Main Godverdomse dagen op een godverdomse bol

Godverdomse dagen op een godverdomse bol

0 / 0
How much do you like this book?
What’s the quality of the file?
Download the book for quality assessment
What’s the quality of the downloaded files?
Beschrijving
Dimitri Verhulst presenteert u de geschiedenis van de mensheid in minder dan tweehonderd pagina's, in een oerknal van taal. Vanaf het moment dat we uit het water kwamen gekropen en op twee benen gingen lopen tot en met de jaren dat we elkaar naar de andere wereld zijn gaan bombarderen. Evolutie als bildungsroman.



Recensie(s)
NBD|Biblion recensie
Gebonden editie van de in september 2008 gratis bij het blad Humo verspreide tekst. De titel is even slikken, maar daarna krijg je de geschiedenis van de mensheid in spetterend proza in een kleine 200 pagina's gepresenteerd. Personages zijn er niet echt in deze roman. Centraal staat 't, wat staat voor de mens in zijn algemeenheid. Pijlsnel wordt de lezer meegezogen, vanaf het op vaste wal kruipen van de mens, door momenten uit de geschiedenis, die - zonder al te veel verwijzingen - gemakkelijk te herkennen zijn, tot het nu. Een uiterst misantropisch wereldbeeld dat de Vlaamse schrijver (1970) de lezer voorhoudt. De mens staat, ook in latere ontwikkelingsmomenten, maar al te dicht bij de dieren; van hem is weinig goeds te verwachten. Verhulst heeft een ongemakkelijk geschreven. Eerder viel hij op met o.a. 'De helaasheid der dingen' en 'Mevrouw Verona daalt de heuvel af'. De roman is origineel qua invalshoek en wordt bij voortduring bijeengehouden door grotesk en bewonderenswaardig stijlvuurwerk. Vrij kleine druk.

(NBD|Biblion recensie, Jos Radstake)
Publisher:
Uitgeverij Contact
Language:
dutch
File:
EPUB, 204 KB
Download (epub, 204 KB)
0 comments
 

To post a review, please sign in or sign up
You can write a book review and share your experiences. Other readers will always be interested in your opinion of the books you've read. Whether you've loved the book or not, if you give your honest and detailed thoughts then people will find new books that are right for them.
1

De helaasheid der dingen

Year:
2009
Language:
dutch
File:
EPUB, 301 KB
0 / 0
2

De laatste liefde van mijn moeder

Language:
dutch
File:
EPUB, 579 KB
0 / 0
Godverdomse dagen op

een godverdomse bol





Godverdomse dagen op een godverdomse bol

is een gratis bijlage bij HUMO 3551 (23 september 2008)

en mag niet afzonderlijk verkocht worden.

Deze uitgave kwam tot stand in opdracht van

Sanoma Magazines Belgium.





DIMITRI VERHULST





Godverdomse dagen op

een godverdomse bol





2008





Van Dimitri Verhulst verschenen eerder:

De kamer hiernaast (1999)

Niets, niemand en redelijk stil (2000)

Liefde, tenzij anders vermeld (2001)

De verveling van de keeper (2002)

Problemski Hotel (2003)

Dinsdagland. Schetsen van België (2004)

De helaasheid der dingen (2006)

Mevrouw Verona daalt de heuvel af (2006)





© 2008 Dimitri Verhulst

Omslagontwerp en vormgeving binnenwerk Suzan Beijer

Afbeelding omslag Goos Bronkhorst

Foto auteur Nathalie De Clercq





Gedenken wij in onze boeken de mens, die zich als

een kwaadaardig virus voortplant in totale suprematie

over alles wat leeft en eens geleefd heeft en nooit

meer zal terugkomen.



L.H. WIENER





Alle begin is moeilijk. Kijk maar. ’t Kruipt uit het water zonder om te zien. ’t Zou nog een laatste blik kunnen werpen op de oceanen, heimwee voelen uit eerbied, maar dat doet ’t niet. ’t Heeft er namelijk genoeg van te moeten kruipen over de zandbodems der wateren, genoeg van de eikelwormen en de pijlwormen en de chordadieren en de manteldieren en de koplozen waarmee ’t zoveel eeuwen de zeeën heeft gedeeld. ’t Zegt saluut tegen de kwastvinnigen, de mosselen en de schollen, vaarwel tegen de knorhanen, de alen en de brasems, ’t wil van geen samenleven meer weten met de zalmen en de karpers. ’t Doet de groeten aan de rietvoorn en ’t wenst ook de baarzen nog het beste, maar ’t kan niet meer weerstaan aan de veelbelovendheid van z’n bestaan en verlaat het sop. Wel toe, ’t schijt nog een laatste keer hevig in de zee, zijn symbolisch geladen manier om een beslissing te onderstrepen, legt zich te druipen en te drogen waar de parelgierst vlot kiemt en trekt dan de rimboe in om er zich te vormen tot een bekijkelijk ; monster met dikke knokkels, talgklieren, een hele eind darmen en een speklaag. En haar, wreed veel haar van onder tot boven waarin de vlooien en de teken simpel overleven door hun gastheer jeuk te bezorgen, zodat die moet krabben tot zijn vel aan vodden hangt en zij kunnen zuipen van zijn bloed.

Hoe laat is het?


Vroeg, het is nog vroeg. Vroeger is welhaast onmogelijk. De dag is jong en wel en niets staat vast. En wanneer het weer dan eindelijk wat zachter wordt, verlaat ’t op zijn gemak de vochtige donkerte van het tropische regenwoud en sluipt ’t over de vlakten, in en uit de bomen van de savannen.

’t Heeft zich, als zovelen die het water ontwijdden en verlieten, verdeeld in houders van kloten en dragers van spleten. Maar ’t is, met uitzondering van een voor de rest niet ter zake doende bonobo, het enige schepsel en zal ook het enige schepsel blijven waarbij de reu de teef langs de voorkant neemt en volpompt met een nageslacht; zo kan de reu de haat en de angst zien op het ruwe smoelwerk van de teef, de aversie, de walging. ’t Paart in de stank van elkanders tanden, de ene met de andere en de ander na de één. Want veel is er niet te doen. Bessen vreten en wroeten in de aarde op zoek naar zeggewortels om op te sabbelen. ’t Likt plassen droog, kraakt noten, en laat af en toe zijn muil vol mieren lopen: heerlijke termieten die ’t op een tak wist te verzamelen, sappig en rijk aan vitamines. Dat doet ’t. Dat en jodelen naar de maan, uit zottigheid. O, hoe heerlijk uit het water te zijn gekropen, waar men onachtzaam kuit schoot, slijmen in het rond spoot of wat cellen deelde om de leegten dezer wereld op te vullen. En hoe heerlijk om dit alles te overpeinzen voor ’t slaap vat in de bomen, in vrede met zichzelf en het gevogelte.


