Main De helaasheid der dingen

De helaasheid der dingen

0 / 0
How much do you like this book?
What’s the quality of the file?
Download the book for quality assessment
What’s the quality of the downloaded files?
Met De helaasheid der dingen is Dimitri Verhulst definitief doorgebroken naar het grote publiek. Het boek kende maar liefst twaalf drukken in een half jaar tijd, wordt vertaald in Duitsland, Italië, Israël, Denemarken en Frankrijk en wordt in 2007 verfilmd.
Year:
2009
Publisher:
Contact B.V., Uitgeverij
Language:
dutch
File:
EPUB, 301 KB
Download (epub, 301 KB)
0 comments
 

To post a review, please sign in or sign up
You can write a book review and share your experiences. Other readers will always be interested in your opinion of the books you've read. Whether you've loved the book or not, if you give your honest and detailed thoughts then people will find new books that are right for them.
1

De intrede van christus in Brussel

Language:
dutch
File:
EPUB, 198 KB
0 / 0
2

Godverdomse dagen op een godverdomse bol

Language:
dutch
File:
EPUB, 204 KB
0 / 0
De helaasheid der dingen





Van Dimitri Verhulst verscheen eerder bij Contact:

De kamer hiernaast (proza, 1999)

Niets, niemand en redelijk stil (proza, 2000)

Liefde, tenzij anders vermeld (gedichten, 2001)

De verveling van de keeper (proza, 2002)

Problemski Hotel (proza, 2003)

Dinsdagland (proza, 2004)





Dimitri Verhulst





De helaasheid der dingen





2006

Uitgeverij Contact

Amsterdam/Antwerpen





Dit boek is mede tot stand gekomen met de steun van het Vlaams Fonds voor de Letteren.





© 2006 Dimitri Verhulst

Omslagontwerp Suzan Beijer

Foto omslag Goos Bronkhorst

Foto auteur Nathalie De Clerq

Typografie Arjen Oosterbaan

ISBN 9789025433437

D/2006/0108/905

NUR 301

www.boekenwereld.com





‘Het verbaasde me dat je daaraan je leven kon wijden, de wereld nabootsen en daar niet helemaal in slagen, en wanneer je er wel in slaagt voeg je slechts het vergankelijke aan het vergankelijke toe, dat wat je niet kunt krijgen aan dat wat je niet hebt.’

Pierre Michon, Meesters en knechten



‘Waarom droom ik nu niet meer over mijn moeder? Misschien omdat ik te veel over haar geschreven heb, ik heb zelfs haar mooie profiel verspreid op de omslag van een boek, en ik heb haar aanwezigheid bezworen zonder ook maar iets te willen bezweren. Mij viel mijn moeder niet lastig, ik heb haar zelf opgeroepen door zoveel over haar te schrijven, maar ik vermoed dat ik uiteindelijk een literair personage heb geschapen, complex, artistiek, ingewikkeld, en daarmee is me de echte moeder ontvallen, de dode moeder. Ik ben de wees van een dode moeder omdat ik teveel over haar geschreven heb.’

Francisco Umbral, Een wezen van verten





Voor Windop. En ter nagedachtenis van mijn grootmoeder, die zich de schaamte wou besparen en stierf terwijl ik de laatste bladzijden van het manuscript voltooide.

De eventuele gelijkenis van bepaalde personages in dit boek met bestaande personen berust op louter mensenkennis.





Inhoud


Een schoon kind

De vijver der gezonken babylijkjes

De Ronde van Frankrijk

Alleen de allene; n

Het nieuwe liefje van mijn pa

Iets over mijn moeder, mevrouw?

De pelgrim

De verzamelaar

De genezene

De opvolging is verzekerd

Voer voor etnologen

Een nonkel voor dat kind





Een schoon kind


De vermeende terugkeer van tante Rosie naar Reetveerdegem werd als een aangename schok ervaren in de levens van onze volstrekt nutteloze mannen, waarvan ik er op dat ogenblik een in wording was. De dag brak open met haar naam, Rosie!, Rosie!, die hoop bracht. Want iemand was weergekeerd! Iemand die hier geboren was en dit oord verlaten had was weergekeerd! Tante Rosie nog wel. Haar terugkeer werd als een oudtestamentisch teken geïnterpreteerd, een bewijs dat Reetveerdegem nog zo slecht niet was, en wij niet eens zo waardeloos als wiskundig was bewezen.

Het is waar dat mijn tante Rosie een zeldzaam mooie vrouw was en dat het veel prestige opleverde met haar naar bed te zijn geweest. Op het toppunt van haar schoonheid liet mijn grootvader zich gewillig trakteren door jonge, dappere kerels die zich in zijn gratie zopen (hij had geen greintje respect voor mannen die niet konden drinken) en die hem uitdaagden in drinkduels met als inzet het aanzien van de ideale schoonzoon. Toen had de kanker zich al volledig in zijn liniaal van een lichaam uitgezaaid, zijn fenomenale dranksessies moest hij steeds vaker onderbreken om bloed te gaan spuwen boven de wc, het uiteindelijke huwelijk van zijn bewonderde dochter heeft hij niet meer mogen meemaken. Vijf vadem, dat schijnt de diepte te zijn waarin ook de dronkaards worden neergelaten in de goedertieren aarde. Tot zij in een bejaardentehuis zou wegkwijnen beschouwde mijn grootmoeder het als haar weduwse plicht wekelijks zijn graf van pekzwarte marmer op te blinken. Tante Rosie heeft zich na de begrafenis van haar vader, Onze Opperdrinker, geschonken aan een man zonder geschiedenis, en is zich met hem in de verre hoofdstad gaan vestigen, tot diepe droefenis van onze jonge mannen die nu lelijker vrouwen ongelukkig te maken hadden. Het trof ons dorp voor de zoveelste maal dat alles van schoonheid er wegging of kapot moest.

Met Reetveerdegem wou tante Rosie steeds minder te maken hebben; dat zij zich er met de hulp van een man (van wie wij nauwelijks de naam, laat staan zijn drankcapaciteiten kenden) van had losgerukt, moet op haar een indruk hebben gemaakt als was ze aan de dood ontsnapt. Tijdens zeldzame telefoongesprekken had ze het over de vergaarde rijkdommen, de heraanleg van haar dakterras, de genoegdoeningen van een sauna, het bruisen van de stad. De prentbriefkaarten waarmee zij ’s zomers haar banden met het thuisfront onderhield brachten haar fantasieloze zonnige groeten over uit verre bestemmingen die we vertikten op te zoeken in de atlas. En tijdens haar nog zeldzamere bezoeken smeekten we haar man of hij zijn peperdure wagen alstublieft niet voor onze deur zou parkeren. Wij waren arm, altijd geweest, maar droegen onze armoe met trots. Dat er iemand zijn luxueuze auto voor onze deur plaatste ervoeren wij als een vernedering, en we schaamden ons bij de gedachte dat iemand van het dorp zou hebben gezien dat een Verhulst het financieel behoorlijk stelde.

Kijk. Mijn eerste levensjaren bracht ik met mijn ouders door in de Kantonstraat, in een minuscuul steegbeluikje met een gemeenschappelijke waterpomp en een communistisch toilet, een gat in een plank, linea recta boven de beerput. De muren van de woonkamer waren aan de binnenkant drijfnat en in het vermolmde hout van het raamkozijn frommelden we proppen krantenpapier tegen de tocht. Mijn vader sprak steeds met fierheid over de ongemakken van onze woonst, het getuigde van weinig mannelijkheid makkelijk te willen leven, en toen wij uiteindelijk verhuisden naar de Merestraat was dat uitsluitend omdat wij ons daar konden verslechteren. Ook daar was het toilet een gat in een plank en lekte bovendien, een plus, het dak. Onze keukenvloer werd ingenomen door emmers die de druppels van het plafond opvingen. Aangenaam waren de avonden waarop wij samen in de zetel luisterden naar de ronde klank van het geplons in de emmers en wij de xylofoonmuziekjes raadden die ons door het kapotte dak werden voorgespeeld. De schaaltjes met rattenvergif werden dagelijks bijgevuld; meer dan wij de indruk hadden deze nesten ongedierte uit te moorden kregen wij het gevoel uitstekend voor deze beestjes te zorgen. En de levensgevaarlijke rotte en met paddenstoelen overgroeide trap boven het keldergat werd gekoesterd als architectuur van het proletariaat. Mijn vader was een socialist en stelde alles in het werk om als dusdanig te worden erkend. Bezit schakelde hij gelijk aan extra afstofwerk. Bezit bezat jou, nooit omgekeerd. Dreigden wij door onvoorziene spaarzaamheid het einde van de maand te halen met een financieel overschot, dan haalde hij de bankrekening leeg en zoop hij zijn volledige loon erdoor om ons te beschermen tegen de verleidingen van het kapitalisme. Mijn moeder ontpopte zich helaas zichtbaarder als een bourgeoistrut, was te ijdel om versleten schoenen te dragen, en vroeg na tien jaar huwelijk de echtscheiding aan. Dat ze alle meubelen meenam betekende voor mijn vader het ultieme geluk. Eindelijk bezat hij niets meer, wijf noch ander meubilair, en hij trok weer bij zijn oude moeder in. Maar men begrijpt dat wij neerkeken op familieleden die hun schone wagen voor de deur parkeerden en ons op feestdagen bezochten in walgelijk dure kleren.

Onnavolgbaar was het ritme van de roddel dat tante Rosie, mirakel!, mirakel!, naar Reetveerdegem was weergekeerd, en in die dagen werd ik dan ook voortdurend aangeklampt door herboren mannen die wilden weten of de dronken monden van het dorp de waarheid spraken. Het was zeker waar: tante Rosie was ook tot onze eigen verbazing weergekeerd, vroeg met hangende pootjes en blauw geslagen ogen of ze voor een tijdje samen met haar dochter bij ons haar intrek mocht nemen.

Bij ons, dat was bij mijn grootmoeder. Vier van haar vijf zonen, onder wie dus mijn vader, hadden een zootje gemaakt van hun liefdesleven en waren weer bij hun moeder ingetrokken. Omdat mijn moeder behalve mijn vader ook mij niet langer hebben moest, ontfermde mijn grootmoeder zich over mij en bracht ik samen met mijn vader en drie nonkels de lusteloze dagen door. Nu zouden daar dus nog mijn tante Rosie en mijn nichtje Sylvie bij komen, op de vlucht voor een vent die hun leven teisterde met overspel en agressie.

Veel had ik mijn Brusselse nichtje nog niet gezien, tenzij dan sporadisch op nieuwjaarsdagen en begrafenissen, waarbij wij elkaar wijselijk negeerden omdat we aanvoelden elk uit een andere wereld te komen. Ik geloof dat ze pianospeelde en aan ballet deed in roze tutu’s. Zij was een kind dat zorgvuldig bijhield hoeveel calorieën ze per dag zoal naar binnen speelde en kerstmannen met grotere bankrekeningen op bezoek kreeg. De universiteit lag als een zekerheid op haar te wachten, en omdat ze de schoonheid van haar moeder had gekregen zou zij het zich weldra kunnen veroorloven mannen hun tijd te laten verspillen met de aan haar gerichte hofmakerij, en daarvan genieten. Iets jonger dan ik was ze, maar door haar zelfverzekerde indruk durfde ik dat leeftijdsverschil op geen enkel vlak uit te spelen. Tevreden was ik niet met haar komst. Ik had het prima in ons mannenbastion en beschouwde haar als een stoorzender. Sylvies keurige opvoeding speelde ons parten, we voelden ons door haar blik betrapt op onze miezerigheid.

Mijn vader zat altijd met de deur wagenwijd open te schijten. Zijn humus stonk buitenaards naar jarige kaas en vaak stond hij in zijn blote klokken in de gang, op twee meter van de pot, zodat ik niet kon doen alsof ik hem niet hoorde, en riep hij me hem een nieuwe rol toiletpapier of het andere stuk van de krant te bezorgen. Jaren was het zo gegaan, en het systeem werkte uitstekend: mijn vader kreeg zijn rol toiletpapier en zijn stuk krant altijd meteen. Maar nu Sylvie erop keek, leken wij ons opeens te willen verontschuldigen voor onszelf. We schaamden ons omdat we ’s ochtends krabbend en schartend in onze onderbroek de trap afdaalden. We schaamden ons omdat we voor de televisie lagen te paffen met onze zweetvoeten op tafel. We schaamden ons om de kilo’s rauw gehakt die we aten voor de goedkoop en het gemak, en omdat we met onze blote hand in dat gehakt grepen en het goedje zo in onze mond staken en doorspoelden met koude koffie die ergens nog in een mok van gisteren was blijven staan. We schaamden ons om de wormen die we van het gehakt kregen en waartegen wij niets ondernamen. We schaamden ons om onze scheten die we lieten als kapelmeesters, de boeren die we vrije doorgang lieten. We schaamden ons om onze vloeken om niets, om het schaamhaar dat we ruifden boven de plee, om onze teennagels die we manueel korter scheurden en die vervolgens maanden bleven liggen op de mat. We schaamden ons om de sigaretten waarmee we in slaap vielen in de zetel, onze nicotinebruine tanden, onze bierlucht. We schaamden ons om de sletjes die mijn grootmoeder onaangekondigd aantrof bij het ontbijt en aan wie ze steeds opnieuw de naam moest vragen. We schaamden ons om onze dronken gezangen, onze smerige taal, ons braaksel en de steeds frequentere bezoeken van politie en deurwaarder. We schaamden ons, maar we deden er niets aan.

Drie weken heeft het geduurd tot de man van tante Rosie, oncle Robert, aan onze deur stond en vroeg ‘Is Rosie hier?’, en wij zeiden ‘Rosie? Neen, zou zij hier dan moeten zijn?’, en hij zomaar breedgeschouderd ons huis binnenwandelde, tante Rosie bij haar haren naar buiten trok en haar in zijn wagen schopte. En dat mijn nichtje schreiend plaatsnam op de achterbank en tot een volgende begrafenis uit mijn leven verdween. Oncle Robert zouden we kapotmaken, dat was evident, het liefst heel traag en met een mes, en er werd gezworen dat diegene die het eerst van ons vernam dat hij kanker had deze eervolle taak op zich zou nemen. Want kanker kregen we allemaal, Onze Opperdrinker had het ons stijlvol voorgedaan, en de leeftijd van zestig halen werd beschouwd als het toppunt van kleinburgerlijkheid. Maar als we eerlijk waren moesten we toegeven opgelucht te zijn dat tante Rosie en nichtje Sylvie eindelijk het huis uit waren, hun aanwezigheid was ons iets té confronterend.

