma verlieten, ongelovig als zij stonden tegenover de waarde van zo’n gehandtekend vod. Hun vaders hadden nochtans gehamerd op het belang van een diploma, ofschoon zij er zelf een hadden en daar geen meter verder mee kwamen.

			Ohanna had geluk: in haar droom stond ze op het grauwe perron van het Noord Station, een buurt die ze uitstekend kende. Jezus stapte uit een onder de graffiti zittende wagon, tweedeklas, zoals dat van Hem mocht worden verwacht, in de geur van gebakken ajuinen, afkomstig uit het nabije pensenkraam. Ze had Hem meteen opgemerkt en ze zei: ‘Welkom Jezus Christus, Messias, eniggeboren Zoon van God, in Brussel, de hoofdstad van het Koninkrijk België, de hoofdstad van de Vlaamse en Franse Gemeenschappen, het bestuurlijke centrum van de Europese Unie, thuishaven van de NAVO, en hoogst vereerd met Uw komst’, precies zoals zij het vanbuiten had geleerd. Hierop nam ze Hem bij de hand, hetgeen Hij liet gebeuren, en namen ze samen de roltrap naar de deprimerende centrale gang van het station waar de verborgen dronkaards ’s ochtends in een buffet de schreeuw om alcohol smoorden in een paar haastig naar binnen geslobberde blikjes pils alvorens te verdwijnen achter een computerscherm, en waar ze ’s avonds dit ritueel herhaalden, tot ze voldoende moed tegader hadden gezopen om een versuffende treinrit huiswaarts aan te vatten en het hun daar wachtende, soporeuze huwelijk verder te zetten. Een eindje verderop ratelden cijfers en letters op een bord vertrektijden en bestemmingen bij elkaar. Neen, het is niet waar, ratelen deed die dans der getallen niet meer sedert de informatieborden met ledlampjes de reizigers van vertragingen op de hoogte brachten. Maar in de hoofden van de ongeduldigen ratelden en klepperden die dingen nog als in de tijd dat de eerste locomotief hier woest z’n stoom uitstiet. Het was middag: in de eetstalletjes ejaculeerden plastic flessen slierten mayonaise op broodjes gevuld met kaas en hesp, voor de rustelozen die hun maaltijden al stappende hadden te eten. Hun agenda’s blaften hen voorwaarts, immer ingerukt en: marche!, links, rechts, links, rechts, zozeer zelfs dat zij niet zagen dat Christus hen voor de voeten liep.

			 Het was winter in Ohanna’s droom, een meevaller, want zo kon zij Hem tonen hoe de stationshal was gevuld met bedelaars, verlommeld van de kou, en het dieet dat zij hadden samen te stellen uit wat de vuilnisbakken in de aanbieding hadden. De in versleten dekens gewikkelde Roma-zigeuners, bedrogen door hun begeestering voor deze bestemming die hen als menswaardig was voorgesteld; de loefgierig gezopen doolaards, spoken in feite, want administratief allang gestorven en verrot, stinkend naar al hun aankoeksels. Ze stelde Hem Mariëtte voor, de toiletdame van het station die zo vriendelijk was haar twee winstgevende wc-potten gratis ter beschikking te stellen van de thuislozen. En Hij decoreerde Mariëtte prompt met Zijn zegen. Ohanna greep Jezus nog iets kordater bij de hand en wandelde met Hem door de gedachten van de vele voorbijgangers – een droom, alles was mogelijk, ze moest ervan profiteren! En daar zagen ze de overtuiging dat niemand van die schurftzaaiers aalmoezen nodig had, tenslotte, dit was een land met alle nodige sociale voorzieningen, wie geholpen wílde worden kréég hulp; finaliter sliepen deze loosers op straat omdat dit hun eigen, vrije keuze was geweest. De baby’s die daar op de arm van een zielig kijkende moeder beroep deden op het medelijden van hen die hun kroost maar in een crèche hadden te steken gedurende hun arbeidsuren, waren weliswaar echte baby’s, maar zij waren gehuurd bij een maffiose uitleendienst die had begrepen hoe schoner een bedelbekertje rammelt indien het wordt uitgestoken door een moederhand. Ze slenterden langs overtuigingen dat deze zwervers ’s ochtends op hun schooiposten werden afgezet door een taxi, een zwarte Mercedes, en dat ze ’s avonds ook door dit vehikel weer werden afgehaald. Zij maakten deel uit van goed georganiseerde en uiterst lucratieve firma’s, handelaars in zieligheid, en eigenlijk was men als belastingplichtige burger goed gek om nog een druppel vocht voor een werkgever uit te zweten, als je zag wat men aan fortuinen bij elkaar kon schrapen door daar gewoon maar wat op je luie reet in een stationshal te zitten.