Maar het wordt warm. Te warm. De vruchten verdrogen en de bomen worden arm. Onder het zenit zet de hitte zich vast op zijn pels. Z’n rug lijkt wel te verschroeien. En om zich klein te maken voor de zon richt ’t zich op. De snoodaard. Ziezo. Er zijn nu alleen nog z’n kop en zijn schouders die ’t offert aan de zon, maar de rest van zijn lijf hoeft niet meer te blakeren. Kijk, zonder handen! ’t Stapt op zijn achterpoten! ’t Kan vruchten plukken en in zijn neus peuteren zonder daarvoor zijn stap te moeten onderbreken. Hoe koddig. Honderd en twintig centimeter groot is ’t daarmee, genoeg om over de grassen der savannen te kijken.

In zijn halvelings kokende kop schuilt, behalve hier en daar wat snot, een 650 kubieke centimeter metende drek: hersenen, beveelheren van het neuken en het vreten. 650 kubieke centimeter pure levensvreugd, dat volume zou, jawel, zelfs nog wat groter mogen worden. Gaat dat?

Maar er is niks om te bikken en de teven zitten vol of hebben kleintjes aan hun spenen hangen, hetgeen hen lusteloos en onvruchtbaar maakt. Als de melkproductie van de wijfjes niet wordt afgebroken laten ze zich niet bespringen, zo simpel is het. En dus zit er maar één ding op: de kleintjes de kop in slaan. Infanticide! Zie de uitgelatenheid waarmee het paar dagen oude, nog onder de baarmoederslijmen zittende schepsel bij de achterpoten wordt gepakt en met zijn hoofd tegen de stenen gesmakt. Het bloed gutst alle kanten op, de stront pruttelt eruit bij wijze van overlijdensact. Kindje dood. Eindelijk kan ’t zijn achtentwintig kilogrammen op de moeder smijten, zijn putlucht in haar tronie hijgen naast het lijk waar zij maar blíjft naar kijken. Maar, als dat een troost mag zijn, lang hoeft de teef niet op haar tanden te bijten: ’t kreeg reeds een stijve van het moorden en ’t bezit geen woorden om zijn smeerlapperijen eerst nog wat te verpakken in hofmakerij. Erin en eruit en gedaan. Dat is vooral veel tijd bespaard. Veel tijd, en veel gezeik.


En dan nu: eten! Maar wat? Er is niks te rapen in deze gore droogte en de honger is te groot om geduldig wat te scharten in de aarde naar een wortel. Het gras is rost en wordt meteen weer uitgekotst. ’t Heeft daar de maag niet voor. Ziet ’t er soms uit als een herkauwer, misschien? Vlees moet ’t hebben, er is geen andere keus! En ’t staart naar de lucht, zijn ogen doen er zeer van, en ziet de gieren schietvizieren cirkelen in het blauw dat zij beheersen. Dáár zou ’t moeten zijn. Maar ’t komt te laat. De karkassen zijn verwerkt, de vetten van de dode reeds door de vogels in vlieguren omgezet, en ’t moet zich tevreden stellen met het afval dat in de borstkas overblijft. Vuiligheid. ’t Grabbelt een stuk maag uit het karkas van wat daarnet nog een gnoe was, en zuigt het leeg. Het is vunzig maar het smaakt, als vele vunzigheden, naar meer. Is de hele maaginhoud leeg gelebberd en heeft ’t de smaak van bloed voor eeuwig op zijn lippen liggen, dan zou ’t zijn tanden willen zetten in het weinige vlees dat nog aan de beenderen bungelt. Want genoeg krijgt ’t hier nooit meer van, dat beseft ’t. Maar ’t heeft de geschikte muil niet voor dit soort voedsel; z’n tanden zijn niet geslepen om de pezen aan repen te scheuren en de grote loszittende lappen zijn te groot en te taai om ingeslikt te krijgen. Het lijk moet kapot, het moet helemaal vaneen voor de wormen het onsmakelijk maken. ’t Stampt en ’t springt op de botten, die knekels moeten absoluut knakken. Zonder resultaat. Maar ’t is vastbesloten, ’t heeft immers bloed geroken. Hier, zie, ’t pakt een steen en klopt daar mee. En wat blijkt? Wat blijkt? De botten breken en er zit nog wat lekkers in: merg. ’t Zuigt het op en is content.


Wat een moment: te hebben geneukt en gegeten. Alleen een dutje lijkt nu nog gepast. Terwijl de kleintjes rotten droomt ’t van zichzelf, keizerlijk pissend in een meer, de handen in de nek.

Maar helaas, het paradijs is voor een andere keer: de teven zijn het beu hun melk te geven aan iets dat enkele dagen later tegen een rots wordt stukgesmeten. Ze zijn het beu negen maanden in de hitte te waggelen met een buik die hen weerloos maakt, te moeten eten voor twee. Dus kruipt ’t nu op iedereen, de reu zowel als de teef. Een nieuwe onderbouwde tactiek Heersers en hoeren, tienduizend in getal, verspreid over alles wat bestaat. Te zeggen: ’t is met 0,006 per vierkante kilometer. En wat deze hoererij als voordeel heeft: ondertussen is ’t door al die concurrentiestrijd een zekere trots gaan ontwikkelen voor zijn eigen zaad, de macho. En aangezien ’t niet altijd weet of het zijn eigen nageslacht of dat van een ander in een puinhoop stampt, laat ’t het grut dus maar leven. Om op zeker te spelen. En de hoeren, het moet worden gezegd, ze zijn goed. Verdomme ja. Ze geven zich het makkelijkst aan wie het meeste biedt. Vlees. Vlees! Vlees voor vlees. Dus moeten die stenen van daarnet worden geperfectioneerd. Harder en scherper moeten ze, zodat ’t beter de botten kan breken. Zie eens hier, een schrabber! En daar, een priem, scherp en dodelijk. En ginds, een vuistbijl, zwaar, handig, een ideale verbrijzelaar. ’t Moet natuurlijk wel inventief zijn als ’t tenminste niet langer vrede wil nemen met het restafval dat anderen lieten liggen.

Eigenlijk zou ’t nu zélf wel eens iets willen vangen. Iets uit één stuk. En vers. ’t Zou bijvoorbeeld wel eens een nog lichtjes kloppend hart in zijn mond willen nemen, zodat het lijkt alsof ’t voor een beetje ook het leven zelve eet. Warme ingewanden, stel u voor. Een beest dat groot genoeg is om mee te nemen naar het basiskamp, zodat men iets kan geven aan een teefje of wie weet wel een brok aan álle teven.