Een rotbestaan is heel overzichtelijk. Sylvie zag mijn vader en mijn nonkels ’s middags aan de ontbijttafel verschijnen en zich, na het rituele roken van hun eerste sigaretten, op het gehakt en de blikken ansjovis storten om de kater van de vorige nacht te verdrijven. De vette olie waarin de ansjovis had gedreven droop van hun kinnen en werd afgeveegd met de mouw van een uitgerafelde pullover, als ze daar niet te lui voor waren. Daarna verdwenen zij het huis uit om vele uren later dronken weer te keren. Sommige mensen zouden dat een spiraal noemen, wij beschouwden het als een cyclus. Om zich voor haar vader te verschuilen was Sylvie drie weken lang niet naar school geweest en keek ze toe hoe ik aan de smerige keukentafel willoos studeerde en strafwerk schreef. Ondertussen las zij boeken die haar slimmer maakten, bespraakter, en die op termijn een nog grotere kloof zouden slaan tussen haar en de rest van de familie. In bed voelde ik haar bedenkingen, toen ze naast me klaarwakker en met de ogen naar het plafond gericht luisterde naar het gesnurk van mijn vader, die daar met zijn mond hemelsbreed open en met vaak nog zijn stinkende sokken aan een roes had uit te slapen. Of nonkel Potrel, die met zijn tanden knarste. Het kon niet anders of ze voelde walging voor onze kleren, die naast het bed op een hoop lagen tot grootmoeder ze in de was stopte. Ik weet niet wat ze erger vond, de bruine peuken in de asbak naast het bed, de zweetvlekken in de lakens, of de sokken van mijn vader. Ze zweeg. Liever had ik gehad dat ze me aansprak op onze levensstijl, van nicht tot neef. Maar ze zweeg en keek op ons neer.

‘Kleine, zou jij met ons Sylvie eens niet gaan wandelen? Dat kind ziet bleek van hier al die tijd binnen te zitten.’

Wat moest ik doen met haar? Ze sprak niet tegen me en had me minachtend aangekeken toen ik met het topje van mijn balpen een klad oorsmeer uit mijn schedel schraapte. Misschien dat ze in Brussel oorwatjes gebruikten, maar wat dan nog. Ik vond dat ze zich wat dankbaarder mocht opstellen voor de gastvrijheid die ze genoot. Trouwens, in dit dorp viel er voor dat verwende nest niets te beleven. Ze zou wel de aandacht genieten van mijn voortdurend aan gestolen brommers sleutelende vrienden, maar daar zou tante Rosie niet om kunnen lachen. Mijn vrienden waren smeerlappen, en hoewel ik hen had kunnen afpersen door hun mijn nicht in bruikleen te geven, had ik net iets te veel eergevoel. Eens ik met dit zwijgzame en hautaine kind het huis verliet zou ik trots op haar zijn, mij over haar ontfermen. Niemand had het moeten riskeren commentaar te leveren op haar pedante maniertjes. Maar wat moest ik met haar aanvangen? Wandelen? Om dan onderweg aan elkaar te vragen wat we later wensten te bereiken in het leven? Welke hobby’s we er zoal op nahielden? Hoe het was op school?

Het was mijn vaders voorstel geweest om Sylvie mee te nemen naar het café, zeer tegen de zin van tante Rosie. Maar tante Rosie zag ook dat de teint in het gezicht van haar kind naar de kleur van lijken neigde.

‘Naar welk café ga je?’ wou ze weten.

‘Het Hoekske. Of De Volkskring. We zien wel.’

‘Zit André daar?’

‘Hoe kan ik nu weten of André daar zit? Beschik ik over een glazen bol misschien?’

‘Ga je voorzichtig zijn? En niet te laat thuiskomen?’

‘Sylvie, meisje, wat denk je? Heb je zin om met nonkel Pierre eens buiten te gaan?’

Het stoorde mij dat we plots allemaal deftig Nederlands probeerden te spreken tegen dat kind. Ook ik had er mij al aan bezondigd. Haar kop lokte dat op de ene of andere manier uit.

Sylvie knikte, en deed haar jas aan. Onze Kleine, ik dus, ging ook mee.

‘Rosie, ga jij niet mee, jong? Ik ken er die gelukkig zullen zijn als ze jou nog eens zien. Het zal je goed doen, een beetje frisse lucht.’

Maar tante Rosie had geen zin. ‘En gij, Potrel? Gaat gij mee?’

‘Isaac Newton!’ zei onze Potrel.

‘Wablieft?’

‘Isaac Newton, zeg ik u godverdomme.’

Potrel lag met zijn benen omhoog naar een quiz op de televisie te kijken.

‘Ik moet u ontgoochelen, mevrouw Peeters, het juiste antwoord op deze vraag was Isaac Newton.’

‘Amai, gij zijt precies nog zo stom niet als dat gij eruitziet.’

‘Het is een heruitzending, sukkelaar. Wacht, ik ga mee een pint drinken.’

Er bestond geen specifieke reden waarom wij die avond voor café Het Hoekske kozen, want alle kroegen in ons dorp waren onderling inwisselbaar. De stoelen en de tafels waren er sober en goedkoop omdat ze toch maar werden stukgesmeten tijdens ruzies waarvan de oorzaak onmiddellijk werd vergeten en die nooit langer aansleepten dan één dronkenschap. Allemaal hadden ze een jukebox met plaatjes die geen mens nog draaide maar die wij beluisterden met tranen in onze ogen. Roy Orbison was de grootste muzikant aller tijden, ook van de tijden die nog komen moesten en die ons ongetwijfeld ongunstig zouden zijn. Niets was schoner dan jankend de laatste pint te drinken terwijl de cafébazin de glasscherven op haar vuilblik veegde en de jukebox Roy Orbison speelde. Om vervolgens de cafébazin om nog een pint te smeken, de laatste, echt de allerlaatste, dan gingen wij naar huis en mocht ze in alle rust haar deuren sluiten, die wij ’s anderendaags weer als eerste zouden openen. De verschillen tussen die kroegen zaten hem in heel kleine details. De keuze van onze kroegen werd eigenlijk nog het vaakst bepaald door het aantal rekeningen dat we nog bij sommige cafébazen hadden openstaan, en waar we ons gezicht niet durfden te vertonen tot we links en rechts voldoende bij elkaar gesprokkeld hadden om onze drinkschulden te vereffenen. Van gans onze bende was mijn vader de enige met vast werk, bij de post, maar ook hij stond soms voor maanden arbeid in het krijt bij de bierbrouwers.

Café Het Hoekske werd uitgebaat door een vrouw die een tweeling dwergen had gebaard van een vader die kort na de geboorte spoorloos was verdwenen en sedertdien geen enkel teken van leven meer had gegeven. Een vrouw alleen met twee identieke, mismaakte dochters, en een nog lopende lening voor haar café waarin ze veel had geïnvesteerd. Drinken deed men in haar kroeg genoeg, die inkomsten waren alvast gegarandeerd. En toen de dwergen naar school moesten en dat geld opslokte, voorzag ze zich van een financieel extraatje met de middelen waarover vrouwen zomaar uit zichzelf beschikken. Maar de reputatie van de kroeg werd hierdoor stevig aangetast, en echtgenotes maakten vervelende scènes telkens wanneer hun man op wankele benen van Het Hoekske wederkeerde. De tweeling groeide op in de kroeg. Ze speelden met hun poppen onder de biljarttafel, hielden een winkeltje in bierviltjes en plastic groenten met de flipperkast als toonbank, en sleten hun speelgoedwaar aan de goedwillige klanten van hun moeder. Ze namen de harde taal over van de mannen die er elke avond zaten, zodat ze op de leeftijd van tien reeds vuilgebekte meiden waren met een voorraad zeer schunnige moppen waaruit zij grenzeloos konden putten om iedereen te vermaken. Op de leeftijd van twaalf, ze waren toen al gestopt met groeien, zaten die twee met een alcoholprobleem omdat zij er een gewoonte van hadden gemaakt om alle restjes in de glazen bier leeg te drinken, aanvankelijk om hun moeder te ontlasten van de vaat.

In die dagen had je in een belendend dorp een populaire kroeg, genaamd café De Bok. De uitbater ervan had een oude bok in zijn bezit die hij tegen stevige betaling uit de stal haalde en zware bieren liet drinken, tot groot jolijt van de klanten, die het van de pret bestierven wanneer de bezopen bok van zattigheid de stoelen omverliep en struikelend terugkeerde naar het zachte stro waarop hij zijn kater zou uitslapen. Het is aannemelijk dat de bazin van Het Hoekske hierin haar inspiratie vond. Feit is dat de twee dwergen op een bepaald ogenblik elkaar onder tafel probeerden te zuipen en dat er fenomenale bedragen werden ingezet op diegene die het langst overeind zou blijven.

Lang voordat wij met Sylvie naar het Het Hoekske gingen had de dwergentweeling al vernomen dat ze van bij hun geboorte aan een ziekte leden waarvan zij de moeilijke naam maar niet konden onthouden, en dat het zeer onwaarschijnlijk was dat ze de leeftijd van twintig zouden overschrijden. Totaal ontwricht door deze scherpe deadline en vastbesloten de verloren tijd te compenseren zopen ze nog meer dan ze al deden, waarbij het meer dan eens gebeurde dat ze compleet lazarus op een van de vele plakkerige tafels sprongen en hun rokken optilden voor hun dankbare publiek, dat zich met een combinatie van walging en fascinatie vergaapte aan een dwergenkut. Ik vroeg mij af of ik Sylvie moreel moest voorbereiden op mogelijke taferelen. Want iets zou ons ter vermaak worden voorgeschoteld. Onze levens hadden zekerheden, die luxe hadden wij.

De sfeer in het café was op het ogenblik dat wij binnenkwamen lamlendig en vertrouwd. Je kon er vergif op innemen dat er al de hele tijd aan de toog was geluld over misnoegde vrouwen, echtscheidingen, onderhoudsgeld. Onderwerpen die hier werden aangesneden zoals men het elders over het weer had. Twee mannen speelden een partijtje biljart maar liepen niet over van ambitie het spel te willen winnen, aan de kaarttafel bestudeerden vier oudjes aandachtig het lot dat ze in hun bevende handen hielden, en de overige aanwezigen bedronken zich geduldig naar dat niveau waarop geluk en ongeluk zich in elkaar vergissen.

‘Geef iedereen iets van mij!’

Dat waren de woorden waarmee mijn vader altijd een kroeg betrad. De dwergen noteerden de bestelling en gaven ze door aan hun moeder, die zich op dat ogenblik door onze Potrel uitgebreid in haar achterwerk liet knijpen, ter begroeting. Ik zag Sylvie bedenkelijk kijken naar de handtastelijkheden van haar bloedeigen nonkel, en merkte hoe er zich eindelijk een beetje blos meester maakte van haar gezicht. Zij dronk een limonade light. ‘Sugarfree,’ zei ze. Ik werd in die dagen al gestaag voorbereid ooit de man te zijn zoals ze daar aan de toog hingen, en kreeg van mijn vader een mazout, de benaming die wij gaven aan een mengeling van bier en cola. Voor het pure bier vond hij me nog een tikkeltje te jong, maar in een jongen van mijn leeftijd die louter frisdrank dronk moest men toch ook ontgoocheld zijn.

‘Ik zie dat ge een schoon mokkel hebt meegebracht, gasten, maar als de politie haar leeftijd achterhaalt zal er wat zwaaien.’

Dat was André, en hij keek met een meer dan normale blik naar Sylvie.

‘Het is familie, André. Dat mokkel is ons Sylvie.’

‘Sylvie? Is dat de dochter van jullie Rosie misschien?’

‘Ja.’

‘Verdomme, dat is een schoon kind!’ en André liet zich van zijn barkruk glijden om mijn nicht een handdruk te geven, hetgeen hij bijzonder hoffelijk deed. Hij kuste de rug van haar hand, lachte innemend zijn zwarte, afgebrokkelde tanden bloot en richtte zich toen tot mij: ‘Dimmetrieken, jongen, ik heb met u te doen; het moet verdomme bijzonder lastig zijn voor u om met uw poten van uw nicht te blijven.’ Zijn adem stonk, maar dat verraste me geenszins, en ik was op de rotte walm uit zijn bek voorbereid. Er werd gelachen, en ik voelde hoe er ondanks de flauwiteit van die opmerking van mij werd verwacht André van een antwoord te voorzien. Maar ik zweeg en dronk mijn mazout leeg.

‘We hebben wij in onze jonge tijd allemaal wel eens aan ons nicht geprutst, jong.’ En omdat ik ook dan nog niets zei voegde hij eraan toe: ‘Ge hebt gelijk dat ge zwijgt.’ En daarmee was het tijd voor het volgende rondje. Onvermijdelijk werd tante Rosie nu het onderwerp van gesprek, iedereen had links en rechts al opgevangen dat zij opnieuw in Reetveerdegem was gesignaleerd, en nu wij hier met haar dochter zaten kon het niet anders of het moest wel waar zijn. Ons werden de kleren van het lijf gevraagd over het hoe en het waarom, maar we hielden de lippen stijf. Niet zonder plezier luisterden we naar de verschillende theorieën, de ene nog gekker dan de andere, maar steeds duidelijker werd dat alleen al het feit dat tante Rosie teruggekeerd kon zijn, in het dorp doodgewaande gevoelens weer had aangewakkerd. Omdat er uit onze mond toch geen zinnig woord over de hele kwestie te rapen viel keerde hun aandacht terug naar Sylvie, van wie André om de haverklap zei dat het een schoon kind was, het prille begin van een godin, en speurde men in haar perfecte gezicht naar trekken die ze van haar moeder had geërfd. Wat mij verbaasde was dat mijn nicht zich niet ongemakkelijk voelde bij de aandacht van deze ruwe mannen. Integendeel, ze leek zelfs een natuurlijke sympathie te voelen voor hen en moest lachen om alle opmerkingen van een steeds zattere André, die was beginnen drinken en trakteren aan een tempo dat op den duur alleen mijn vader en mijn nonkels nog volhielden.