			 Nadien verlieten zij deze overpeinzingen en stapten ze naar buiten, de stad in haar stolp van smog in. Een accordeonist speelde de kou uit zijn vingers en werd smalend aangekeken door properder geboren creaturen die geeneens een hoge do herkenden. Zo die accordeonist al de menselijkheid ervoer te worden aangekeken. Meestal werd hij gewoon genegeerd, de leegganger, en bleef zijn hoedje leeg. Maar dit was een droom, en men keek de man aan.

			 Vervolgens kwam er iets meer vaart in Ohanna’s slaap, meer opwinding, en stapte zij een bus in die voor haar in de Volksstraat was klaargezet: een helrode citybus, ontworpen voor toeristen met tijdgebrek. De sleutels staken erop. Jezus nam plaats op het dak en Ohanna bestuurde het gevaarte, ze was zelf verbaasd dat ze het kon. Slalommend tussen de trompende, met vuisten en middelvingers zwaaiende automobilisten op de immer dichtgeslibde binnenring. En zoals de zee zich ooit voor de Heer had gespleten, zo sprongen nu alle verkeerslichten voor hen op groen.

			 In de Van Gaverstraat greep ze haar microfoon en zei: ‘Aan Uw linkerzijde, mijn Heer, ziet U belogen meisjes, verlokt door het Westen, door het beloofde bestaan van mensenrechten, en hier gestrand, aangespoeld zeg maar, gelijk het wrakhout van een schip waarnaar geen mens nog zocht. Om te overleven hebben zij zich in al hun gaten te laten graaien. Aan Uw rechterzijde ziet U krak hetzelfde.’

			 Ze reed Hem naar de Bodeghemstraat en liet Hem daar voelen aan de ruwe doch welgekomen sargen van het Leger des Heils. Ze toonde Hem de krotten van de Marollenwijk, huizen waar de paddenstoelen beter gedijen dan de mens; de betaalparking aan de Kruidtuinlaan omdat de daklozen daar hun schoonheidsslaapjes deden onder de nog warmte afgevende motor van een zopas gestationeerde wagen. Vervolgens gidste ze de Goede Herder langsheen het mistroostige kanaal, waarvan de bodem is bevrucht met de lichamen van menig uitzichtloze en waarlangs de befaamde geuze wordt gebrouwen, de Boulevard du Neuvième Ligne, thuishaven van een asielcentrum en in die hoedanigheid mondiaal misschien wel Brussels bekendste laan.

			 Daar was het dat de droom overging in een nachtmerrie. Jezus rukte z’n masker af en bleek een controlerend ambtenaar van de stad te zijn. Hij brieste. ‘Ha, wat dacht je wel Christus een zo’n vertekend beeld van Brussel te kunnen schetsen? Met geen woord heb je gerept over de pracht van het Chinese paviljoen, geen letter over het machtige Maison Delune, de gebouwen van Horta, de grandeur van het Jubelpark, al onze rijkdommen vergaard op de rug van diegenen die wij in onze koloniën hebben afgeslacht, onze chocolatiers, onze frieten, de chique winkels op de Place du Grand Sablon...’ Hoe langer Ohanna naar de woedende smoel van de vermomde keek, hoe meer ze ’r gerust in werd dat het om niemand minder dan de duivel ging, een rol die volgens sommigen een controlerend ambtenaar inderdaad goed moest liggen.

			 ‘Je bent bedankt voor bewezen diensten, dit land kan jou niet langer gebruiken, jouw kamer in het Transitcentrum 127 staat klaargemaakt.’