Waar wacht ’t eigenlijk nog op? Hups, voor de dag ermee. Slaagkansen moeten er zijn, want het is tenslotte droog voor iedereen, voor de gazellen zowel als voor de reeën. Het is waar, die beesten lopen hard en zijn niet zomaar neer te leggen met een simpel stukje steen, maar ze blijven evenmin de meester van hun dorst en raken vroeg of laat eens uitgeput. Vandaar dat ’t heeft besloten te stappen. Doodgewoon te stappen achter zo’n beest en te blijven stappen achter steeds datzelfde beest. Een fluitje van een cent in deze open vlakten. Kijk, lang heeft ’t niet moeten wachten, daar loopt al iets. Wat is het? Een gnoe? Jaja, inderdaad, een gnoe, scheel van de dorst en op zoek naar een kreek, een smerig plasje, een druppel om te mogen oplikken. Het beest heeft zijn belagers in de gaten.

Maar geduld is een schone deugd, slechts rustig loopt ’t de vierpoter achterna, niet te snel, niet te voortvarend, gewoon, op het gemak. Met deze warmte ook. ’t Voelt kriebelingen in zijn vel. Adrenaline. ’t Voelt de komst van vreten en ’t voelt de goesting om te kezen. ’t Voelt werkelijk van alles dat hem in staat stelt om zijn eigen vermoeienissen te vergeten en te stappen in de richting die de gnoe ’t voorschrijft, steeds trager nu. Want de gnoe, ook de gnoe, raakt na uren en uren stappen moe. Dat was dan ook de bedoeling van dit gedoe. ’t Stapt nu niet meer maar gaat in lichte looppas op doel af, de zege is nabij. En als het beest merkt dat zijn gebrul meer als een noodkreet dan als iets afschrikwekkends klinkt en zich uiteindelijk verloren geeft, springt ’t op de gnoe. Met vijf tegelijk. ’t Klopt met die stenen op de zachte kop, ’t ramt de scherpste hoeken en kanten in de borst terwijl het beest spartelt en krijst. Er is nadien maar één geluid meer te horen op de hele wereld: het gesmikkel en het gesmul van dit vijftal. ’t Zet zijn gebit in de zachtste stukken. En vóór ’t de terugtocht aanvat slaat ’t nog rap de tanden uit het bakkes van het overwonnen beest, zomaar, als aandenken, als jachttrofee. Zeker weten, hiermee zal ’t de teven imponeren. ’t Schoudert zich met de overschotten van het karkas. Bij z’n terugkeer staat ’t dankbaarheid te wachten en vanavond verandert de vlakte in een groot en zacht matras. Als dat geen motivatie is.


Natuurlijk is dat motivatie. ’t Kapt en slijpt stenen, nauwkeuriger, zodat ze nu nog beter passen in zijn hand, zodat ze scherper zijn, dodelijker. En al kappende en slijpende springen de gensters eraf en, patat, het land vat vlam. ’t Heeft dit al wel ’ns eerder gezien, dat is een feit, en ’t was toen evenmin ongevoelig gebleven voor de woestheid van het vuur. Met iets van vertedering en evenveel van schrik had ’t gekeken hoe de bliksems de bomen spleten, waarna de hitte het licht was en het licht de hitte. Heel verwarrend allemaal. De beesten liepen ervan weg, allemaal om te rapper. Wat gemaakt was om te loeien loeide en wat moest krijsen krijste. En ’t keek ernaar, zoals ’t alleen nog maar had gekeken naar een plas water waarin ’t werd weerspiegeld, vol bewondering, en had tenslotte toch ook maar de benen genomen, voor het zekerste.

Macht, iets anders had ’t niet in dat vuur kunnen zien, want waarlijk niets ontzag dat en wat toch nog werd ontzien sloeg ervoor op de loop. En nu, nu maakt ’t zelf die macht. Twee blokken silex tegen malkander ketsen kan volstaan om de leeuwen ’s nachts op een afstand te houden. Er zijn wel een paar motten en muggen die zich niet laten intimideren door het vuur, maar ze zijn er vet mee, met hun onbevreesdheid. Of is het dezelfde aantrekking die zij voor dit alles voelen en geven zij daar vervolgens zoveel gehoor aan dat ze de vlammen in vliegen om er nooit meer uit te komen?

Dat stelt ’t in de gelegenheid eens een geroosterde vlinder in de mond te steken, niet zozeer uit honger maar voor het plezier van het vreten. En uit curiositeit. Het lijfje van het dier voelt prettig op de tong, warm, en als ’t zijn tanden erin zet en de pus van de mot tot tegen zijn verhemelte voelt spatten, is ’t ervan overtuigd dat ’t niets kan mispeuteren door de meest pezige brokken van het slachtafval op het vuur te gooien. Die geur, jongens! Die geur! Het water komt ervan in z’n mond. Veel, veel zachter is nu zijn portie vlees, en beter wordt het verteerd. Dat ’t niet eerder op de gedachte is gekomen om het water uit te kruipen en op twee poten te lopen! ’t Zit daar, majesteitelijk, met zijn allen rond dat vuur en ’t vergeet daarbij de pijnen die ’t bij de jacht heeft opgelopen, ja, ’t vergeet de kloppingen in zijn kiezen en de krampen in zijn buik. ’t Kijkt naar dat vuur en neemt daar vrede mee. ’t Luistert naar het geknisper van droge takken en laat zijn gedachten afdwalen naar ergens waar ’t van zijn leven nog geraken wil, de maan misschien. Zot!


Gezellig. Knus. Ware het niet dat iedereen nog altijd op elkander kruipt en ’t iets voelt opkomen te doen bij een soortgenoot wat ’t eerder met de beesten deed. Iets met scherpe stenen en veel bloed. Want ’t zou zo graag duidelijk maken dat ze van dat ene teefje moeten afblijven, ’t ziet haar graag, en ’t verdraagt het niet haar met de groep te moeten delen. En de teven, o droeve deernis, ze maken soms precies hetzelfde mee: ze grommen als ze hun geliefde stoere bonk een andere zien dekken maar veel bereikt ’t daar niet mee, met dat gegrom. ’t Moet iets hebben, iets om zich mee uit te drukken. Iets waarmee ’t klaar en duidelijk kan stellen: ‘Met uw poten van dat lijf want alles wat daar hangt aan borst en bil en lip en alles wat aan dat lichaam lilt en trilt, is bezit! Van mij!’ Juist, iets waarmee ’t zich kan uitdrukken, want ’t kan het zich niet veroorloven om ganser dagen op elkaar te slaan, ze hebben elkaar nog te zeer nodig om groot wild te stropen.

En daarmee ontwikkelt ’t iets dat niets of niemand anders in die mate heeft: oogwit! Veel oogwit. Dat vergemakkelijkt het om te spreken met een blik. Angst, verliefdheid, woede, goesting, jaloezie… het zit er allemaal in, in dat wit. Wat een gemak. Te kunnen lonken naar een ander. En aangezien ’t elkaar nu zo goed verstaat heeft ’t begrepen dat het beter is voor de goede verstandhouding om een beetje selectiever te paren. ’t Glijdt niet meer van het ene lijf om direct weer op het andere te kruipen, of dan toch niet zo dat het opvalt.