‘Ik zal u eens tonen hoe ik tegenwoordig moet schijten!’ zei André tegen Sylvie in het bijzonder, en hij hief zijn slonzige hemd omhoog en toonde haar zijn harige buik vol littekens en knobbels. Zijn darmen zaten helemaal onder de kanker, en om zich te ontlasten beschikte hij over een schijtzak, waarmee hij enige tijd terug tot zijn grote verbazing op de operatietafel was ontwaakt. Hij moest nooit meer naar toilet, alles pruttelde gewoon in die zak die daar aan zijn bierbuik bengelde. ‘Kijk!’ En we keken. We keken hoe de stront in het zakje sijpelde. Gezapig, alsof die derrie ergens diep vanbinnen in een knijptube zat waar iemand nu zijn voet op zette. Natte, ongebonden stront met schuim erop. Alsof ze op de eerste rij zat bij de demonstratie van een wetenschappelijke proef keek mijn nicht geboeid naar de bruine drab in de schijtzak van André. Het nummertje werd dan ook speciaal voor haar opgevoerd. Iedereen wist dat André het niet meer zou uitzingen tot het kermis was, en wij bewonderden het gemak waarmee hij zijn fluimen in het gezicht van de dood spuwde. Hij zou sterven in grandeur, nog tijdens zijn laatste reutel zou hij feesten.

‘Voilà,’ zei hij, ‘ik heb gedaan met schijten. Nu nog doorspoelen.’ Hierop goot hij een pint bier ad fundum in zijn strot. ‘Je hebt er geen idee van hoeveel ik mij per maand uitspaar aan wc-papier.’ Het was galgenhumor die Sylvie wist te smaken en waarvoor zij cash betaalde met een rij hier nog nooit geziene witte tanden.

‘Geef ons allemaal nog iets te drinken!’

Over het karakter van dwergen is al veel geschreven en gepalaverd en ik voel niet de behoefte om mij in dat debat te mengen, maar die avond gedroeg de tweeling lilliputters van Het Hoekske zich meer dan onhebbelijk. Ze konden er niet mee overweg dat een wildvreemde hier alle aandacht kreeg, geroemd werd om haar voorwereldlijke schoonheid. Natuurlijk, de dingen zijn oneerlijk verdeeld, zij waren gedrochtelijk en voorbestemd om jong te sterven. Niemand heeft zijn lichaam voor het kiezen. En daar kon mijn nicht uiteraard niets aan doen. Maar de dwergen stonden nijdig van jaloezie en speelden het spel smerig door iedereen erop te wijzen dat het wicht met het schattige snoetje misschien wel zat te lachen om onze grappen en deed alsof ze ons mocht, maar dat zij ons in haar hart verachtte. Je zag aan haar ogen dat ze neerkeek op ons, we moesten maar naar haar blouse kijken en ons afvragen hoeveel die had gekost. Of hadden we dan nog niet gemerkt dat ze truttig limonade zoop, limonade light bijgod, sugarfree bijgod, wat als bijzonder asociaal en afstandelijk mocht worden beschouwd. Dat schone kind, dat rook je zelfs, deed bovendien haar best zich boven haar eigen familie te plaatsen en deed er alles aan om geen Verhulst te zijn.

Dwergen sloeg je niet, dat wisten ze maar al te goed, niemand in ons dorp zou ooit een vinger naar die meisjes hebben uitgestoken, zelfs onze Potrel dacht er niet aan. Maar dit keer maakten ze misbruik van onze ethische codes en begonnen onze handen te jeuken. Wij konden zelfs elkaar soms verrot slaan, maar als het erop aankwam beschermden Verhulsten elkaar. Altijd. Overal.

Er viel een vervelende stilte in het café en iedereen wist dat het nu aan mijn nicht zou zijn om iets te ondernemen. Bewijzen dat ze een Verhulst was, dat ze behoorde tot onze clan, dat ze onze gebruiken ook tot de hare nam, dat ze een deel was van de stam. En dat ze hier niet als een soort rampentoerist zichzelf zat te vermaken, want pottenkijkers moesten ze hier niet.

En daarmee werd heel onze tafel geviseerd, die Hottentotten bespeelden Sylvie haar familie-eer, terwijl ze heel goed wisten dat zij inderdaad nauwelijks contact hield met ons. Bovendien droeg mijn nicht de naam van haar vader, en was zij op de keper beschouwd niet eens een Verhulst.

‘Nonkel Pierre, krijg ik een pintje?’

Mijn vader had het wellicht eenvoudiger gevonden indien Sylvie het aan onze Potrel had gevraagd. Nu zat hij met het gewicht op zijn schouders en had vooral hij aan tante Rosie beloofd dat kind in ordentelijke staat weer thuis af te leveren.

‘Je moet je niets aantrekken van die twee, Sylvie, laat je niet intimideren.’

Maar dat was geen antwoord op haar vraag, ze vroeg of ze een pintje kreeg.

Ze kreeg haar pintje. Het eerste in haar leven. Ze kon zelfs niet bevroeden wat de smaak van dat piskleurige spul kon zijn, maar zou er gezien de stank in onze slaapkamer waarschijnlijk geen al te hoge verwachtingen van hebben. Ze zette zich recht, theatraal en uitdagend, plaatste een hand in haar zij (wat ze had afgekeken van mijn vader, hij dronk altijd rechtstaand met een hand in zijn zij, omdat hij zo beter zijn hoofd naar achter kon gooien en zijn keel openzetten) en dronk de pils in één teug leeg. Toen ze het glas met een manhaftige smak tegen de tafel drukte, wat dan weer afgekeken was van onze Potrel, stonden er dikke tranen in haar ogen en gaf de stand van haar mond te denken dat ze net een hele zak zure snoep had opgeslokt. Vrijwel niemand kan bij zijn eerste slok bier geloven dat hij daar ooit nog vele liters van zal nuttigen, en ik ben er bijna zeker van dat Sylvie ons daar gek verklaarde die vuiligheid in grote hoeveelheden per dag naar binnen te kappen.

André was door het dolle heen, vond de avond al meer dan geslaagd. Maar Sylvie voelde zich uitgedaagd en had die uitdaging blijkbaar helemaal aanvaard, want ze zei meteen: ‘Geef er mij nog een!’ Er is die avond geen cola of limonade meer aangeraakt, door niemand. De dwergen zijn verongelijkt en als slechte verliezers naar hun kamer gegaan, maar hebben daar ongetwijfeld geen oog dichtgedaan. André ging van mijn nicht ‘een echte’ maken, en leerde haar een van onze liedjes waarvan ik mij vandaag afvraag of iemand er zich nog een volledige strofe van herinnert. Het waren liedjes, sommige vijftien coupletten lang, vol vadsige praat. Ze stonden bol van de schunnige woorden waarmee ons abecedarium tot aan de z was gevuld, en het beeld van mijn nog veel te jonge nicht die daar dronken op de biljarttafel liederen vol seksuele toespelingen zong, en dat in een dialect dat haar volledig misstond, vervulde ons met zoveel eenvoudige vreugde dat we er nog maar een op dronken. En allemaal zongen we de zoveel coupletten vol van ieder pervers lied dat André inzette.

Ook aan die avond is een eind gekomen. Op de lange weg naar huis ondersteunde ik mijn nicht, en mijn vader en nonkel Potrel elkaar. We zongen verder omdat we er ons niet bij konden neerleggen dat weer een feest verleden was, en vloekten naar de huismoeders die vanuit hun open slaapkamerramen riepen of we wel wisten hoe laat het was. We lieten een spoor van blaffende honden en omvergelopen vuilnisbakken na. En van urine, door onze Potrel vakkundig in een bloembak gemikt. Er was geen spar die het op alle toegangswegen naar een goed café langer dan twee jaar overleefde, omdat al onze mannen ertegen plasten. Sparren kunnen daar niet tegen.

‘Ik moet ook pipi doen.’

Wij deden nooit pipi. Wij zeikten.

‘Sylvie, meisje, kunt ge niet wachten tot thuis?’

Ze moest dringend. Niet dat het onze bekommernis was dat zij hier op straat haar broek moest laten zakken, op dit uur lagen de mensen die daarop iets zouden bemerken allang in hun nest. Het probleem was dat Sylvie geen enkele controle meer over haar lichaam had en zich al anderhalve kilometer door mij had laten voortslepen. Ze viel neer zodra ze op haar eigen benen stond, dus zouden we haar moeten helpen als we wensten dat ze haar schoenen en haar benen droog hield. Mijn vader vloekte, onze Potrel liet zich tegen een gevel vallen, omdat hij niet meer bijkwam van het lachen.

‘Ge moet ons hier godverdomme eens bezig zien. De familie Verhulst komt naar buiten.’

‘Kleine, helpt gij uw nicht eens, jong!’

Haar broek trok ze zelf af, alleen de broeksknoop kreeg ze zonder mijn hulp niet los. Ik nam haar stevig beet onder haar oksels terwijl ze hurkte en met haar volle gewicht aan mijn armen hing. Terwijl we opgelucht hoorden hoe de straal tegen de straattegels klaterde en spetterde dacht ik terug aan het afscheid dat André van mijn nicht genomen had. Hij had gevraagd of hij haar mocht kussen, op de wang, en dat mocht hij. Het was een godsgeschenk geweest haar te mogen ontmoeten, hij had een geweldige avond met haar beleefd en zei dat hij nu in vrede zou sterven. Dronkemanspraat. Maar schoon.

Sylvie viel in slaap terwijl ze zat te pissen, er leek geen einde te komen aan haar water, en mijn vader begon zenuwachtig te worden bij de gedachte dat we straks tante Rosie tekst en uitleg moesten verschaffen bij de belabberde toestand van haar kind. Hoe dichter we thuis naderden, hoe stiller we werden. We roken onze stal, maar werden daar niet opgewonden van.

Tante Rosie zat met gezwollen, rode ogen en in peignoir op ons te wachten.

‘Waar hebben jullie godverdomme zo lang gezeten? Er misschien ondertussen even aan gedacht dat ik hier thuis zat dood te gaan van ongerustheid?’

Het speet ons. Alles in het leven speet ons. Zo waren we.

‘En gij, Sylvie, gij ziet er anders ook proper uit.’

‘Het wonder is geschied,’ zei Sylvie.

‘Wablieft?’

‘Het wonder is geschied, mijn pruim is nat en ’t regent niet.’

Dat kwam uit een van de smerige liedjes die ze die avond had geleerd, het in die dagen zeer geliefde Pruimenlied, twaalf coupletten lang. En tante Rosie was zodanig geschrokken van haar welopgevoede kind dat haar hand uitschoot en een afdruk naliet op de wang van mijn nicht, die te bezopen was om in huilen uit te barsten. Onze Potrel heeft haar de trap op gedragen en met kleren en al in haar bed gelegd.

‘Komaan, Rosie, waarom slaat gij dat kind? Er is toch niks verkeerd aan het Pruimenlied? Ze heeft de eerste vijf coupletten van André geleerd.’

‘André? Hebben jullie André gezien?’

We zwegen.

‘Heeft Sylvie André gezien, gesproken met hem?’

We zwegen.

‘Ik vraag jullie iets!’

En of dat we zwegen.

‘Weet ze dat André haar vader is?’

‘Neen!’

‘Zijt ge zeker?’

‘Ja Rosie, Sylvie weet in de verste verte niet dat André haar vader is, en als we het haar zouden vertellen zou ze het waarschijnlijk geeneens geloven.’

‘Dimmetrie, als gij ooit aan ons Sylvie verklapt wat gij hier nu gehoord hebt, dan krab ik uw gezicht open. Hebt gij dat goed verstaan?’

‘Ja tante.’

We waren allemaal vervuld van medelijden toen oncle Robert kort nadien zijn vrouw in de wagen trapte en zijn zogezegde dochter op de achterbank liet plaatsnemen. Maar wij hadden ons niet te moeien met het huishouden van een ander en lieten het betijen, met jeuk in de handen. De eerste begrafenis waarop ik mijn verre nicht terug zou zien, zou die van mijn vader zijn. Vijf vadem en een vrijdag.





De vijver der gezonken babylijkjes


Palmier had alles van een zeemeermin: ze was slank en stonk naar vis. Naar haar leeftijd hadden we het gissen, maar als een ambtenaar van het gemeentehuis ons was komen vertellen dat zij de kaap van honderd jaar had overschreden, dan zouden wij dat ogenblikkelijk aanvaard hebben. Enkelingen herinnerden zich haar man, die een boer moet zijn geweest die de gedragingen van zijn beesten had overgenomen. De kinderen die het product waren van deze beestachtigheden lieten zich niet meer zien. Gezien de leeftijd die deze kinderen zelf reeds moeten hebben gehad was het trouwens niet uitgesloten dat zij reeds overleden waren, of opgesloten in een tehuis waar zij hun luiers vervuilden om de aandacht van een verpleegster te trekken, of om te protesteren tegen het opgelegde televisieprogramma.

Het gruwelijke verhaal dat over Palmier in ons dorp echter de ronde deed, was dat zij vaker was bevallen dan men kon nagaan in het geboorteregister van de Dienst Bevolking, en dat zij meermaals haar pas geworpen baby’s had verdronken in haar vijver, waarin sommigen, onder wie ik in het gezelschap van mijn niet zoveel oudere nonkel Potrel, nog hebben gezwommen, en waarin wij destijds naakt op het ponton lagen te luieren en onverdroten keken naar elkaar.

Luiaards waren wij boven alles, zoals alle jonge mensen die hun energie hard nodig hebben om te groeien, om adamsappels en spieren en borsten en verdwaald haar te krijgen. Wendy met de kurkentrekkerskrullen had ze als eerste, borsten, waarmee ze tijdens een heerlijke rugslag twee prachtige kielsporen in het water trok. Zij was toen nog het trotse lief van mijn nonkel Potrel, een lief dat hij met gemak had afgepakt van de simpele en hyperkatholieke Werner, en als zij op haar rug lag te zonnen dan namen wij alle tijd om naar die borsten te kijken, hele kleintjes maar toch, en naar de groei ervan. Wie goed keek zag tenslotte ook de kleine wijzer van de klok vooruitgang boeken.