			Ohanna schrok wakker, drijfnat van het zweet. De multi-jetdouche kwam van pas.





[statie 8]





Belgische postzegels blonken uit in twee onderwerpen: het portret van de koning en vogeltjes; liefst zelfs van die weerloze wintervogeltjes waarmee de kleine burger zich makkelijk identificeren kon, hetgeen de verkoop van houten voederhuizen uiteraard geen kwaad deed.

			 Behalve postzegels vulde het hoofd van de majesteit ook het televisiescherm op oudejaarsavond, als hij zijn onderdanen een nieuwjaarsbrief voorlas. De taak om linten door te knippen liet hij steeds vaker over aan zijn zoon, opdat die het métier van staatshoofd tijdig onder de knie zou krijgen. Om diens kruin te kneden naar de vorm van de kroon, zijn zitvlak te boetseren naar de kussens van de troon. Ook al hoorde je meer en meer de onheilspellers konkelfoezen dat het einde van deze natie nabij was en de hele dynastie spoedig zou verkassen van paleis naar krot.

			 Mijn hele leven al las ik van muren de leuze BELGIË BARST, op onze openbare bakstenen geklad door mensen die zich gesterkt voelden door de overtuigingskracht van de alliteratie. Maar België was nog altijd niet gebarsten, de inzet van vele graffitispuiters ten spijt. Vijf grondige staatshervormingen had het overleefd, vele identiteitscrisissen en zelfbevragingen doorstaan, twee wereldoorlogen doorsparteld, diverse afscheuringsbewegingen verdragen..., om toch maar min of meer de vorm te bewaren zoals die al vier eeuwen vóór de feitelijke stichting van het koninkrijk door Filips de Goede gegoten was. België was de hypochonder van de geografie: de Staat die geloofde dat hij niet lang zou blijven bestaan en dus slechts met de grootste tegenzin nog investeerde in zichzelf, waardoor hij, omdat hij nu eenmaal bleef bestaan, verder moest als een gedurig achterop gesukkelde natie die te weinig geïnvesteerd had in zichzelf.

			 Natúúrlijk zou België ooit ophouden te bestaan en worden vervangen door iets anders dat evenmin de eeuwigheid was gegund. Het lange leven wordt enkel geschonken aan de sponzen, doch ook zij moeten vroeg of laat kapot.

			 En zo kwam het dat wij al een aantal jaargangen na elkaar de viering van onze nationale feestdag (de eenentwintigste juli, jawel, datum waarop onze eerste koning – een Duitser – in 1831 met lichte tegenzin de eed aflegde) aarzelend aankruisten op het kalenderblad.

			Dat Christus Zijn komst had gepland voor onze nationale feestdag was dan ook een doorn in het oog van sommige vaderlandshatenden en werd gezien als een misplaatste zet zelfs van een Almogendheid die zich niet had in te laten met de aardse politiek. Ware de homo sapiens niet de fabricagefout van de Schepping geweest, dan hoefde de Verlosser Z’n leedvermaak niet los te laten op de staatsinrichting van Z’n kroost. Republikeinen toonden zich plotsklaps van hun bijbelvaste kant en mopperden dat de keuze van Jezus voor de eenentwintigste juli minder met Zijn sympathieën voor de Belgische kroon had te zien, dan wel met het tegendeel. Want net zoals Hij Pontius Pilatus destijds er fijntjes op had gewezen dat de ware koning Maria als milde voedstermoeder had en was opgegroeid tussen de schaafkrullen van een timmerman die niet Zijn verwekker was, zo kwam Christus nu nedergedaald op de Brusselse rioolputten om de koning der Belgen, tevens drager van het Grootkruis in de Orde van Malta, Grootmeester van de Orde van Leopold II, Ridder in de Deense Orde van de Olifant, te attenderen op diens volkomen onbekwaamheid als vorst...

			 Bla, bla.

			 En nog eens: bla.