’t Maakt zwanger, dat natuurlijk; moedertjes van twaalf jaar, en ’t blijft bij elkaar tot de kleine op zijn eigen benen staat en iets vastigs tussen de tanden neemt.

Met succes, want hun aantallen groeien. Per tien vierkante kilometer telt de soort één afgevaardigde en het eten wordt dan ook schaars. Vogelen, dat staat buiten discussie, er is plezier aan te beleven. Maar gans dat nest eten moeten geven is weer een andere zaak, er is verdomme maar om vijf kilo vlees op een hectare bij elkaar te slaan. Er moet uitgeweken worden, niets aan te doen. De wereld is groot, er is genoeg voor iedereen, het kan niet op.

Waarom zou ’t dan op een hoop blijven zitten en honger lijden? ’t Zwermt uit, de ene na de andere, een beetje per keer, een kilometer per generatie. De eerste groepen verlaten de boorden van de vertrouwde rivier, ’t trekt door de valleien, ’t kleffert op en over flanken, ’t zoekt eten hier en liefde daar. Onmerkbaar bijna, en zonder dat ’t het weet van elkaar, heeft ’t de grootste lappen van de aarde opgezadeld met zichzelf. ’t Heerst, z’n stempel is overal gezet. Zo kan dat inderdaad worden bekeken. ’t Heerst, maar naar z’n gevoel nog niet genoeg.


Onderweg is ’t in de woestijnen grote plukken haar verloren en heeft ’t geleerd om te zweten in plaats van te hijgen om alle warmte uit dat godverdomde lijf te krijgen.

En die droogte blijft maar duren. De warmte, tot daaraan toe, die is zelfs een ietsiepietsie aan het afnemen, maar de droogte is gebleven.

Hoe laat is het?


Tiens, wat is dat toch wat ’t daar al heel de tijd voelt gek doen in z’n keel?

Het strottenhoofd, het zakt gestaag naar beneden, zit ineens een heel eind dieper in zijn keel. ’t Kan er geluiden mee maken, oe-oe-oe en a-a-a. Maar dat kan iedereen. ’t Kan echter ook u-i-u en troelala. Da’s al moeilijker. Of, euh, kwotito en toenkoeba. Haha. Bwong bwong pong. Kiki flipi. Hé, hoe plezant. Maak dat nu mee. De keelholte is langer geworden, dát is de verklaring, en met de tong kan ’t nu een richting aan die klanken geven. Een kleine demonstratie: oufti. Alstublieft, een schone syllabe of twee. Dit zijn voorzeker de vrolijkste dagen uit het logboek van de wereld, want alles is nog onbenoemd en iemand, ’t, wie anders, moet dit alles nog zijn woorden geven. Beest. Boom. Water. Mos. Het kan niet op; alles maar dan ook alles mag een naam worden opgekleefd. Hemel. Grond. Maan. Vogel. Vuur. Put. Vos. ’s Avonds zit ’t samen en vergadert ’t over de namen die nog over de wereld moeten worden verdeeld. En er wijst er eentje naar een steen en hij probeert het woordje ‘steen’. Klinkt niet slecht. De anderen knikken, of neen, ze knikken niet, ze hebben al de woorden ‘ja’ en ‘neen’, ze zeggen ‘ja, steen past wel bij dat ding’, en steen zal het zijn. Gedaan met blaffen en brullen, tenzij zo af en toe een keer, want ’t ondervindt meteen ook dat al die woorden soms ook vreselijk tekort kunnen schieten. Maar voor de rest: ’t spreekt, doch het lonken krijgt het uiteraard niet meer afgeleerd.


Komt ’t elkaar voortaan tegen in de bossen, dan kan ’t iets zeggen. Iets als: ‘Koud vandaag, nietwaar.’

En het zal wel zijn dat het koud is, het zal er niet direct beter op worden. In het noorden houdt een ijslaag al het water op. Ze slokt het op, vriest het in, waardoor de ijslaag alsmaar groter en het zuiden alsmaar droger wordt. Sommige eilanden zijn diepgevroren, tot dertig graden onder nul. De woestijnen breiden uit, de zeeën zakken, en de diepe binnenlanden worden herschapen in één groot steppeland vol smakelijke mammoeten, dat laatste moet eerlijkheidshalve toch ook gezegd. ’t Zou zweren dat de wereld zich heel eenvoudig wreekt op het feit dat ’t nu het vuur beheert. ’t Zou zijn haar terug willen, en omdat het niet vanzelf terugkeert zit er weinig anders op dan het af te nemen van de beesten. Ach, ze zijn zo nuttig. Hun vlees om op te eten en hun vel om zich mee aan te kleden.

’t Trekt en ’t scheurt de vachten aan repen, de klodders bloed en slijm hangen er nog aan. Over enkele dagen beginnen die kleren langs de binnenkant allicht te rotten, steken de mouwen vol wormen, maar daar zal iets aan kunnen worden gedaan. Op termijn. Eerst eens denken, en ondertussen genieten van de lichaamswarmte van een ander. Nou ja, genieten… ’t Kraakt langs alle kanten, van de reuma. De muggen mogen hun macht graag etaleren; ze waren als geesten over de vlakten en brengen gezoem en een hoop malaria voort.

’t Is erop voorzien om veertig jaar te worden, vijfhonderd volle manen ongeveer, en dan te creperen als een overgrootouder. Maar nu gaat ’t meestal al kapot op de leeftijd van vijftien, afgepeigerd, uitgeblust, de botten vol breuken en de wonden vol pus. Zo wordt ’t in een put gesmeten, want die mode heeft ’t zich nu aangemeten, om zijn lijken in de grond te stampen, soms rechtstaand, soms liggend. De dood is net iets té alomtegenwoordig om er geen besef van te krijgen. ’t Slaat kraters in de hard bevroren aarde, hondenlabeur, en laat er zijn dode naasten in neer, samen met enige beestentanden en, als die te vinden zijn, enkele bloemetjes: een zomertauri, een kruisbes of een heemst. Links staat er één te bleiten, en rechts staat er één te lachen aangezien er een weduwe beschikbaar wordt. Is de put dichtgesmeten, dan is de dode alreeds vergeten en sjeest ’t verder op het spoor van de evolutie.


Euh, hoe zit dat daar ondertussen met die taal? Zijn er nog woorden om aan de dingen te geven?

Het houdt niet op, want als het tastbare is te benoemen, dan moet ook het ontastbare bespreekbaar kunnen zijn. Liefde. Honger. Haat. Moeite. Weerzin. Slaap. Het ziet ernaar uit dat de wereld nog niet volledig zal zijn benoemd als hij naar de knoppen gaat, zoveel is er om een naam op te plakken, en zoveel komt er alle dagen bij. Dit hier? Wat is dat? En ’t kijkt ernaar, tastend met de tong naar taal, en de maker van zoveel nieuwerwetsheid krijgt het eerste woord en zegt: ‘speer’.

Speer, dus.