Het mooist was echter Helene als ze pas uit het water klom en zich neervlijde op het hete hout van het ponton. Maar dat gold wellicht voor alle natte lijven, blikkerend in de zon. Ik denk dat wij nog het meest aan plaatjes van idyllische, paradijselijke eilanden deden denken daar in de vijver van Palmier, of aan de reclames voor doucheschuim die ons ongetwijfeld inspireerden. Wij vonden het prettig met iets bezig te zijn waarvan wij het gevoel hadden dat het doodgewoon niet bij ons paste. Jonkheden die naakt met elkander speelden: die leefden in Afrika, of in het Amazonegebied, maar zeker niet hier in deze genegeerde negorij. Door de aardrijkskunde aan onze laars te lappen legden wij de fond voor een jeugd die als ongerept zou worden omschreven door romantici, trokken wij de bouillon voor een latere mijmering in het bejaardentehuis misschien. En deden wij onszelf niet denken aan verre, onmogelijke werelden, dan nog het meest aan prentjes (sommige om in te kleuren) van Griekse jongelingen, Spartanen, Efeben… En ook de meisjes zullen aan die prentjes hebben gedacht als zij ons, jongens, met elkaar in het water of op het ponton in elkaar verstrengeld zagen tijdens een, naar het leek, eeuwige worsteling. En wie heeft niet ooit eens over zichzelf in olympische termen willen denken? Olympiër te mogen zijn, al was het maar voor even. Maar Helene was het, het zat al in haar naam. Zij was gezoogd door de goden, met haar gratie zou zij het later maken, de wereld lag aan haar voeten.

Met zeven waren we telkens aan de vijver, een christelijk getal. Vier jongens, drie meisjes, warme dag na warme dag op het water, wadend, wachtend tot de zondeval een eind zou maken aan de onschuld waarmee we samen plasten in het water, vanaf het ponton, om het verst. Günther, een beginnend poëtaster met rode haren, wachtte altijd zo lang met pissen tot hij kraakte van de krampen, om dan opgelucht en triomferend zijn pis in een indrukwekkende overwinningsboog naar de andere kant van de vijver te spuien. De onoverwinnelijke pisser was hij, tot een blaasontsteking hem tot nieuwe speltactieken noopte en hij slechts matig nog scoorde. ’s Winters hield hij zijn conditie op peil door jambische vijfvoeters te zeiken in sneeuw van minimum een week. De meisjes plasten liever ín het water en lachten dan altijd om de honderden visjes die zich rond hun watertrappelende benen verzamelden en hapten naar alle voedingsstoffen die er blijkbaar in zo’n urinestraal zaten. Zo leerden wij onze vis te vangen voor op lange zomerdagen. Wij doken onder de meisjes hun benen, wachtten tot ze plasten, en hoefden de happende vissen maar met onze handen beet te pakken om ze nadien te roosteren boven de ton die wij ergens hadden scheefgeslagen. Ik zou nooit nog een geroosterde vis ruiken zonder aan die eenvoudige dagen te moeten terugdenken, dat begreep ik toen al. Als de vis verorberd was gingen wij weer op onze ruggen liggen, op het warme hout, als keizers, als katten. Het gaf niet dat wij stijve pikjes kregen die zich als zonnebloemen oprichtten naar de zon, of dachten wij heldhaftig dat het naar Saturnus was? Het gaf niet dat de meisjes ons bekeken, ons met dezelfde onschuldigheid als die waarmee wij hen begluurden vergeleken.

Niemand die ooit geduldig in het gras gelegen heeft en een bloem uit een knop zag springen, of die een vlinder zijn larvenlijf zag aan de kapstok hangen en aan het leven beginnen als een ware avatar, zal de kosmische verwondering begrijpen die ik voelde toen ik Helenes borsten zag ontstaan. Een gevoel dat men, indien mogelijk, in potjes zou willen doen. Voor later. Een vingerhoedje ervan op de tong telkens wanneer het leven moeilijk wordt. (Hoeveel van die potjes zou ik reeds nodig hebben gehad? Zou ik er nog iets van overhebben?) Ik, ja ik, was de eerste die ze zag. Telkens wanneer ik dat verhaal in mijn latere leven vertelde zag ik de mensen denken dat zoiets onmogelijk kon, dat geleidelijkheid onzichtbaar is. Maar een borst, geloof me, ontstaat plots. Met een ‘plop’, maar die zou je pas kunnen horen met de oren van een hond. Zij lag op het ponton, zoals ze altijd deed, en ik bekeek haar. Niet dat vunzige kijken, dat kwam later. Mijn ogen lagen gewoon op haar te rusten, in alle onschuld. En ineens waren ze daar. Veel was het niet, maar onmiskenbaar was het meer dan de verhoging die ook jongens op die plaats op hun lichaam hebben. Dit waren twee molletjes die je niet vermoedde, maar die je betrapte op het bouwen aan een hoopje. We zijn met ons allen dichter bij Helene gekropen, en hebben die hele middag gekeken naar het bescheiden begin van Alle Dingen. Alle zonsopgangen later zeiden me minder. Maar toen we hoorden dat Palmier haar ongewenste kinderen hier misschien verzopen had, en dat we al een ganse zomer zwommen in water dat zich vermengd had met de lijksappen van de baby’s die op de bodem lagen, zijn we nooit meer naar de vijver weergekeerd.

De veestapel van Palmier was verdwenen, het enige wat ze nog bezat waren wat paarden en een hond. Die paarden waren oud en onverzorgd en dienden vooral als grasmachine voor haar gronden. Af en toe kregen ze hompen brood toegeworpen van de omwonenden en werden ze minzaam aan hun verroeste prikkeldraad geaaid door kinderen die later misschien slachter zouden worden, het ene sloot het andere niet uit. Lekker vlees zouden deze paarden niet meer leveren, daarvoor waren ze te versleten, en eens Palmier zou komen te overlijden zouden haar bejaarde beesten hoogstens voor een appel en een scharrelei worden verpatst aan een slimme beenhouwer, die hen zou vermalen tot inferieure worsten. Palmier keek naar haar beesten niet meer om, zoals ze ook naar zichzelf niet meer omkeek. Haar magerte en haar visgeur waren daar afdoende bewijs van. Alles aan haar gedragingen verried dat zij sterven wou, en het sprak voor zich dat wij daar begrip voor hadden. Maar Palmier mocht niet sterven, dat was de hele moeilijkheid. Haar gronden zouden in de greep vallen van harde makelaars die haar hele goed zouden verkavelen en aanbieden op de markt van smakeloze villa’s. Wij hadden de praalzucht al gemerkt van de inwijkelingen die de voorlaatste gronden van de Kerkveldweg al hadden opgekocht: ze plaatsten protserige brievenbussen met stenen cherubijntjes in hun voortuin, en gaven hun bakstenen bunkers namen die ze vervolgens in gietijzer goten en aan de gevel hingen. Als wij wensten dat niet alles hier werd bedolven onder het beton, dan moesten wij er alles aan doen om Palmier in leven te houden. Natuurlijk zou ze sterven, zij had geen andere verwachtingen te koesteren dan de rest, maar iedere dag uitstel was meegenomen.

Het was grootmoeder Maria die ons de opdracht gaf een aantal maal per week Palmier te verblijden met een bezoekje en een babbel over het weer. Mensen kikkeren op van gesprekken over onbenullige zaken. Om haar levensduur zinloos te rekken warmden wij onze overschotten van een hutsepot op. Een hutsepot, die men tegenwoordig een ‘energiebooster’ zou noemen en waarop de vetogen talrijk lagen te drijven, alsof men Argus had teruggebracht naar een vloeibare toestand.

‘Dag Palmier, wij hebben hier wat eten mee voor u. Slecht weer, hé, mens.’

‘Ja. Ja. Wreed slecht weer, kinders.’

Het was in geen maanden meer zo aangenaam warm geweest maar slecht weer bekte nu eenmaal beter. Uiteindelijk hadden wij niet helemaal ongelijk: de warmte maakte dat Palmier nog harder stonk dan ze ’s winters al deed.

Waren wij al geboren toen zij voor het laatst van onderbroek had verwisseld?

Ze doopte meteen haar vingers in de hutsepot, greep naar de mergpijpjes die er zonder mankeren in lagen om de smaak te optimaliseren en het overwicht van de spruiten te compenseren, en zoog vervolgens de mergpijpjes leeg, wat wij trouwens allemaal deden. Op het einde van de maaltijd gebruikte Palmier haar mergpijp als rietje en slurpte ze het overtollige vocht op van de verorberde hutsepot. Dit maakte een beangstigend, reutelend geluid, waarbij wij er nooit helemaal zeker van waren of het uit de verlepte longen van Palmier dan wel uit de mergpijp kwam.

‘Kleine, durft gij het haar vragen?’

‘Nee. Gij?’

Niemand durfde het te vragen, hoewel wij zelden een uitdaging lieten liggen waarmee wij ons lef konden bewijzen en wij er al grotere en veel gewaagdere hadden aangenomen én voltooid. Niemand durfde het Palmier te vragen, of het waar was wat ze in de cafés over haar beweerden, over het feit dat ze een paar van haar baby’s had verdronken in haar vijver.

Wat kon dit mens ons doen? Ons een rammeling verkopen? Ze verliet nauwelijks nog haar stoel, wellicht omdat het gewicht van de stront in haar broek haar het rechtstaan bemoeilijkte. Ze had amper nog de kracht om een soeplepel op te tillen zodat wij haar soms haar eten moesten inlepelen. Wat zou zij ons dan nog iets gaan maken? Ze mocht ons uitschelden zoveel ze wou, daar konden wij wel tegen, dat waren wij bij manier van spreken gewend, om niet te zeggen dat we er al aan gehecht waren. Maar toch stelde niemand haar die vraag, ik niet, en verrassend genoeg ook onze Potrel niet, die toch al zestien was en stilaan een geconsacreerde gangster. We zwegen en luisterden naar het gerommel in haar luchtpijp en haar kanarie die in zijn kooi zijn dagelijkse oefeningen solfège floot. Ook dat beest zag zijn muit alsmaar kleiner worden, omdat Palmier het arme gevogelte in geen eeuwen meer had ververst en de aangekoekte drek zich steeds hoger opstapelde. Piet, heette de kanarie, want alle kanaries heetten Piet, en hij had zich geweldig aan zijn situatie aangepast, was een overtuigde carnivoor geworden en voedde zich met de spinnen die hun kobben rond zijn kooi hadden geklost en waarop een dikke laag stof het zonlicht verzachtte.

Onze schrik voor Palmier dateerde vast en zeker nog uit onze prille kindertijd, toen ermee werd gedreigd dat we zouden opgesloten worden op het erf van Palmier als wij ongehoorzaam waren. Want Palmier was een heks, daarom droeg ze ook een kapje op haar hoofd, was ze vel over been, en stonk ze. In heksen geloofden we niet meer, maar iets van onze angstgevoelens voor haar moest zijn blijven hangen, en bovendien had de schrik voor Palmier zich verplaatst naar haar waakhond. Wij daverden nu op onze benen voor haar hond Blondi, een teef, waarbij wij nog het een en het ander in het krijt stonden en die met ons zou afrekenen zodra zij zich van haar ketting had weten los te rukken. Het geheugen van honden mag immers niet worden onderschat; net als bij de olifanten en de slangen kan aan deze vierpoters het vermogen worden toegeschreven hun vijanden levenslang te herkennen en kennen zij geen rust eer zij bloedwraak hebben gepleegd. Telkens wanneer onze Potrel en ik het erf betraden snokte de hond haar ketting strak en baden wij tot een God waarin wij voor ons profijt ineens maar weer geloofden dat de betonnen paal waaraan de ketting was vastgemaakt stand mocht houden. Het beest toonde ons haar tanden, die rot waren en haar ongetwijfeld al veel ondraaglijke pijnen hadden bezorgd, en waarvan de botheid ons niet zou verlossen van een smartelijke dood. Integendeel, met een jong en gaaf gebit zou onze doodsstrijd minder lang duren, het zag er slechter uit voor ons met rotte tanden dan met glimmende. Het hielp niet dat wij het beest paaiden door haar een portie gehakt voor de poten te gooien, zij bleef blaffen tot wij weer verdwenen waren en ons laatste geurspoor van het erf was gewist door de stank van Palmier.

Blondi was bedaagd en afgeleefd, maar ontbeerde de voor honden typische intuïtie waar iedereen de mond zo vol van heeft. Als het waar was dat honden over een zesde zintuig beschikten, dan zou Blondi tenminste begrepen hebben dat wij als geen ander van honden hielden. Van katten niet zo, dat waren reïncarnaties van kakmadammen, zij droegen hun pels als een bontmantel, spendeerden hun dagen aan hoererij en koket gedrag. Ontrouwe sletten waren het. Maar van honden hielden we. Zeer. Ook van Blondi, jawel. Een sukkelares zonder stamboom, de zielige nakomelinge van noeste arbeiders, slaven, die waarschijnlijk het ambacht van het schapenhoeden nog beheersten en die het domein van knaaggedierte ontdeden. Ze was gevlekt als de honden in een kindertekening, zonder enige schakering, had korte maar stevige poten en een snoet die de voornaamste wetten van de aerodynamica respecteerde. Op haar ogen was een dik vel komen te liggen, zoals op verse melk, van de ouderdom, en wegens een combinatie van jeuk en verveling was zij begonnen zichzelf op te eten. Zo leek. Haar poten had ze stukgebeten, in de open wonden kwamen de vliegen zich massaal ontlasten, en de riem die haar aan de ketting hield had zich ten gevolge van haar vrijheidsdrang in haar pels gesneden. Uit haar achterste liep etter. Haar functie als waakhond beperkte zich tot het blafwerk, aangezien zij nooit van de ketting werd gehaald en geen mens te lijf kon gaan. Vaak komt het beste in een mens naar boven drijven in de nabijheid van een hond, en wij begrepen niet hoe Palmier rustig kon toekijken op het leed van haar geknevelde dier. Wij smeekten haar het beest ten minste van die ketting te halen, boden haar aan om er een uur per dag mee te gaan wandelen, desnoods aan een lis, en wilden het dier zelfs overnemen, overkopen om het een convenabele oude dag te bezorgen. Maar Palmier wou er niet van weten, Blondi moest en zou aan die ketting blijven. Het idee om op een nacht Blondi te bevrijden raakte niet verder dan een beetje opwinding bij de gedachte het daadwerkelijk ten uitvoer te brengen, onze schrik voor het oude kreng van een Palmier werkte verlammend. En dus bleven wij haar hutsepot met mergpijpjes brengen en keken wij, terwijl zij die naar binnen schrokte, vol medelijden naar haar hond.