			Maar zelfs al had je ideologische bezwaren tegen de monarchie als staatsvorm, vond je het middeleeuws dat de scepter toekwam aan wie hem simpelweg had geërfd, kreeg je het idee niet verkropt dat de kroon niet mocht worden ontbloot en het blazoen van de majesteit onder geen beding geschonden worden mocht, al gruwde je van de gigantische dotaties die jaarlijks in de tomaten der koninklijke serres kropen, enkel om een symbool te onderhouden, toch had je ’r weinig moeite mee te erkennen dat de vorst waarschijnlijk een toffe knul was. Ik zeg ‘waarschijnlijk’, omdat je de man natuurlijk niet kende. Wie hem wou leren kennen moest in overstromingsgebied gaan wonen of eens een treinramp overleven. Maar goed, gesteld dat jouw eerste indruk aan betrouwbaarheid had gewonnen door een rijkelijk met menselijke contacten gevuld leven, dan was je toch geneigd te stellen dat die vorst van ons aangenaam gezelschap was. Ik zal voor mezelf spreken: ík zou er allerminst iets op tegen hebben gehad met onze koning te moeten tafelen. Hij was, als ik zijn karakter goed heb ingeschat, in wezen een doodgewone goedzak, een mens als u en ik die thuis met zijn vuile vingers stiekem in de braadslee zat. Een vrolijke geniepigaard, behendig in het ongezien weggraaien van bonbons, creatief in het opdissen van gelegenheden om een extra glas wijn te drinken. Een mens met een zulkdanig moeizame stoelgang dat hij vaak pas de plee verliet toen de kranteninkt al in z’n knieën was gedrongen. Ach, anders dan de skalden moesten onze dichters onze koning neerzetten als een heertje met sympathieke gebreken, een voorraadje licht aangebrande grappen waaruit hij kon putten bij de pousse-café, een hoorapparaat, een te hoge cholesterol. Iemand die al eens een scheef schaatsje had gereden en wroeging voelde om de hartenpijn die hij zijn vrouw, de koningin, ooit een fotomodel maar inmiddels al te zeer gecraqueleerd, daarmee had aangedaan. Maar dat de koning een figuur was met wie wij bij Christus niet in affronten zouden vallen, daarover raakten ook de commissieleden in de priorij van Hertoginnedal het eens, net voor het opdienen van de crème brûlée.

			Kijk, alleen al om praktische redenen leek het eenieder veruit het makkelijkste om zowel Christus als de wereldse koning samen in de bloemetjes te zetten. Als de parades te beider eer over hetzelfde parcours liepen, dan hoefden er niet nodeloos veel straten in de binnenstad voor het verkeer te worden afgesloten en had men nog de beschikking over voldoende parkeermeters om inkomsten te innen. Zodoende werd er beslist om het leeuwendeel van de festiviteiten te laten plaatsvinden op het parcours waarop de eenentwintigste juli traditioneel het militaire defilé plaatsvond: het Poelaertplein, de Regentschapstraat, de Zavel, het Koningsplein. Christus kon bijvoorbeeld, het was maar een eerste schets, in een kooi van kogelbestendig glas tot aan de eretribune van de koninklijke familie worden gereden. Al was het maar de vraag of je met een staatsschuld van 296 miljard euro fors moest investeren in de veiligheid van Iemand die het eeuwige leven had. Tuurlijk niet. Een aanslag op de Messias was wel het belachelijkste wat een terrorist bedenken kon. Dus, hops, een tweede schets. Christus kon in een draagstoel, de pauselijke Sedia Gestatoria, ja dat was plechtiger, tot bij de koning en, niet te vergeten, Ohanna, worden gebracht. Of men liet Hem rijden op een ezelsveulen, daar was Hij naar verluidt heel erg behendig in. En zo konden de twee gefêteerden samen kijken naar de stoet marcherend kanonnenvlees, vol eendrachtszin ten heldendood gereed, gevolgd door een optocht van steltenlopers, als om duidelijk te maken dat er nog leven is na een afgeschoten been. De harmonie van de gendarmerie, opgericht om te bewijzen dat ook de schrijver van een keuringsbon solfège kon, joeg een hymne door de bombardon, met in haar kielzog: de majorettes van Moha. Over de hoofden van de vele genodigden vlogen F16-piloten in formatie, een kruisvorm laat ons zeggen. Als de traditie gerespecteerd mocht blijven dan trok daarna een detachement van de lokale politie, samengesteld uit een Volkswagen Jetta van de politiezone Sint-Truiden en een onopvallende Skoda van de zone La Louvière door de hoofdstad. Aansluitend zou een detachement van de federale politie pronken met een Peugeot 807 van de Dienst Hondensteun en een Opel Vivaro van het labo van de federale gerechtelijke politie van Tournai. Om de Heer weer wakker te schudden kon er vervolgens een luidruchtig vuurwerk worden afgeschoten, op luide kerkmuziek, evocerend een theatraal tafereel uit het Oude Testament. Nogmaals, het was slechts een voorstel.