Beesten worden voortaan niet meer doodgeklopt, maar doodgestoken. Een hele verbetering, ook voor de prooi. En aangezien het vriest blijven de kadavers langer vers en hoeft er niet zo vaak meer te worden gejaagd. ’t Heeft nu meer tijd voor elkaar, en voor zichzelf. Cocoontijd. Een eigen grot, een plek onder de zon. Zodoende zit ’t daar samen, in die spelonk, te niezen en te rochelen, rond het haardvuur waarin ’t zolang kan staren dat zijn gedachten met hem op de loop gaan, zodat er soms ineens één begint te zingen Zinge Ja Ja Joepie Joepie Jei, en de anderen in de handen klappen. ’t Pakt een stok en klopt ermee op de grond of tegen een stuk rots, voor het plezier van de ritmiek. Zingen, het is waar, dat doet ’t graag. Begonnen is het allemaal toen het ijsveld nog in opmars was en er één in de bossen zat te flippen nadat hij per malheur een giftige paddenstoel had opgeschrokt. Het geluk dat die uitstraalde was zo eenvoudig maar oprecht dat anderen zich erdoor lieten meeslepen en meezongen. Daar is nu veel tijd voor, er is immers een voedseloverschot.


’t Bedenkt het woord ‘verveling’. De reuen hebben er in feite nog het meest last van want hun spenen blijken nutteloos, niemand slabbert eraan, ’t heeft niemand te behagen. ’t Verliest stilaan ook bewondering van de teven aangezien ze minder vaak op jacht gaan en hun macht nog zeldzaam kunnen demonstreren.

Eén stapelt er een hoopje stenen op elkaar, hoog genoeg opdat ’t het plafond kan raken met zijn handen. ’t Doopt zijn vingers in de rode oker en trekt een streep op één der wanden van zijn hol. En nog een streep, en nog één. ’t Is eerlijk gezegd amper te geloven dat ’t voor het eerst al deze strepen trekt, want het resultaat is welhaast te perfect. Streep na streep na streep wordt duidelijker dat ’t een buffel op de rotsen tekent, in profiel. Een jachttafereel, zo te zien, want een paar van die hypermoderne speren steken in het beest. ‘Artiest,’ zegt een teef, want het is waar dat de teven gaarne tetteren en dus de grootste bijdrage aan de grammatica leveren. ‘Artiest’, en ’t kan maar moeilijk een diepe bewondering wegmoffelen. ’t Heeft iets uit niets gemaakt en zonder nut. Een okeren buffel, bijgod. En de jagers, zij lachen. ‘Ge moogt gij zoveel buffels op die wanden tekenen als ge wilt, veel vlees zullen ze u niet geven.’ En ook: ‘Hadden wij voor u geen echte buffel plat gelegd, ge hadt niet moeten beginnen aan uw tekening.’

Oeps, ’t is uit zijn rol gestapt; een zonderling heeft bewezen dat er meer is in het leven dan alleen maar vreten, dat er ook respect is af te dwingen door uit te blinken in een onnozelheid. De profiteur. De parasiet.

Schone tekening of niet, ’t kan er niet naar blijven gapen, de troep heeft de grot te verlaten: de reeën achterna die in kudden tegelijk andere oorden opzoeken. Hups, erachteraan! De vrieskou in!

De beesten, ach ja, ’t denkt erover te kunnen heersen. ’t Is in staat ze dood te steken en ze op te eten, maar ’t heeft zich nog altijd te schikken naar hun traject, hun eeuwige odyssee op zoek naar graasgebied. En ’t zat nu net eens vijf minuten op zijn gemak. Zijn er geen grotten meer in de streken waar de kudden zich laven en voortplanten, dan moet ’t zelf maar zorgen voor een dak. Zélf een grot maken, bij manier van overdrijven. De ivoren slagtanden van een mammoet, groot en krommend, worden uit het gezicht van de titan gestampt en bekleed met vellen. En ziedaar: een tent. Gemakkelijk weer af te breken en mee te nemen maar helaas een beetje klein.

Hoe laat zou het nu zijn?


Pfff. Een geluk dat ook de planten moeten overleven in deze triestigheid, en zij hun wortels steeds dieper in de aardkorst boren. Dikke, vette penen, dikker en vetter dan voorheen, en niet echt onsmakelijk eigenlijk als ’t ze tenminste heeft weten los te pulken uit de grond. ’t Knabbelt op een schorseneer, zich wentelend in zijn eigen zieligheid.


‘Na regen komt zonneschijn,’ zegt er één. ‘Als de hoenders kakelen lang en goed, dan zal het regenen in overvloed.’ Allez vooruit; ’t heeft nu niet alleen een schilder in de rangen maar ’t zit nu ook al opgescheept met een poëet. Waar moet dat naartoe? Maar die dichter heeft geen ongelijk. Het is te zeggen: het regent wel en het regent niet, het giet. Maar het is tenminste wederom warmer aan het worden, dat is al veel waard. Het weer, je kunt er geen staat op maken. Het ijs is eindelijk begonnen te smelten, beetje bij beetje, haast onzichtbaar maar net daardoor zo smerig en hevig. Het waterpeil is gestegen, er zijn er die zich van vandaag op morgen op een eiland blijken te bevinden. Afgesneden van alles en iedereen, geïsoleerd, en ’t neemt daar zowaar nog veel genoegen mee.

’t Ziet zichzelf weerspiegeld in al dat water en kijkt naar wat de vermoeiende loop van de eonen hem heeft aangedaan: een bloot beest, klein en gedrongen. ’t Weegt allang geen achtentwintig kilogrammen meer maar sleept integendeel een hele laag vet mee, daarnet nog aangekweekt tegen de kou. En die kop, die heerlijke schedel met de nog heerlijker spijs, herbergt ondertussen een derrie van reeds 1300 kubieke centimetertjes. Nog steeds beveelheer van het neuken en het vreten, maar ’t kan zichzelf alleszins al wijsmaken dat die splendide blubber eveneens voor zoveel anders dient.

À propos, iemand onlangs eigenlijk nog een mammoet gezien?


Zeker, eten is een heerlijkheid. Enkel zo jammer dat al dat voedsel niet vanzelf naar zijn mond gevlogen komt. Beneden zijn inmiddels toch verworven waardigheid, moet ’t zijn maaltijden achterna hollen. Vernederend, haast. Neem nu de wilde eend, of de kuifeend. Smakelijke vogeltjes, dat is het punt niet. Maar is het geen zonde dat die mormels niet lomp als regen uit de lucht komen gevallen? Ze laten zich pas vangen in de rui, wanneer ze niet kunnen vliegen en makkelijk in een net worden gedreven. ’t Zou vogels willen hebben die al meteen in een net zitten, die als het ware worden geboren in een net en er maar moeten worden uitgenomen voor de lunch.