Katten hebben negen levens, maar een hond gaat alle dagen dood. Het geketende, machteloze en stokoude beest kreeg regelmatig bezoek van reuen die door jongere en veel aantrekkelijkere teven waren afgewezen. Smerige honden waren het, sukkelaars op zich, dat moet worden toegegeven. Het waren bastaarden die zich in leven hielden met de inhoud van onze vuilniszakken, onder het schurft zaten, of mankten, en die met hun driften haast nergens anders heen konden dan tegen de benen van een eenzaam kind dat zo’n straathond voor een dankbaar speelkameraadje hield, en spoedig weer zou worden achtergelaten met zijn verwarde zelf en smurrie op zijn broekspijp. Blondi was te oud om zich nog te verzetten, zij staarde naar een punt in de verte terwijl de overal elders afgewezen honden haar keihard langs achter namen. Ramden.

‘Dat is het nu, Kleine,’ zei onze Potrel.

‘Dat is nu wat?’

‘Poepen! Neuken!’

In gedichten deden ze dat altijd in de keuken.

En ondertussen zaten wij op onze stoelen, naast de stinkende Palmier, met ons gedrieën te kijken naar de miserie van een straathond die genoegen moest nemen met een tot op de draad versleten teef met een etterend gat, en Blondi, die waarschijnlijk aan haar ketting tot de Heilige Franciscus van Assisi bad. Onze onwennigheid gecompleteerd door het schrikwekkende feit dat Palmier zichtbaar zat te lachen met pretoogjes, hetgeen ze nog zelden deed.

De natuur is wreed. Er waren voldoende tekenen die erop wezen dat het lijf van Blondi helemaal was leeggeleefd, en misschien hoopten wij dat de ziel van deze hond uithuizig was, dat er geen ene hond nog woonde in haar vacht. Maar net zoals het mijn grootmoeder moet hebben verrast op een min of meer gezegende leeftijd zwanger te sukkelen van onze Potrel, zo troffen wij op een dag Blondi aan met vijf kleintjes aan haar riante maar lusteloos slappe tepels.

‘Doe die puppy’s weg!’ beval Palmier.

‘We zullen ze meenemen naar huis,’ stelden we voor.

‘Niks van! Doe die honden weg! Maak ze af! Doe ze in een zak en verdrink ze in de vijver!’

Het was waar, de kleintjes zouden nog een goeie zes weken bij hun moeder moeten blijven en Blondi was te oud om dat nog te overleven. Maar toch.

‘Ik kan dat niet,’ bekende ik aan onze Potrel.

‘Doe wat Palmier van u vraagt, Kleine.’

‘Nee, ik kan dat niet. Daarbij ze vroeg het ook aan u.’

‘Gij zijt een trut, gij.’

‘Fok joe!’

‘Fokt zelf joe, broekschijter!’

Palmier keek nauwlettend toe hoe wij de puppy’s in een zak stopten, lette erop of de zakken voldoende verzwaard waren met stenen en controleerde de zeemansknoop waarmee ze ons had gevraagd de zakken dicht te binden. Het was toen we terugkwamen van de vijver dat Blondi ermee begonnen was naar ons te blaffen en te grommen met sop op haar tong en schuim op haar muil. Ze rukte aan haar ketting, de ogen in opperste staat van concentratie, de blik gefocust op onze strot, op dat klokhuis in onze keel waar zich bij onze Potrel al een stevige en puntige adamsappel had gevormd. Wij hadden een zwaard van Damocles, en het was een hond. En het was de simpele en hyperkatholieke Werner, van wie onze Potrel het lief had afgesnoept, die met zijn tanden was gaan knabbelen aan het draadje dat dit Damoclesiaanse zwaard nog een beetje aan de hemelen bond, door op een dag te zeggen: ‘Weet ge nog dat wij er het eens over hadden die sukkelaar van een hond te bevrijden en dat niemand het durfde? Awel, geloof het of niet, ik heb gisteravond haar ketting doorgesneden. Ik weet alleen niet waar dat beest nu is.’





De Ronde van Frankrijk


God schiep de dag, en wij sleepten ons erdoorheen. Toen we nog leefden als personages in de liedjes van Big Bill Broonzy, organiseerde Omer een aanval op het wereldrecord drinken. Bier, welteverstaan. Het was een van de vele spitsvondigheden waarmee Omer zijn kroeg, de Liars Pub, telkens weer wist te vullen. Zijn ideeën waren deze die men groots en meeslepend placht te noemen, en dat zij er vaak de oorzaak van waren dat Omer in aanraking kwam met de politie lijkt dat alleen maar te bevestigen. De evenementen die Omer bedacht waren telkens van dien aard dat er aan het geheugen wordt getwijfeld van diegene die ze tegenwoordig navertelt, en nu pas, nu vele hoofdrolspelers reeds van de aardbodem werden geveegd, sta ik erbij stil dat de eigenaardige naam die Omer aan zijn kroeg gaf de waarde van een orakel had: als leugenaars, fantasten en mythomanen zouden de vertellers van deze verhalen uit zijn kroeg door het leven gaan. Maar daar stonden wij niet bij stil, het is niet zo dat wij het bestaan van een café negeerden omdat de uitbater er een lelijke naam aan had gegeven. Bovendien kenden wij kroegen met mooie namen, café De Maretak, café Olympia, café Rio, café De Blinde Vink, dat moest volstaan.

Herinnering is de troostende stuiptrek van een leven, een hogere soort van nageboorte. Pas wanneer de herinnering is opgedroogd treedt de dood helemaal in, de ontbinding begint wanneer men opgehouden heeft van ons te dromen, en indien geen van de getuigen het risico neemt voor een leugenaar te worden versleten zullen de verhalen van café Liars delen in ons eigen lot te worden vergeten, wat zoveel is als er nooit te zijn geweest. Enkelingen laten een schedel en een handvol botjes na, zoals een eenzame brachiosaurus zoveel miljoenen jaren en een uur geleden, hij is er vet mee, maar naar de inhoud van zijn dagen blijft het evenwel gissen met de natte vinger. Misschien dat archeologen over een miljoental jaren bij graafwerken de schedel of de tanden van Omer, beatae memoriae, uit de aarde delven. Dat kan. Ze zullen zijn skelet een naam geven en het zou al wreed moeten lukken dat het ook Omer zal zijn. En dat hij als John of George of weet ik veel naast de veel oudere Lucy (die wellicht ook anders heette, zo ze in haar tijd al de gewoonte hadden elkaar een naam te geven) in een glazen kastje komt te staan om de zotte tred van de evolutie te demonstreren. Maar zonder dat ik de wetenschappers van de toekomst bij voorbaat wil onderschatten, meen ik niet dat zij over de technieken zullen beschikken om te achterhalen dat hun skelet ooit een café uitbaatte en dat het een man betrof met waanzinnige ideeën. Niemand zal daar weten dat Omer ooit een wedstrijd naaktfietsen organiseerde als promotiestunt voor zijn café. Een deel van de bevolking stoomde van woede, niet in de eerste plaats omdat het naakt berijden van een fiets als een aanslag op de goede zeden werd beschouwd, maar omdat de wedstrijd werd gereden in de nochtans afgelegen buurt van het kerkhof. De invloed van de pastoor was verrassend genoeg nog zo groot en de sympathie van de politie voor dit project dermate omvangrijk dat de veertien goddeloze deelnemers uiteindelijk in hun onderbroek aan de start verschenen. Een compromis, heette het, de scheiding tussen kerk en overheid was niet dikker dan een onderbroek. Mijn vader werd toen verdienstelijk tweede onder grote belangstelling van het talrijk opgekomen publiek, want goede benen had hij wel. Het succes van dit initiatief kon worden verklaard, maar dat deed er geen afbreuk aan. Omer wist hoe hij de massa naar zijn kroeg kon lokken en een jaar na zijn legendarische wielerwedstrijd zocht hij een team bij elkaar dat op de grondvesten van zijn café het wereldrecord zuipen zou verpulveren. Twaalf man had hij nodig, geen kat die wist waar hij dat getal vandaan had, en het verraste niemand dat hij kort na de bekendmaking van zijn plannen aan onze deur stond te smeken deel te nemen. Ook ons verraste dat niet, alle dagen waren voorspelbaar maar op geen enkele waren wij voorbereid. Neen, de verrassing kwam van onze kant, doordat geen van ons bereid was mee te gaan in het vadsige plan van Omer. Men mocht ons naakt op een fiets zetten en ons vragen rondjes te rijden zoveel men wou, wij namen onze verantwoordelijkheden als het op vertier aankwam, je kwam maar op met de voorstellen, deed gerust een polonaise aan ons lijf, maar drinken voor de sport was een brug te ver. Toegegeven, onze Zwaren had zich aanvankelijk ingeschreven, hoewel hij van ons allen niet de beste drinker was, verre van, maar hij had zijn naam weer van de deelnemerslijst laten schrappen op verzoek van een meisje dat hem voor een klassieke keuze liet: zij of het bier. Met mijn vader viel er niet te praten, hij deed het niet en daarmede punt en basta. Onze Potrel was daar nog minderjarig en mocht tot zijn diepe ontgoocheling niet deelnemen, en onze Herman stuurde Omer met een kluitje in het riet met de eenvoudige maar voor iedereen goed verstaanbare woorden: ‘Omer, ik ben niet zot.’ Uiteraard ging het leven verder, dat maakte het leven soms zo moeilijk. De lijst met deelnemers prijkte aan de toog van de Liars Pub, dagelijks gingen wij kijken wie erbij was gekomen, wie zich kandidaat had gesteld om zich te wagen aan een poging dit illustere wereldrecord op zijn naam te zetten. Alles was tot in de puntjes verzorgd, er zou een arts aanwezig zijn om de helden bij te staan tijdens de lastige ogenblikken, en die zouden ze ongetwijfeld kennen, en een gerechtsdeurwaarder zou het hele gebeuren gadeslaan zodat de resultaten officieel konden worden gemaakt en de kampioen zijn naam zou zien verschijnen in het Guinness Book of Records. Het was maar een naam, niemand zou die naam iets zeggen, eerder vroeg dan laat is onze naam een amalgaam van dode letters, een anagram van de leegte, maar wie werd opgenomen in het Guinness Book of Records had een teken van leven gegeven, bewezen dat hij uitsteeg boven de nochtans benijdenswaardige middelmaat. De grens van de mens, dat was het Guinness Book of Records, en wie daar een heel klein stukje van getrokken had, van die grens, die kon zichzelf makkelijker wijsmaken niet voor niets te zijn geboren. Op één lijn kwam hij te staan met haar of hem die ooit het snelste zwom, het hoogste sprong, het luidste zong. Naast het wezen met de langste tong of de zwartst verkankerde long kon jij staan, tussen mens en monster, de homo erectus die van alle soortgenoten in de tienmiljoenjarige historie van het varkensdom het hevigst dronk. Daar zou volk naar komen kijken. Met argusogen werd het groeiende deelnemersaantal gevolgd, dat daags voor het grote evenement op elf stond. Elf dappere jongens, gewoontedrinkers uit verveling en traditie, kerels die van vader op zoon in de kantlijn leefden. Ze gooiden zichzelf op een barkruk als een jas, maar ook daarin blonken ze niet uit. De kansen op welslagen werden miniem geacht aangezien er geen enkele Verhulst op de lijst stond, en bovendien moest er nog een twaalfde man gevonden worden in minder dan een etmaal. Maar wij zouden daar niet aan meedoen, o neen, iedereen maar niet wij.

De wereld wordt gered in een zwak moment; toen wij de ochtend van de Grote Dag even langsliepen bij Omer om een voorraad sigaretten in te slaan zagen wij dat hij zijn ploeg eindelijk vervolledigd had. Minder uit eerzucht dan uit verantwoordelijkheidsgevoel had onze Herman zich dan toch nog laten opschrijven als twaalfde en laatste man, en toen ook de rest van Reetveerdegem hiervan kennis nam, groeide het geloof in een memorabele avond die ons een kampioen zou brengen, en steeg de verkoop van kaartjes. We proefden wat het was een verwachting te hebben toen we een vrachtwagen de gehuurde klapstoeltjes zagen afleveren, en keken opgewonden toe hoe gemeentewerkers het podium bouwden waarop onze gladiatoren die avond zouden kampen met de drank, die toch als een stevige tegenstander mocht worden beschouwd. Twaalf krukken telde het podium, elk ervan vergezeld van een houten ton waarin de aanvaller van het record naar believen kotsen kon. En hopelijk werd er gekotst, dat was waar de mensen voor kwamen. Bovendien stond het reglement vomeren toe, de uitgebraakte hoeveelheid bier werd niet van het totaal afgetrokken, elke pint die was ingeslikt verscheen op het scorebord. Maar ze moest wel zijn ingeslikt, volledig, het was de taak van de gerechtsdeurwaarder om de ingeslikte druppel te onderscheiden van de druppel die naar buiten werd gespuwd nog voor hij achter de huig verdwenen was.