			 Men zag, men had nog denkwerk voor de boeg.

			 Misschien moest men eens een oor of twee te luister leggen bij een evenementenbureau?

			Bevond de invulling van het programma zich nog in een verkennende fase, de bekendmaking van het traject zorgde alleszins al voor een grote vreugdeuitbarsting in het Warandepark, waar de hardnekkigste fans van de Heer massaal hun tentjes hadden opgetrokken, zodat ik twijfel of ik deze overbevolkte ruimte moest vergelijken met een festivalweide dan wel met een vluchtelingenkamp in Darfoer. En zeggen dat die hele hysterie begonnen was met één oud vrouwmens in een klapstoel op de stoep. Toiletcabines werden aangesleept maar kregen de grote hoeveelheden niet tijdig geslikt, wat niet prettig was voor dragers van open schoeisel. Het was veel verkieslijker het eindpunt van de spijsvertering te plaatsen in een struik, al was de aanplanting van laaggewas in dit park veel te schaars om gedurende meer dan een week beschutting te kunnen bieden aan duizenden, neen, tienduizenden gelovigen met aandrang. De man die algauw bekend zou staan als Zacheüs en die in één van de vele parkbomen was geklauterd, vastberaden zijn schitterende uitkijkpost niet te verlaten, liet zich voedsel en flesjes water aanreiken door vrijwilligers van het Rode Kruis en scheet voor het gemak schaamteloos in zijn broek. De tak waarop hij zat moest op dat eigenste moment het nec plus ultra zijn van zowat elke vastgoedmakelaar en zou ongetwijfeld een veelvoud hebben opgebracht van wat flatbewoners in Monaco bijvoorbeeld vingen voor het verhuren van een vierkant metertje balkon wanneer het Formule 1 door dat fiscale walhalla scheurde. Gelukkig waren er de plotseling overal opgeschoten eetstalletjes – frieten, escargots, hot-dogs... the usual suspects – en verspreidden deze een geur die de strijd met de ammoniaklucht aanbond.

			Vakantie, dat gevoel hing gedurig in de lucht.





[statie 9]





Het was die zomer opeens tot mijn vaste ochtendrituelen gaan behoren dat ik een wandelingetje maakte langs een paar krantenkiosken en mijzelf het plezier verschafte te zien hoezeer mijn thuishaven de media-aandacht van over de hele wereld magnetiseerde. Brussel sierde de voorpagina’s van de internationale magazines. Geen blad kon van de drukpers rollen of het spendeerde aandacht aan onze bezienswaardigheden. Geheimtips voor de smulpaap, adresjes voor de winkelverslaafde toerist, de charme van tram 44 die Het Spoorloos Café als eindhalte had, alternatieve overnachtingen voor hen die geen hotelbed meer hadden vast gekregen of die de weinige nog ter beschikking staande bedden veel te duur hadden gevonden, etablissementen waar het authentieke bier de mooiste schuimkraag had... het waren thema’s waar geen enkele redactie op bespaarde. The Times had voor de zoveelste keer in zijn rijke historie Jezus Christus op de cover geplaatst maar, en dat was voor het eerst, als bezoeker van de Brusselse Grote Markt dat toch, en ik laat alle blinde chauvinisme varen, één der mooiste pleinen op de hele aardkorst was. Donker en somber, maar mooi. Het aantal Amerikanen dat Brussel voor de hoofdstad van Bulgarije nam, zou daarmee zijn duikvlucht naar het nulpunt toch moeten kunnen hebben ingezet en als iemand Jezus had te bedanken voor zoveel gratis publiciteit, dan wel de toeristische diensten dezer stad. Elke dag kocht ik mij twee buitenlandse kranten, tonende een Brussels monument op de voorpagina, bij voorkeur geschreven in een taal waar ik geen lettergreep van begreep. Om te bewaren. Ik, die altijd lacherig had gedaan met Veronique wanneer zij herinneringen hamsterde, plakboeken vullend met concerttickets, metrokaartjes, haarlokken, kattenbellen, boardingpassen.