Vissen vangt ’t in een fuik van wilgentenen, of ’t damt rivieren af en spietst de zalmen op een staak. Met een beetje lisdodde en een bosaardbeitje als dessert lang niet slecht. Maar ook daar weer: ’t zou lisdodde willen eten als ’t daar zin in heeft, en ’t zou ook een stukje ezel of gazelle willen ontbenen als ’t daar zin in heeft. En uitsluitend en alleen als ’t daar zin in heeft en niet omdat er daar toevallig een ezel voorbij komt gelummeld of een lisdodde de kop opsteekt. ’t Zou die beesten en groentjes moeten zien te kweken. Zoiets. En ’t probeert zich almeteen een afgesloten gebied voor te stellen, en het gebied is uiteraard van hem, van hem en niemand anders. En op dat gebied van hem en niemand anders lopen geiten en schapen vreedzaam te grazen, ze lieten zich makkelijk vangen, de sukkels. Met als resultaat dat de trek der dieren niet langer zijn menu hoeft te bepalen. ’t Heeft niet langer aan de rivier te wachten tot zijn aanstaande maaltijd zich daar een bad komt nemen. Alles meteen beschikbaar, vlees zowel als groentjes, bestaat er iets ultiemers op aard?

Gedreven door dit idee kijkt ’t naar de zaden van de emmer en de gerst die zich laten optillen door de wind en het leven gelaten voortzetten waar ze vallen in de aarde. Als ’t die zaden nu eens zélf de grond in plant? Netjes naast elkaar, voor z’n eigen deur, een heel landschap vol? En dat ’t, eenmaal de oogst is aangebroken, gewoon plukt wat ’m bevalt? Gedaan met dagtochten voor een drie kwart gevulde maag. Wakker worden en bikken.


Het genie heeft klaarblijkelijk zijn draai gevonden. ’t Stopt ermee door de wereld te trekken. ’t Vestigt zich, ergens, waar het goed riekt, de rivieren vrolijk kabbelen, het zicht de moeite is, de kiekens het lolligst kakelen. En ’t richt de wereld in naar zijn eigen smaak en goesting, zoals ’t vroeger zijn grot heeft ingericht. Daar komt eenkoorn, ginder gerst. Op de ene heuvel linze en de bittere wikke plant ’t een eindje verderop. Brandnetels laat ’t staan, voor de vezels, waarmee ’t kleedjes weet te weven. ’t Heeft z’n greep op de wereld verstevigd, en dat niemand nu het tegendeel komt beweren. ’t Neemt wat ’t wil en ’t vernietigt wat ’t niet hebben moet. De fik erin, dat levert tenminste nog ruimte op waarop ’t kan bouwen, ronde hutten, gemaakt van in de zon gedroogde modder.

’t Kruipt tegen mekaar aan, met zo’n drieduizend op twee hectare tegelijk, en bouwt daar een vier meter hoge muur rond. Privé! Wie niet van hier is, moet wel van ergens anders zijn, en die komt hier niet binnen.

En daarmee… Daarmee heeft ’t beslag gelegd op een stuk van de kosmos; ’t weet nog niet hoe verslavend dit kan zijn. Of wel? In elk geval, ’t heeft zich afgezonderd, opgesloten in z’n eigen biotoopje, een dorp. ’t Bestrijkt zijn gronden met het plakkerige goedje dat overblijft wanneer aardolie is verdampt, asfalt, zodat ’t ook ongemoeid gelaten wordt door allerhande struikjes en gewasjes die ’t niet hebben moet. De geiten en de schapen zijn gedomesticeerd, en gaat de smaak ervan toch wat vervelen, dan houdt niets ’t tegen om in de bossen of de steppen iets anders neer te leggen, zoals een jakhalsje.


’t Heeft nu effenaf zoveel bedacht voor z’n comfort dat ’t niet alles meer op tijd gedaan krijgt. De huiden moeten worden gedroogd en ontvleesd en uitgerokken, er moet worden geplant op deze akker en geoogst op de andere, er moet si, er moet la, en de kop van die moe-flon moet er ook nog af. Onnozel wordt ’t nog van z’n gemakkelijke leventje als dat zo nog een tijdje verdergaat. En ’t steekt de hersenpannen bij elkaar op een avond die fataal wordt voor een lekker lam, en komt daar overeen dat iedereen zich maar beter kan specialiseren. De ene houdt zich bezig met het graan, een andere repareert wat nog weer een andere heeft kapotgemaakt, iemand beplaastert de hutten, eentje houdt zich bezig met de kudden… En dat de ene de vrucht van z’n arbeid vervolgens ruilt met de andere.

’t Denkt na, dat kan ’t als geen ander. Er komen geen vogels voor die alleen maar nesten bouwen, neen, die heeft ’t alleszins nog nooit gezien. Vogels die nesten bouwen in onderhandeling met vogels die alleen maar wormen vangen. Stel u voor; driehonderd wormen in ruil voor een nest. Ha, het idee alleen al. Maar ’t voelt zich uiteraard groter dan de vogels en ziet er wel iets in om het systeem van de specialisatie uit te proberen. Waarom ook niet? Ieder z’n eigen job. Wie goed heeft gewerkt, heeft veel om te ruilen, alsook het recht om de rest uit te maken voor luilak en labbekak.

Werken is voortaan: alle dagen hetzelfde doen. Zoals altijd maar opnieuw kaf verwijderen en de granen malen. Gisteren, vandaag, en morgen weer. Zodat ’t zeer heeft aan z’n knieën, z’n rug, z’n knoesels. Ook z’n tanden gaan zo langzaamaan kapot. Nu er zich een paar op de landbouw hebben gesmeten en de lof op het graan niet voldoende kan worden bezongen, eet ’t het ene graanproduct na het andere, er niet bij stilstaand dat z’n tanden de hardheid van zo’n graankorrel niet verdragen. Cariës is een feit, de job van tandarts laat zich bijna bedenken. Een mals stuk kippenbil in ruil voor een getrokken kies.


Trok ’t daarnet nog van hot naar her en daaromtrent, onderweg van de struiken plukkend wat ’t beviel; dan blijft ’t nu ter plaatse, smullend van datgene waarvoor ’t zich niet te veel moet rekken, waardoor z’n maaltijden ineens aan variatie missen. Een ribstukje van een vos hoeft ’t bijvoorbeeld al niet meer te eten, op dat dier is al te veel gejaagd, men ziet er nog maar zelden eentje lopen. Hetzelfde voor de haas.

En zelf? Zelf werd ’t onderwijl een beest van één meter tweeënzestig ongeveer, met afgesleten tanden, gepijnigde gewrichten en navenante grimassen. Maar ’t heeft het vuur en ’t heeft de speer. Wat moet ’t nog meer? En ’t rukt alsmaar verder op in z’n mars naar wat ’t op dit moment nog niet benoemen kan.