Wij konden niet zeggen dat wij achter de beslissing van onze Herman stonden. Maar ze was genomen, alleen dat al was een heldhaftige daad op zich, iemand die een beslissing nam, en het leek ons dat hij onze steun meer dan ooit gebruiken kon. We hebben frieten voor hem gebakken, eieren geklutst, zijn boterhammen ingewreven met smout, en of zijn lever onze cordon bleus nog verdroeg of niet, hij moest en zou zich te pletter vreten om een absorberende laag op zijn maag te leggen, een fond zoals we zeiden. Als meneer aan sport wou doen moest hij er maar mee leren leven in een uitstekende conditie te verkeren. Bovendien had hij nu echt wel de familie-eer te verdedigen, deelnemen was belangrijker dan verliezen, niemand had van hem verlangd dat hij deelnam, en nu hij het toch deed moest hij daar maar de consequenties van dragen. Na zijn copieuze maaltijd stopten wij hem in bed, om reserves op te bouwen, en vlak voor zijn wedstrijd hebben wij hem op de pot gezet zodat hij alle afvalstoffen van een vorige braspartij kon lozen. Details die het verschil konden maken, al geloofde hij daar zelf niet zoveel in. Toen mijn vader en mijn nonkels hem uiteindelijk escorteerden naar het strijdtoneel, wist geen van ons of onze Herman erop voorbereid was Iemand te worden, of hij er klaar voor was als een winnaar weer te keren. Want zo zou het zijn, die titel kon hem niet ontglippen, daarvoor was de concurrentie te mager en te min. De roem, verdoeme, lag daar voor de griepgrap voor zijn voeten, hij moest ervoor gestudeerd hebben noch kunnen voetballen.

Het was herfst, al waren wij ieder seizoen wel aan de fep en is het eigen aan vertellingen over levens als deze dat de jaargetijden er niet toe doen, maar de dood lijkt meer genood wanneer ook de bladeren van de bomen hun feuille morte uitvoeren, wanneer alles in de natuur behaagziek sterft volgens de regels van de kunst. Die nacht hoorde ik ook de bomen als cheerleaders wapperen met hun kruinen, de wind kwam van ver en had ons niets meegebracht dan enkel te zware gedachten. Het was de tijd vlak na de slacht, waarin de koeien wisten dat hun gratie voor een winter was verleend, zodat ze nog eens tochtig mochten staan, en dat de droefste onder hen hun sirenes loeiden om te rouwen om een kalf dat was opgegaan in kotelet. Daarom viel die nacht het blauwe licht van de politiewagen zo mooi op het behangpapier van onze slaapkamer, omdat het deel uitmaakte van de goddelijke choreografie.

Er werd aangebeld, maar grootmoeder Maria bleef liggen in haar bed, dat nog maar net de temperatuur van haar lichaamswarmte had aangenomen. Ze was er mee opgehouden ’s nachts de roep van de deurbel te beantwoorden, omdat ze wist dat het weer een van haar zonen was die zijn motoriek had verloren aan het vele scharrebier en die beneden stond te klooien met zijn sleutels. Zij stonden dan te graaien in de onmetelijke diepten van hun broekzakken, hun weg zoekend tussen aanstekers, muntstukken en geknakte sigaretten, om met veel geluk na een half uur hun huissleutels op de delven. Waarna hun de psychomotorische test wachtte die sleutel in het sleutelgat te krijgen.

Er werd een tweede maal aangebeld, en in de kamer ernaast hoorde ik mijn grootmoeder zich nog eens omdraaien tijdens een kletterende vloek, waarvoor ze een zomer later te Lourdes om vergeving vroeg.

Ik stond op, keek door het raam, en zag een politieman ongeduldig met zijn benen trappelen. Het leek mij dat hij moest plassen.

‘Meetje’, riep ik.

‘Wat is er jongen?’

‘Er wordt gebeld!’

‘Dat is je vader. Hij krijgt waarschijnlijk weer zijn sleutels niet in het slot. Laat hem maar bellen, een nachtje frisse buitenlucht zal hem geen kwaad doen.’

‘Het is de politie, Meetje.’

‘Weeral!’

Ook voor de politie was mijn grootmoeder opgehouden ’s nachts de deur open te maken. De laatste jaren was ze het beu geraakt haar slaap te moeten onderbreken voor vriendelijke agenten die mijn laveloze ouwe uit de goot hadden geraapt en hem thuis kwamen afleveren. Er waren periodes dat het politiekorps van Reetveerdegem meer op een taxibedrijf dan op iets anders leek, en het was zelfs meermaals voorgekomen dat ze eerst mijn vader een lift gaven tot aan de deur en drie uur later mijn nonkel Zwaren afleverden. Het begon pas de spuigaten uit te lopen toen ze ook onze Herman naar zijn kamer hielpen en hem assisteerden bij het uittrekken van zijn gehavende kleren. Uiteindelijk bewezen ze daarmee het hele dorp een dienst, want iemand die op straat zijn roes lag uit te slapen zou alleen maar ongelukken kunnen veroorzaken, in die zin begrepen wij die moederinstincten van de gendarmen wel, maar ze moesten niet overdrijven, wij hadden ook onze trots. Andere keren belden ze aan met de boodschap dat onze Potrel hier of daar weer iemand in elkaar getimmerd had tijdens een bezopen ruzie en om administratieve reden de nacht had door te brengen in de cel, waar hij bij manier van spreken al zijn eigen pyjama had liggen. De politie bracht ons daarvan telkens op de hoogte om ons niet te verontrusten als hij afwezig bleek bij het ontbijt. Alsof wij verontrust waren wanneer onze mannen soms drie dagen lang niet thuiskwamen. De periodes dat ze in grote vorm verkeerden en koste wat het kost dronken wilden raken, gebeurde het dat we ze een ganse week niet te zien kregen. Bovendien ontbeten wij niet, niet voor we eerst een half pakje sigaretten hadden opgerookt.

Maar wanneer een politieman de kwalijke gewoonten van stofzuigerverkopers overneemt en tot vijfmaal toe aan de deur belt, of zijn vinger niet van de belknop haalt tot wanneer er eindelijk wordt opengedaan, dan is er een vermoeden van ernstigheid.

Toen mijn grootmoeder de deur uiteindelijk openmaakte gaf de agent de indruk het jammer te vinden dat er alsnog werd opengedaan.

‘Goedenavond, mevrouw, sorry dat ik u zo laat op de avond nog stoor, maar bent u de moeder van Herman Verhulst?’

‘Dat hangt er van af.’

Iedereen kende hier de Verhulsten, de politie nog het best. Blijkbaar was die jongen nieuw in het korps en hadden ze hem bij wijze van doopproef op ons afgestuurd.

‘Mag ik even binnenkomen, mevrouw?’

‘Meneer, kijk eens hier: ik sta hier in mijn peignoir en heb mijn tanden niet in, in zo’n toestand kan ik geen volk ontvangen. Wat voor nieuws?’

‘Het is nogal ernstig, vrees ik. Mag ik echt niet even binnen, het is tamelijk lastig om dit aan de deur te vertellen.’

‘Kleine, haal boven eens mijn tanden, dat ik die meneer hier een beetje deftig kan ontvangen!’

Er zat nog lauwe koffie in de kan, die de agent dankbaar aanvaardde. De bittere smaak van onze cichorei stond hem tegen, en als we de zak suiker niet bij zijn tas hadden gezet zou zijn gezicht zijn opengescheurd in twee afzichtelijke helften. Zodra grootmoeder haar tanden in had mocht hij zijn gesprek verder zetten.

‘Eens vragen, mevrouw, heeft u soms toevallig een hartkwaal?’

‘Is dat nu een uur om de mensen lastig te vallen met vragen over hun hart?’

‘Ik moet dat nu eenmaal vragen, mevrouw, het spijt me.’

‘Voor wat is het? Want ik wil snel terug mijn bed in.’

‘Uw zoon, mevrouw, Herman Verhulst…’

‘Ja? Wat heeft hij nu weer uitgespookt?’

‘…ligt momenteel in comateuze toestand.’

‘Kijk meneer, ik ben een oude vrouw met een veel te klein pensioen. Op mijn veertiende zat ik in de weeffabrieken van Aalst en Dendermonde. Om vijf uur moesten we beginnen, en ik reed met de fiets naar mijn werk, weer of geen weer. Iedere seconde die ik op de wc zat werd afgetrokken van mijn loon. Op mijn zeventiende werd ik zwanger van een zoon die veel te veel woog en die ze er met een keizersnede hebben moeten uittrekken. Uiteindelijk zijn er tien kinderen uit mij geboren waarvan negen levend, en ben ik gans mijn leven in de weer geweest met de was en de plas van dat grut. Met andere woorden, ik heb niet gestudeerd. Ik weet wel dat al mijn zonen, dus ook onze Herman, soms in verschrikkelijke toestanden thuiskomen ’s nachts. U had de toestand eens moeten zien waarin onze Pierre gisteren verkeerde. Maar daar een naam op plakken kan ik niet. Comateus of welk woord gebruiktige gij? Awel, ik kan mij daar iets bij voorstellen, bij een comateuze toestand. Dat komt hier alle dagen voor, ik heb alles al gezien. Maar als ge zo vriendelijk zoudt willen zijn om mensentaal te spreken!’

‘Comateus is een wetenschappelijke term, mevrouw. Het wil zeggen dat je niet dood bent, maar dat je ook niet meer leeft.’

‘Dat is wat ik net kwam te zeggen, meneer, dat zie ik hier alle dagen. Misschien ben ik ook wel comateus dan, nu je het zo zegt. Zou dat kunnen?’

De agent zette een gezicht op dat te verstaan moest geven dat hij agent en geen dokter was.

‘Als onze Herman niet meer zou leven, dan zou u mij hier toch vertellen dat hij dood is, en niet bijvoorbeeld dat hij in comateuze toestand verkeert, onnozelaar. Allé nu, comateus. Komt dat van het Latijn of zo?’

De agent haalde zijn schouders op. Ongetwijfeld vervloekte hij op dat ogenblik de korpschef die hem op ons had afgestuurd met deze door al zijn collega’s gehate opdracht. Deze klus was altijd voor de nieuwelingen, ouwe rotten in het vak spraken hun ervaring aan om stempels te zetten op officiële documenten en om parkeerboetes uit te schrijven.

‘Kijk meneer de agent, ik zou nu graag terug mijn tanden uitdoen en gaan slapen. En als u zo vriendelijk zou willen zijn om mij niet meer lastig te vallen met onnozelheden als deze, het is verdomme vier uur in de nacht. Comateuze toestand, mijn voeten. Wetenschappelijke term, mijn voeten. Een mens moet wat horen in zijn leven.’

Drie weken later kwam onze Herman thuis met tape op zijn gezicht en een vel dat indringend rook naar ziekenhuis. Hij werd bij elkaar gehouden door middel van een indrukwekkend aantal hechtingen, en op het gipsverband rond zijn linkerbeen had hij alle verpleegsters hun naam laten zetten. Prachtige verpleegsters volgens hem, en hij had hen allemaal een bos bloemen beloofd omdat ze drie dagen lang aan zijn bed gekluisterd hadden gezeten en lieve woordjes in zijn oor hadden gefezeld, wat ze naar het schijnt altijd deden bij mensen die in coma lagen. Alleen zo zou hun hang naar het leven kunnen weerkeren. En kijk, onze Herman wás uit zijn coma ontwaakt en zou spoedig worden ingehaald als een held. Want wereldkampioen was hij geworden, uiteraard. Nadat hij drie liter en tachtig centiliter aan het oude wereldrecord bierdrinken had toegevoegd was hij manhaftig in zijn wagen gestapt, hoewel hij nauwelijks nog op zijn benen kon staan. De hele pub had stomverbaasd toegekeken hoe onze Herman er nog wonderwel in slaagde het portier van zijn wagen open te maken, de sleutel in het contact te stoppen. En toen hij ook nog eens de wagen startte en in een redelijk rechte lijn de straat uit reed was iedereen ervan overtuigd dat zij oog in oog hadden gestaan met één van de meest merkwaardige drinkers aller tijden, iemand die zijn wereldtitel niet toevallig had veroverd. Luttele minuten later bevond onze Herman zich reeds op de autostrade, zij het spookrijdend, en zij het niet langer dan enkele seconden. De klap moet verschrikkelijk zijn geweest.

Ondanks de buitenmenselijke hoeveelheden gemeten alcohol in zijn bloed en ondanks zijn zware verkeersovertreding, alles bij elkaar voldoende om hem een levenslang rijverbod op te leggen, heeft zijn verzekeraar hem volledig schadeloos gesteld voor het ongeval en werden zijn hospitalisatiekosten en de factuur van de garagist tot de laatste centiem terugbetaald. Hij was, typisch onze Herman, frontaal tegen een gestolen wagen aangeknald en mocht op de koop toe een maand later op het gemeentehuis een medaille in ontvangst nemen omdat hij een bende gangsters, waarnaar men al maanden tevergeefs op zoek was, in de prak had gereden. Zelf was hij door de voorruit geslingerd op muziek van Roy Orbison die hij tijdens zijn dodenrit loeihard had afgespeeld, en hij nam zich voor een zoon te maken en die Roy te zullen noemen, uit dankbaarheid voor het wonder van het leven. Dat laatste hebben we hem afgeraden.

Onze wereldkampioen zuipen! Herman Verhulst! Zijn vader zou trots geweest zijn op hem! En wij maakten ons op om heel ons leven de vraag te moeten horen of wij familie waren van die ene Verhulst, Herman, telkens wanneer wij onze achternaam langzaam spelden aan de griffier van de rechtbank.