			Ik stond aan onze voordeur met de Helsingun Sanomat en de Tokyo Shimbun onder mijn oksel toen de bovenbuur mij op de rug klopte en zei: ‘Wel, volstaat het Nederlands niet meer als taal om u in te informeren?’ En dit op zo’n informeel toontje dat de aanspreektitel ‘ouwe gabber’ aan zijn opmerking had kunnen voorafgaan. Het bijzondere aan deze scène was echter dat mijn buurman nog nooit zijn stembanden voor me had vermoeid. In het gunstigste geval had hij zijn kin even naar omhoog geduwd bij wijze van goedendag, en hij had daarbij altijd heel sterk op een zeehond geleken, maar als hij oogcontact kon vermijden, dan hield hij ook die droge knik op zak. Dat zijn naam Antoine was wist ik enkel omdat die op de deurbel stond, omdat de postbode een keer zijn brieven abusievelijk in mijn bus had gestopt, en omdat een vrouw ooit om drie uur ’s nachts in de traphal luidkeels zijn naam had staan schreeuwen, gevolgd door het bevel: ‘Laat mij weer binnen en tenminste mijn kleren meenemen!’

			 ‘Aardappelschillen kunnen niet lezen!’, flapte ik eruit. Erg flauw als antwoord, ik weet het, maar redelijk ad rem voor mijn doen.

			 Vervolgens vroeg hij of ik in verlof was.

			 Ja, dat was ik.

			 ‘En de vrouw waarmee je samenwoont ook?’

			 Ja, Veronique ook.

			 ‘Lijkt het jullie wat om vanavond bij me te komen eten?’

			Jaren kon je in deze stad, als in vele steden, onder hetzelfde dak, om en rond dezelfde liftkoker wonen en toch elkaar niet kennen. Bij een gasexplosie zouden Antoine en ik samen zijn te beschreien in hetzelfde rouwregister, de tijdingen van ons overlijden zouden worden afgedrukt op hetzelfde gazettenvel en groot was de kans dat wij tot aan het eind van onze grafconcessie buren zouden blijven op het kerkhof van de stad. Maar dat lot was ons te mager om er ons verbonden door te voelen. Zijn stemgeluid kende ik tot dan toe alleen zoals ze door de muren drong en opeens richtte hij zich tot mij, volgde de ene zin de andere op en nodigde hij me op de koop toe nog uit om bij ’m te komen eten ook. Waarlijk, het waren zotte dagen.

			 Om eerlijk te zijn, het had mij nooit gehinderd op te lossen in de massa en ik had de anonimiteit van de stad vaak verkozen boven de kunst van de hypocrisie die dorpelingen moeten beheersen om hun wederzijdse begroetingen jarenlang vol te houden. Goed, ik ben een geboren en getogen stadsmens, de enige konijnen die ik ooit heb gezien waren onthaard en hadden een streepjescode op hun bil, dat zal ongetwijfeld meespelen. Maar het vooruitzicht dat een buur mijn wandel volgde vond ik allesbehalve comfortabel. Kwam ik tijdens het bereiden van mijn avondmaal tot de vaststelling dat ik zonder bakboter zat, dan ging ik niet even aankloppen bij mijn buur met de vraag of ik een nootje lenen mocht (‘Tien gram is genoeg, ik bezorg het je morgen zonder twijfel terug’) maar improviseerde ik liever een ander gerechtje bij elkaar met de kliekjes van de vorige dag. Desnoods maak