Met wát komt ’t trouwens nu weer op de proppen? Met potten en pannen en keramiek. Potten en pannen, die ’t godverdomme alle dagen zal hebben af te wassen, maar die tevens maken dat ’t zijn eten kan koken. Wie geen tanden meer in zijn smoelhol heeft kan voortaan wat langer leven aangezien het eenvoudiger is te sabbelen op malser eten dan op hard. En de teven raken weer om de haverklap zwanger, dankzij hun potten en pannen. Want ook het kleine grut kan tandeloos eten van de papjes die ’t tegenwoordig kookt. De kleinsten hoeven bijgevolg niet meer zo lang te worden gezoogd. De teven menstrueren weer vlugger na een bevalling aangezien de productie van moedermelk de vruchtbaarheid doet afnemen.

Hoe meer zielen, hoe meer hielen. De uitvinding van het slagrijm.


Maar, om nu eens even tot de kern van de zaak te komen, alles is stilaan toch aanwezig, en ’t weet het, ’t riekt het als het ware, om zich eindelijk in volle glorie te smijten op datgene waarvoor ’t uit de kreken kroop en zich metamorfoseerde tot een wezen dat alle beesten overmeestert: dat ene punt in de verte voorlopig genaamd ‘iets’, ‘iets’ dat ’t bereiken wil en waarvoor ’t de macht over Alles noodzakelijk acht. Macht, over zichzelf en over de wereld, eventueel in omgekeerde volgorde. En ’t heerst maar pas volledig als ’t ook de dood beheerst. Alleen daar kan ’t zijn opmars aanvatten, waar ’t zijn kadaver niet langer aan de jakhalzen en de maden gunt, doch waar ’t de rottenis verschalkt en de vellen van zijn lijken droogt met dubbelkoolzure soda en een snuifje natriumchloride. ’t Looit zijn smoel en ’t looit zijn lul, ’t looit zijn buik en ’t looit zijn armen, als een lap leder stapt ’t lachend uit het leven, klaar om in te treden in een totaal gans ander leven waar ’t óók de macht zal moeten grijpen, en dat veel langer duurt. Want zoveel inzicht in de tijd heeft ’t ondertussen al gekregen. ’t Heeft gekeken naar de sterren en hun standen hebben geen geheimen meer: de nacht valt uiteen in 36 decanen, een jaar in 365 dagen, en de dood die duurt het langst. Daarom bouwt ’t zijn hele leven aan z’n graf, zijn huis voor eeuwig. En dat, dat is zeer zeker lang.


Eenmaal dood en opgesteven laat ’t zich opbergen in zijn kerker, omringd met voldoende spullen aangezien verveling vast een vrees is voor wie toetreedt tot de eeuwigheid: bronzen scheermessen, een tang voor van alles en nog wat, albasten flessen met crème, een houten kam, buisjes met oogverf, geëmailleerde enkelbanden, mokken om uit te drinken, een weegschaal, een bijl, drie paar sandalen, wandelstokken, een valiesje vol met proper ondergoed, een lendendoek of 26, tunica’s voor als het zomert en iets warms voor als het wintert, en voor het zekerste nog een fles parfum voor mocht het vel alsnog gaan stinken. De verworvenheden van de vooruitgang.

’t Heeft eraan gedacht zich als lijk op tijd en stond eten te laten brengen door de nabestaanden, opgediend op aardewerken borden want, dood of niet, zijn manieren wil ’t wel bewaren. Mmmm; speltbrood, gerstepap, vis, druiven, kwartels, niertjes, stukken runderrib, bessen, melk, wijn, het kan niet op. En aangezien ’t deze hoeveelheden niet kan blijven eten zonder af en toe ook iets uit te schijten, worden er in de grafkamers toiletten geïnstalleerd. Een heel leven doet ’t erover om zijn graf gebouwd te krijgen. ’t Gaat dan logischerwijs ook nog maar met de grootste tegenzin op reis, bang als ’t is om te sterven in den smerige vreemde en daar alsnog rap-rap door een bende ongeciviliseerden in een put te worden gesmeten. Ver gezocht is deze gedachte niet.

En de economie, die draait. Immers: moest er al worden gezaaid om de levenden eten te geven, ook de doden hebben honger en krijgen wekelijks hun maal.

Fruitboer is een schone stiel.


Goden! Er moeten grote en concrete goden zijn! Want het geheugen is kort en ’t is vergeten dat de zeeën hem ooit zijn oorsprong boden. En zelfs al zou ’t nog herinneringen bewaren aan de diepten der wateren, ook die wateren moeten ooit eens zijn ontstaan en konden dat niet op eigen kracht. Dus goden, toe. ’t Heerst en ’t is nu alreeds het grootst; doch ’t mist somtijds de nederigheid, de kleinheid in het zijn. Dus, nogmaals, goden godverdomme, met paspoorten want zij hebben namen en bevoegdheden. Goden, dikbuikig, met hangborsten, goden met papyrus dat opschiet uit hun kruin, goden met ramskoppen die op hun pottenbakkerswielen de wezens vormden uit het slijk van de rivier. En ’t laat die goden soms ook lijken op zichzelf zodat ’t zelf ook zou mogen lijken op een god. Met uitzondering dan weer van de preien en de ajuinen, die ook ware goden zijn, net als de kikkers die worden aanbeden kort voor of zelfs tijdens een golf lastige weeën.

En van al die preien en ajuinen en andere goden moeten er priesters zijn, en boven al die priesters opperpriesters. Vanzelfsprekend gekleed in schone gewaden, sierlijk lopend op sandalen. ’t Bouwt tempels en kapellen voor de goden want ofschoon alomtegenwoordig, ze moeten toch ook ergens wonen. Alles wat geprezen en aanbeden wordt, ajuin en prei en aap en krokodil, wordt afgebeeld en gehuisvest in een paleis.

En de economie, die blijft draaien. Want het zijn niet alleen de doden die ’t te eten moet geven, ook de goden hebben honger. Dagelijks slacht ’t offerdieren om te mogen schenken aan zijn god. Zelf is ’t bereid te leven op een dieet van louter brood en bier, doch de doden en de goden mogen niets tekort hebben aangezien het tekort des levens is. Neen, egoïstisch is ’t niet.

Het is de priester die, na een rituele reiniging der oksels en andere onfrisheden, overladen met manden fruit en vlees, het heiligdom naar binnen treedt. Hij mag. Hij alleen. De ober van Het Grote. En omdat het standbeeld van de godheid niets aanvangt met het voedsel, is het de priester die al het lekkers tussen de kaken neemt. Officieel: ‘de maaltijd wordt omgebogen’. Dat is het systeem: de god vreet via zijn priesters, want het kauwen en het kakken is beneden al zijn waardigheid. Tevens wordt het standbeeld van de Opperste dagelijks ververst, het is te zeggen, gewassen van kop tot teen en propere kleren aangetrokken. ’t Eert zijn god zoals ’t zelf geëerd zou willen worden als ’t god was, dus installeert ’t een hele harem hete concubines in de tempels ter verstrooiing van de Machtige. Bloot blijft altijd mode, ’t zal wel zien. En ’t ziet inderdaad: meer bepaald hoe de godinnen zowaar nu zelf ook uit hun kleren treden. Verheven hun geest, verheven hun vlees. Officieus: ‘het vogelen wordt omgebogen’.