Alleen onze Potrel kon het niet opbrengen zijn enthousiasme te tonen. Hij voelde zich benadeeld omdat hij als minderjarige niet had mogen deelnemen aan deze wedstrijd en was van mening dat hij en niemand anders die titel verdiende. Bovendien had hij zijn twijfels over de waarachtigheid van zo’n wedstrijd die de begrippen van het zuipen onbehoorlijk had vernauwd. Ten eerste kon de deelnemer toevallig zijn dagje hebben, zo’n dag waarop je een hoop liters hebben kan zonder neer te smakken, die dagen komen inderdaad voor, dagen van genade. En ten tweede had de slemppartij zich beperkt tot de flauwe pils die werd gestookt in Brouwerij De Geest en waarvan de wort een film van stank en doem legde op onze dorpen. Onze Potrel had meer verwacht van een wereldkampioenschap zuipen, had gehoopt dat het de totale zuiper zou onthullen aan de wereld, iemand die alle pijpen van het drankorgel bespeelde. Wohltemperiert, als we dat woord tenminste hadden gekend. Er was geen enkele kunst aan gelegen om je compleet van de kaart te hijsen. De kunst was om je compleet van de kaart te hijsen en dat daags nadien opnieuw te doen, en de dag na de dag nadien opnieuw, en opnieuw, tot je als enige overbleef. Desnoods zopen de deelnemers weken aan een stuk. En men zou zich niet mogen beperken tot pils, ook wodka en whisky en allerhande afgrijselijke stooksels en cocktails moesten aan bod komen. Waar het onze Potrel nu op aankwam was al deze basisprincipes in een aantrekkelijke vorm te gieten, in een wedstrijdkader als het ware, en die kwam er sneller dan een van ons voor mogelijk had geacht. Onze Potrel had namelijk ontdekt dat zijn ideeën over de totale zuipschuit overeenstemden met de ideeën die Géo Lefèvre over de totale wielrenner had. Lefèvre, ontwerper van de allereerste Tour de France, had namelijk een wedstrijd in gedachten gehad die zodanig zwaar moest zijn dat slechts één deelnemer de eindmeet zou halen. Zo moest ook onze Potrel zijn krachtmeting eruitzien, en hij begon meteen het hele concept uit te werken met een zorg die hij nooit eerder voor iets anders had opgebracht.

Schaar en lijm keerden terug in het leven van de bijna meerderjarige Potrel. In onze stal kleefde hij de kaart van Frankrijk (schaal 1 op 100.000) op een grote, stevige kartonnen plaat, tot grote opluchting van zijn moeder, die haar zoon bekeerd zag tot een knutselaar, wat hem op termijn de lust zou doen krijgen om een stiel te leren en uit de cafés te blijven. Het hele parcours, bestaande uit 19 prachtige ritten, tekende hij uit op de kaart. Start en aankomst in het departement Parijs. Na enig rekenwerk besloot hij dat 5 kilometer op de kaart gelijk stond met 1 glas alcohol, wat al gauw maakte dat je voor een toch wel redelijk korte rit van 180 kilometer 36 glazen alcohol moest drinken. Om het snelst. Maar het was onze Potrel dan ook om de meest complete zuiper te doen, een uitzonderlijk talent dat pas kon worden ontdekt door de lat waanzinnig hoog te leggen. Een gezonde witte pis, dat was wat de deelnemers zeker negentien dagen lang zouden lozen.

Analoog met de wielerronde bedacht hij drie klassementen, drie truien die verdiend konden worden. De gele trui voor de eindwinnaar, zijnde voor hem die het snelst het parcours had afgelegd. De groene trui voor de spurtbom, te zeggen: de koning van de ad fundum. En de bolletjestrui kon worden veroverd in het gebergte, daar waar je vooruitkwam door zware dranken als whisky en wodka te zuipen.

De plastic wielrennertjes waarmee ik ooit nog had gespeeld en in mijn dromen Lucien Van Impe of, vooral, Bernard Hinault was geweest, het enige speelgoed overigens waar ik maar geen afscheid van nemen kon en dat ik bewaren wou uit iets wat zich daar reeds manifesteerde als onbegrijpelijke nostalgie, die wielrennertjes verdwenen ineens in de zakken van onze Potrel en zouden dienst doen als pionnen op het bord. Per consumptie zouden de spelers hun pion één vakje mogen verplaatsen. Een beetje zoals bij ganzenspel, maar dan voor varkens.

Onze Herman vond het hele idee belachelijk, om niet te zeggen kinderachtig, en deed niet mee. Hij had natuurlijk de officiële titel te pakken en had zijn volledige reputatie te verliezen, we schatten in dat hij het verstandiger vond op zijn lauweren te rusten. Mijn vader mocht wel een groot drinker worden genoemd, maar hij was beperkt in zijn mogelijkheden: van rode wijn viel hij ogenblikkelijk in slaap. En hij was bovendien al een derde van zijn maag kwijtgespeeld aan de kwalijke gewoonte wijn en bier en campari en gin en alles wat hij grijpen kon door elkaar te mixen. Mijn vader was meer het type van de proletarische drinker, al dan niet noodgedwongen, een pilsboer. Hij dronk zich weliswaar te pletter maar probeerde daar geen enkele nadruk op te leggen. Zichzelf dood drinken was voor mijn vader geen sport maar eerder een sociale zegening. En omdat ook onze Zwaren zijn forfait gaf wegens opnieuw opspelende jicht diende onze Potrel de concurrentie buiten de familiekring te zoeken.

Gans anders dan Omer had onze Potrel wél snel een prachtig deelnemersveld bij elkaar, achttien enthousiaste zuipers in totaal, onder wie een redelijk aantal minderjarigen die revanche wouden nemen omdat het hen niet was toegestaan zich voor de wedstrijd van Omer in te schrijven. Daardoor kon dit concours gezien worden als een clash tussen de generaties, de troonsaflossing. Bovendien was er iemand van ver buiten het dorp komen opdagen, de voorzitter van een drinkclub uit de verlepte badstad Oostende, een gereputeerd zwijn met een supporterskern van motorfreaks in lederen jekkers. Zijn lijf was een knekelveld van getatoeëerde doodskoppen en hij zou zeker allure geven aan deze wedstrijd. Dit was iemand die je in de gaten moest houden in het hooggebergte; wie deze bonk van de bolletjestrui kon houden had iets op zijn curriculum te zetten. Niet alleen was de wedstrijd van onze Potrel opengetrokken naar alle delen van het land, hij stond ook open voor vrouwen. Dikke Zulma van de Restertdreef (een weef die zich vanuit een diepmenselijk gevoel van kosmische leegte op jonge, onbeholpen snaken smeet) was ongetwijfeld een kandidate voor de eindoverwinning gezien haar fenomenale voorraad vet voor vele vooroorlogse winters waarmee ze de alcohol in geen tijd zou afbreken. Het was nu al uitkijken naar een marathonontsnapping van dat mens, of naar een duel tussen haar en de Hell’s Angel op de flanken van de Tourmalet. Van al die kandidaten was onze Potrel het meest een karaktermens, de outsider die vaak scheelbezopen zou moeten terugkeren uit de groep der gelosten en die zou demarreren terwijl hij sterretjes zag.

Achttien deelnemers, het mocht nu al een succes genoemd worden, en onze Potrel suizebolde toen hij daar ineens de maakbaarheid van de geschiedenis begreep. Want zo zou het zijn, anders kon het niet lopen: dit alcoholistische gezelschapsspel was het beste in zijn soort, niemand had een betere methode ontworpen om de meest getalenteerde zuipschuit te openbaren aan de mensheid. Het lag voor de hand dat men over luttele tijd overal ter wereld een Rondje van Frankrijk zou spelen. Naar het voorbeeld van. Dat was immers logica. En zoveel geschiedenis vroeg om heroïsche woorden die onze Potrel eeuwig zouden herdenken als de pionier van het heldhaftige drinken. Wat wij nog misten was een eigen krant, een lofzang, een eruptie van grootheidswaan, een zatte skald die zijn mosterd haalde bij de haast delirerende journalisten die in 1903 reeds de grootsheid bejubelden van de wielerversie van de Tour de France. Iets als:

‘Vandaag wordt door een denkbeeldig Frankrijk de bezoedelde maar immense energie verspreid van onze professionele zuipers. Van Parijs naar de blauwe golven van de Middellandse Zee, van bier dat smaakt naar flauwe pils naar pastis, van Marseille naar Bordeaux, van gestookte azijn naar veel te warme wijn. Bij het doorkruisen van alle door de zon in slaap gesuste, roze en dromerige steden, dwars door de Vendése velden, helemaal langs de Loire, die langzaam en stil stroomt, gaan deze mannen en vrouwen het vocht door hun kelen laten vlieden, uitzinnig, onvermoeibaar, en ze zullen op hun weg allerlei vlagen van bewusteloosheid en braakneigingen tegenkomen die ze van zich af moeten schudden, hoofdpijnen en diarree doorstaan, ze zullen nieuwe krachten opdoen en de ambitie wekken om iets te zijn, al is het alleen door de kracht van een sterke maag, door de goede werking van de lever, wat toch meer waard is dan helemaal niets te zijn. In vele honderden kilometers, omgezet in vele liters moordende drank, gaande van whisky tot en met cognac, onder de bijtende zon en in de nachten die hen zullen verbergen in hun doodskleed, zullen ze vergeefsheid tegenkomen, ledigheid en luiheid, verlamde en onwillige slokdarmen, slikreflexen die het laten afweten. In de giganteske strijd waar ze zich toe verklaard hebben zal de verdoving intreden, zij zullen zich bij wijlen niet schamen om hun sluitspieren te laten verslappen, om te verbleken in hun gezicht, om te wauwelen en door het lint te gaan. Want het lichaam van deze mannen en vrouwen zál kapot gaan op deze zo moeilijk mogelijke weg door dit denkbeeldig Frankrijk, maar het kapotgaan zal kunde worden, wat niet zal gezegd kunnen worden van de velen die nog heel zijn en niets te betekenen hebben, en bij wie hun dood een samenvallen zal zijn van henzelf en hun oude betekenisloosheid.’

Wie in die periode zichtbaar zeer gelukkig was, was grootmoeder Maria. Ze had een onverklaarbare geestdrift opgemerkt bij haar jongste en reeds voor de vuilbak voorbestemde zoon. Iedere school waar hij zich ooit had ingeschreven had hem na een korte proeftijd buitengegooid. Werken deed hij niet, en deed hij het een zeldzame keer uit tergende geldnood toch, dan sloeg hij zijn werkgever in elkaar vanuit een zekere onvrede met de dingen die bij de ene mens al iets beter kan worden gekanaliseerd dan bij de andere. En nu, zo plots, dook hij de stal in om aardrijkskundige kaarten uit dik karton te zagen en kwam hij thuis met wielertruien. Haar jongen ging fietsen, en te oordelen naar het vuur in zijn ogen zou hij dat fietsen zodanig ernstig nemen dat hij spoedig de drank en de sigaretten zou verruilen voor een leven dat helemaal in het teken stond van de gezonde sport. De Heer had haar getart, veel gebeden had Hij haar laten prevelen om haar jongste de weg te wijzen naar het rechte pad. Maar Hij had het gedaan. Waarvoor dank.

De hele wedstrijd zou worden gereden in een caravan in de tuin van Jowannekes ouderlijke huis. Het was de caravan waarin Jowannekes vader nog een schildersatelier had uitgebouwd om een bezigheid te hebben, en waarin hij zich enkele maanden voor de wedstrijd had opgeknoopt om geen bezigheden meer te moeten hebben. De kaart van Frankrijk en de pionnen lagen er in het midden van de triplex ruimte, geflankeerd door een scorebord, een chronometer, en een ijskast waarin de dranken op temperatuur werden gehouden. Kotsbakken waren niet voorzien, de tuin was groot genoeg en Jowannekes moeder was op vakantie en bevond zich nog zeker tot de laatste etappe op het strand van Benidorm.

In de middag van een zomaar tweede juli vertrok onze Potrel met zijn drie truien onder de arm, op een gestolen maar helaas volledig verroeste damesfiets naar de start van zijn eerste rit in de Tour de France. De proloog. Een korte tijdrit over drie pilsjes, niets om wakker van te liggen. Ad fundum was een kwestie van techniek, je moest gewoon het trucje onder de knie hebben om je keel volledig open te zetten. En dat kon onze Potrel. Dus moest hij het ook drie keer na elkaar kunnen. Een verlengde sprint was helemaal iets voor hem, en het verbaasde dan ook niemand dat hij deze proloog afsloot in het gele maillot. Het was nog te vroeg om daar conclusies uit te trekken, dat begreep hij zelf als geen ander. De verschillen waren minder dan een seconde. Maar toch. Toch zag je die flikkering in zijn ogen toen hij ’s avonds in zijn gele trui aan tafel verscheen (gehakt met tomaten en ajuin), en je voelde dat het pijn ging doen wanneer hij die trui ’s anderendaags zou moeten afstaan aan een ander. Aan Dikke Zulma misschien; zij was een diesel, begon pas dorst te krijgen als ze een ganse emmer binnen had.

Onze Herman vond dat onze Potrel er belachelijk bijzat aan tafel, zo in die gele trui, maar met zijn gevoel voor esthetiek zal dat niets te maken hebben gehad.

‘Awel, Eddy Merckx, ik zie dat ge goed gereden hebt. Ge hebt toch geen doping gepakt? Al in het potje moeten pissen?’

‘Gij zijt jaloers gij. Ge durft niet meedoen dus moet ge zwijgen. Gij zoudt nu al een uur op achterstand hebben gestaan.’

‘Herman, laat onze Potrel met rust. Hij is coureur aan het worden. Misschien zoudt gij ook beter wat aan sport doen in plaats van al uw geld aan de bazin van Het Hoekske te hangen.’

‘Ja, moe. Ge hebt ongetwijfeld gelijk, moe.’

‘Trek het u niet aan jongen, ik ben wreed content dat ge koerst. Echt waar.’

‘Merci, moe. Ik zie u ook graag.’

De ernst van deze wedstrijd bleek uit het feit dat onze Potrel die avond vroeg ging slapen, bekommerd om zijn frisheid. Morgen wachtte hem een eerste test, een rit van Amiens naar Chartres, 195 kilometer oftewel 39 glazen drank. Machtsverhoudingen zouden daar nog niet uit blijken, daarvoor was de rit te vlak, maar je zou wel meteen aanvoelen of je zo’n afstand aankon en het was nu al af te raden om een te grote achterstand op te lopen. Slechts twee verwaarloosbare klimmetjes waren er, zij dienden overbrugd te worden door het drinken van telkens een trappistenbier met een alcoholpercentage van 10 procent. Wie het eerst zijn trappistenbieren op had zou overmorgen starten in de bolletjestrui, de enige trui met ballen, maar onze Potrel betwijfelde het of hij zijn ambities op dat vlak moest richten. De groene trui leek meer iets voor hem. Type Freddy Maertens. Er was een bonificatiesprint na twintig pilsjes, en nog een na de zevenentwintigste pils. Die moest hij zien te winnen. En voorts: ervoor zorgen dat hij de koers uitreed. Want dat was de regel, wie zijn etappe niet volledig uitreed mocht ’s anderendaags uiteraard niet meer aan de start verschijnen.

Het startschot werd gegeven om tien uur ’s ochtends, het uur waarop onze postbodes reeds van hun fiets vielen. En het verloop had iets van een echte wielerwedstrijd. Iedereen keuvelde in de aanvang van de strijd gezellig met elkaar tijdens het drinken van een glas, in de steeds dichtere mist van sigarettenrook, begreep dat het nog lang was, en verborg zich in het pak. Achttien mensen, tegen mekaar geplakt in die caravan. Na tien pilsen, die nog voor geen enkele afscheiding hadden gezorgd, begon het heen en weer geloop tussen de caravan en de boomgaard, om te pissen. Nog 29 glazen bier te gaan, je moest zot zijn om van hier een solonummertje te beginnen tot aan de streep. De eerste tragedie in de geschiedenis van de Tour de France (édition Potreloise) speelde zich af bij het veertiende glas. Wilfried, nochtans geboortig uit een familie Duitsgezinden en logischerwijs een bierdrinker van natuur en filosofie, tuimelde opeens van zijn stoel en raakte daar slechts met de grootste moeite weer op. Over zijn volgende pils deed hij meer dan een uur, met aandoenlijk kleine slokjes, net een kind dat leerde drinken. En uiteindelijk gaf hij verstandig op. Er was nog zeventien man in koers, en al iets meer ruimte in de caravan. Deze zo goed als biljartvlakke en relatief korte wedstrijd zou in ieder geval al de amateurs onderuit halen. Hoeveel ritten waren er nodig om te weten wie met wie rekening moest houden? Op het ogenblik dat Wilfried naar huis strompelde beloerden de zelfverklaarde pretendenten naar de groene trui elkaar. Voor de eerste vijf viel er na pils nummer twintig een handvol bonificatiepunten te verdelen, maar wanneer trok je de sprint aan? Vanaf waar dronk je een aantal ad fundums na elkaar? En herstelde je vlot van zo’n inspanning? Kreeg je de rekening over vijftien kilometer gepresenteerd, wanneer de eerste beklimming eraan kwam?

Onze Potrel plaatste een snedige demarrage bij zijn achttiende pils, pakte het maximum van de punten bij de tussenspurt, en hield daarna bij manier van spreken weer zijn benen stil. Hij reed virtueel in het groen, daar was het hem voorlopig om te doen.

Dit hele eerste gedeelte kon men gerust als opwarming beschouwen, het betekende niets met wat er in de komende dagen nog op het programma stond, en toch was de stemming al bezopener geworden. Lachbuien volgden elkaar op, de strijd werd zo nu en dan verlicht met het inzetten van een of ander wreed schunnig lied, en steeds minder nam men de moeite om helemaal tot achteraan in de tuin te gaan om te zeiken maar haalde men zijn gerief uit de gulp tegen het triplex en de wielen van de caravan. Met uitzondering van Dikke Zulma, die zich voornam vanaf de volgende rit haar pispot mee te brengen.

Een bak bier! Hoeveel mensen kunnen dat zeggen, dat ze een ganse bak bier hebben gedronken tussen twee maaltijden door? Het komt wel eens voor, op een huwelijksfeest of na een echtscheiding. Maar men is er dagenlang niet goed van. Hier hadden ze hun bak bier binnen, en moest de wedstrijd nog openbarsten. Bij het eerste trappistenbier schoot Kurt naar voren, de zoon van de steenbakker, ook een genetisch bepaalde dronkelap. Heel even is er in het peloton naar elkaar gekeken, maar men heeft hem laten rijden. Hij had de dagwinst met twintig minuten voorsprong op zak, alsook een fenomenaal stuk in zijn kloten.

‘Het Idee…’ schreef Dino Buzzati na een rit in de Giro d’Italia, en Idee stond daar niet zomaar met een hoofdletter. ‘Uitsluitend voor het Idee beulen de renners zich af, ook als ze geld zat hebben. En het is het Idee en niets anders waarvoor de menigten toestromen langs de kant van de weg. Hij gelooft niet in geld, gelooft niet belangen, gelooft zelfs niet in spieren. Het is de Geest, zegt hij, enkel de macht van de Geest waardoor de wielen draaien, de Falzarego of de Pordoi beklommen en de records geslagen worden.’

Ook onze Potrel had een stuk in zijn kloten, voor het Idee. Negenendertig glazen alcohol, koekoek, je steekt dat niet zomaar weg. Maar hij had zijn groene trui om de schouders, een opsteker. Lijkbleek en met een ringbaardje van opgedroogde kots rond zijn lippen nam hij die avond plaats aan tafel, waar de geur van varkensgebraad en bloemkolen in Hollandse kaassaus hem bijna te machtig werd.

Zijn moeder had met hem te doen.

‘Ge overdrijft, jongen. Dat is ook niet goed. Hoeveel kilometers hebt ge vandaag gereden?’

‘195!’

‘Wablieft? 195? Zoals ik u zeg, jongen: ge overdrijft! Ik heb u in geen jaren aan sport weten doen, ineens hebt ge die microbe te pakken en vlamt ge direct 195 kilometer bij elkaar. Ge moet dat langzaam opbouwen volgens mij. En dat dan nog op die verroeste vélo van u.’

Toen onze Potrel ’s anderendaags half bewusteloos terugkeerde van de derde rit, die hij pas in de laatste bocht verloor, stond er thuis een fonkelnieuwe koersfiets op hem te wachten. Een cadeautje van zijn moeder, omdat ze het zo waardeerde dat hij eindelijk zijn leven verbeterde. Die dingen kostten een fortuin, we hadden ze al zien staan in de etalage van de fietsverkoper in de Schoolstraat en de prijzen ervan hadden ons mensonterend geleken. Wielrennen mocht dan wel een volkssport worden genoemd, maar wij moesten er niet aan denken om ons een koersfiets aan te schaffen. En ineens stond daar zo’n fiets. Een blauwe Colnago met een prachtig gebogen stuurstang, de hoorns van een bronstige ram. Een versnellingsapparaat om u tegen te zeggen. Pedalen met een kliksysteem. Remblokjes van het nieuwste type. Het zadel gevuld met een verzachtende gel tegen de steenpuisten. Wij wisten hoe klein haar pensioentje was. Wij wisten hoe wij lang voor het eind van elke maand haar pensioentje opgezopen kregen. En wij wisten dat zij voor de aanschaf van deze fiets stiekem iets in pand had moeten geven, misschien wel de juwelen die zij van haar vroeg gestorven moeder had geërfd en waaraan ze was gehecht als betroffen die juwelen haar moeder zélf. En het hield niet op met die fiets.

‘Kijk eens wat ik nog voor je heb!’

Een drinkbus. Die had ze er gratis bij gekregen.

En bij het zien van de drinkbus holde onze Potrel linea recta naar de wc, het was immers een lastige rit geweest.

Bij drie bruistabletten tegen de onpasselijkheid dacht onze Potrel na over zijn Ronde. Ritwinst zou er nog in zitten, een paar keer zelfs, en net voor Parijs was er nog een tijdrit over zestig kilometer die hem niet mocht ontglippen. Maar hij moest die verdomde bergen over. Het meest nog maakte hij zich zorgen om die Hell’s Angel. Die kerel was een spons. Je zag hem nooit ambitieus zuipen, nooit te overhaast, maar hij zoop wel de hele tijd rustig door zonder een teken van dronkenschap te vertonen. Na iedere rit was hij bloednuchter op zijn motor gesprongen en doodleuk terug naar Oostende gereden, als was hij eventjes naar de winkel om biologische groentjes geweest. Geen enkele trui interesseerde hem blijkbaar, dat hele puntengedoe kon hem gestolen worden. Maar het zag er wel naar uit dat hij zo fris als een hoentje, en misschien wel als enige, de Champs Elysées ging oprijden. Als onze Potrel de bergen overwon zag hij een kans om zijn groene trui te behouden en misschien zelfs het geel te veroveren. Dikke Zulma had nog nooit whisky gedronken, nog geen drup in gans haar bezopen bestaan, zelfs niet in een praline. Dus de kans was groot dat zij er in de Pyreneeën werd afgereden. Kurt had indruk gemaakt in het begin, maar sloeg inmiddels al geel uit wegens een heel te gans overbelaste lever. Hij zou het misschien nog kunnen rekken tot aan de voet van de Alpen, maar daarna zou hij in elkaar zakken als hij nog één meter verder reed. Al was ook dat maar een inschatting. Onze Potrel lustte het wel, whisky. Het is te zeggen: hij kreeg het in zijn strot zoals hij gedroogde vijgen en olijven in zijn strot kreeg, maar van harte was het niet.

De zone van de waarheid naderde, de verzonnen bergen kartelden de kim, de cols van tweede en derde categorie stonden te wachten op het spektakel. De rit naar Mourenx, over de toppen van de Aubisque en de Tourmalet. Een vlakke aanloop van drie pilsjes. Daarna een moeilijke zone van zeven glazen wijn. Witte of rode, men mocht kiezen. En dan begon het. Een glas tequila, een duim mezcal, en een halve fles whisky. In de afdaling vier glazen water en een half glas melk om het land te kloten en dan, aankomst bergop: de andere helft van de fles whisky. Al bij al een korte rit, de eerlijkheid gebiedt ons dat te zeggen. Maar wat voor één.

Toen de nog twaalf overblijvers die ochtend de caravan betraden begrepen zij dat de agenda lag opengeslagen op een historische dag. Het hele terrein stonk al heftig naar de zeik en de eau de javel waarmee Jowanneke de wielen van de caravan tevergeefs had proberen te bevrijden van het braaksel. Diezelfde braaklucht hing ook ín de caravan, en de nicotine droop er inmiddels van het plastic plafond. Alle elementen waren in de juiste dosis aanwezig om geschiedenis te schrijven.

Het Idee…

Niemand weet wat onze Potrel die ochtend om tien uur bezield heeft om als een bezetene uit de startblokken te schieten. Tot die dag had hij zijn wedstrijden altijd intelligent ingedeeld. Hij las de koers, zoals kenners plegen te zeggen. Maar die ochtend reed hij als een opgefokte hengst de Aubisque op terwijl de andere renners (laten we nog even in de termen van een echte wielerwedstrijd spreken) nog rustig hun banaantjes zaten te pellen. Verlokt door de legende, begeesterd door het Idee. Of had hij zo’n hekel aan die whisky dat hij er niet vlug genoeg vanaf kon zijn? De prachtige koersfiets had hij diezelfde ochtend nog voor een schappelijk prijsje aan een louche ijzerhandelaar verkocht om er zijn ontzaglijke hoeveelheden drank mee te kunnen betalen. Misschien was het wel een ouderwets katholiek schuldgevoel dat hem nu in razende vaart naar de top van de Aubisque dreef, het besef dat het nu werkelijk niet meer geoorloofd zou zijn om zonder zege naar huis weer te keren. Er dreef ongeloof in de ogen van elkeen die dit zag. Het was bovenmenselijk. Het was zodanig bovenmenselijk dat het beestachtig werd. Dit was de alcoholische interpretatie van én Eddy Merckx én Fausto Coppi én Jacques Anquetil én Odile Defraeye én een of ander afgrijselijk monster tegelijk. Hij nam zelfs niet meer de tijd om buiten tegen de wand van de caravan te gaan pissen, zeikte gewoon in zijn broek om geen tijd te verliezen, dook naar beneden en maakte zich klaar om de Tourmalet te bestormen. Een ontketende Potrel. Er werd zelfs geen moeite meer gedaan in het peloton om de achtervolging op deze mefistofelische figuur in te zetten, neen, men nipte gelaten van de whisky en vroeg zich af of die maniak nog een tandje bij zou steken in zijn laatste veertig kilometer.

Het Idee…

Wij zaten thuis naar de verslaggeving van de echte Tour de France te kijken toen er werd aangebeld zonder een enkel spoor van dreiging. Grootmoeder had haar tanden in, allemaal, en dat moet een opluchting zijn geweest voor de politieman die haar de deur zag openmaken.

‘Gij weer? Als ge terug vragen hebt over mijn hart: ik leef al meer dan veertig jaar met een ingeplante varkensklep en ik ben daar beter mee af dan ik ooit was met mijn eigen klep. Vooruit, voor wat is het?’

‘Goedemiddag, mevrouw. Bent u de moeder van Karel Verhulst?’

Het was waar, soms vergaten we dat, onze Potrel heette Karel, maar we noemden hem al zo lang bij zijn koosnaam die hij ooit eens op een bouwwerf had verworven dat nauwelijks nog iemand wist dat hij eigenlijk Karel heette. Ik had geen nonkel Karel. Ik had een nonkel Potrel.

‘Onze Potrel, bedoelt ge?’

‘Zou ik even mogen binnenkomen, mevrouw?’

‘Zeg het maar aan de deur, meneer, dat zal ook wel lukken. Ik ben binnen aan het dweilen.’

De politieman drong niet langer aan, hij leerde snel.

‘Ik moet u spijtig genoeg meedelen dat uw zoon in zeer kritieke toestand is afgevoerd naar het hospitaal.’

‘Hebt gij het nu weer over de toestand van mijn jongens. Is er werkelijk niks anders waarmee gijluiden zich kunt bezig houden op het commissariaat? Kritiek, zegt ge? Kritiek? Houd uw kritiek maar voor uw eigen kinderen, als ge die hebt! Kijk eens hier, beste vriend, onze Karel heeft zijn leven gebeterd en is momenteel aan het koersen op zijn vélo.’

‘Ik vrees ervoor, mevrouw, uw zoon is een klein uurtje geleden weggebracht met een delirium tremens.’

‘Zijt ge daar nu weer met uw Latijn. Dat is altijd hetzelfde met u. Als gij per se Latijn wilt spreken dan moet ge maar sigaren gaan roken met de pastoor, hij zal content zijn van u eens te zien. Keert naar hier maar eens terug als ge mensentaal hebt leren spreken want ik heb geen goesting om nog vijf tellen naar uw gezever te luisteren.’

En ze smeet de deur dicht.





Alleen de allenen


We wisten dat die deurw