Priester is een schone stiel.


En wie is het die al deze doden en goden genoeg te eten geeft? Wie? Dat zijn de boer en zijn boerin, voldoende verarmd en versimpeld om luidop te dromen en te snakken naar de dood. ’t Heeft amper genoeg om in de eigen maag te stampen en ’t houdt dan ook nog eens een kleine over aan bijna elke omstrengeling. Kinderen, ze zijn schattig als ze van een ander zijn, goedkoper vooral. Is daar niets tegen te beginnen, tegen de hoge prijs van het genot? Iets anticonceptiefs? Proberen!

’t Spoelt de vagina met zure melk en loten van de acacia. ’t Steekt kwintappels en dadels en honing in haar liefdesspier. En als ook dat niet helpt, dan smeert ’t haar hele warme binnenkant vol met in azijn gedrenkte kamelenmest. Het is voorwaar met een heel klein hartje dat de jonge meisjes zich zetten te pissen in het tarweveld, want zij weten dat de zeik van zwangere meiden haast altijd tot het ontkiemen van het koren heeft geleid. Verdomme nee, ’t mag er niet aan denken dat ’t ook nog eens zou moeten opdraaien voor het grut dat de geliefde bij mekaar bonsde met een ander. Wetten! Wetten! ’t Moet wetten hebben die het overspel indijken.

Het huwelijk wordt een contract, en schuinsmarcheerderij wordt aangepakt met verbanning, verminking, stokslagen. Na een eerste buitenechtelijke wip worden, nog mild, neus en oren afgekapt en bij twijfelgevallen kan, preventief en met de beste bedoelingen, de clitoris worden afgeknipt. Zo’n pakketje maatregelen moet kunnen wegen op de goesting. En als het scheelt aan de goesting dan scheelt het aan bastaardkinderen. En als het scheelt aan kinderen, dan scheelt het ook aan nachtlawaai.


Al zal het sowieso zeer rustig zijn vannacht; ’t is te moe om de kont nog naar omhoog te duwen. ’t Hoopt te kunnen slapen en taferelen te dromen waarin geen eggen voorkomen, geen ploegen, geen sikkels, geen zaadmand en geen zeef. Want dat soort kloteleven leidt ’t: ’t wacht tot de rivier uit zijn oevers treedt en zijn slib over de velden stort, drek die alle gaten en poelen doorweekt, irrigeert en bemest met organisch afval zoals dat dan nogal reukloos heet. Daarna timmert ’t dijken en sluizen en kanalen ineen om de afgelegen stukken land te bevloeien. De werken zijn pas klaar wanneer ze alweer kapotgaan, zodat ’t steeds opnieuw van nul begint. ’t Zaait en laat zijn varkens op de velden los, zij trappelen knorrend de zaden dieper in de grond. ’t Dorst, ’t schoffelt, ’t hakt en ’t ziet hoe hagelstorm en sprinkhaanplaag de vetste potten van de oogst afpakt. ’t Vreet vogels die ’t in geweven netten weet te strikken en ’t zet zijn tanden in de vissen nadat ’t de rivierbodems heeft afgeschraapt. Wroeten is het leven; wroeten voor tarwe en rogge en vlas. Leven om te wannen. En na het wannen volgt het schrapen, waarna het weken, waarna het kammen. En na het kammen: het spinnen. En na het spinnen volgt vast nog wel iets.

In biezen manden stampt ’t druiven tot prak, voor wijn. De stront van ossen en schapen krauwt ’t van de straten, om te drogen, als brandstof. En wat ’t daarvoor in de plaats krijgt is oftalmie, een ziekte aan de ogen en zij doet zeer, opgelopen in de zon en het opstuivende zand. Aan het waden in het water houdt ’t bilharziosis over, en hepatitis aan de uitputting. ’t Heeft een lijf dat wemelt van de guineawormen en ’t hoopt zichzelf te kunnen genezen met een mengsel van karwijzaad en verse kattendrol. ’t Drinkt zijn eigen pis, samen met wat galvocht dat ’t uit dode ossen trok. Blijft ’t dan dankzij deze zware medicatie leven, dan ziet ’t de belastinginners over zijn grond marcheren en het schamele beetje oogst opeisen: voor de doden, de goden, en het hof, want dat blijkt ondertussen ook al te bestaan.

Als ’t zich ondertussen nog niet opgehangen heeft wordt ’t verplicht in herendienst te treden, gratis en voor niks, het is te zeggen: voor de bok zijn spel, om mee te bouwen aan het praalgraf van de vorst. Om de mijnen in te duiken en daar op te delven wat er zoal nodig is voor de luxe van de lijkensteden: kalksteen, graniet, grauwak, dioriet, zandsteen, goud, koper, tin, loodglans, ijzer, natron, albast, kwartsiet en amethist. Olé, labeuren maar. Hoe meer hoe liever, want wat te veel is kan altijd worden verruild in het buitenland. Hops, hops, lanterfant zo niet!

Moet er nog geen partij voor de achteruitgang worden opgericht?


Er is taal en er is schrift, en zeker is dat ’t nu niet veel meer nodig heeft voor ’t het woord ‘ongelukkigheid’ in kleisteen grift. Of zelfs iets concreters, een hele alles verduidelijkende zin. Tenslotte, ’t bezit een grammatica, zelfstandige naamwoorden, voorzetsels, deelwoorden, naamvallen, adjectieven met een kenmerk van geslacht en aantal. Een droom; ’t kan niets te zeggen hebben in een volzin en daar bewondering mee afdwingen. En ’t zou willen schrijven dat de doden beter af zijn dan de levenden maar ’t noteert: ‘O veehoeder, trek krachtig aan de moederkoe’. De poëet, alweer.

Neen, niet schrijven. Het is vluchten dat ’t wil, hoewel dat soms hetzelfde is. Vluchten, zoals ’t vroeger deed, steeds op reis van hier naar daar, de gazellen achterna. Maar dat kan, dat mag niet meer. ’t Werd eigendom van zijn geboortegrond, wandelen werd landsverraad, de nomade is de worm in de staat die tot slaaf moet worden gemaakt. De wereld is vanaf vandaag opgedeeld in stukjes, de geesten zijn betralied en het schorriemorrie zit altijd aan de overkant. Vinden trouwens ook de bewoners van de overkant. Enfin, ’t is verdeeld in wij en zij.

En de veehoeder, hij trekt wel degelijk krachtig aan de moederkoe. Hij heeft geen andere keus.


’t Denkt na. Dat moet, zo nu en dan. Al was het maar omdat ’t nu eenmaal zo’n joekel van een denkspier onder z’n kapsel heeft waarin de gedachten versomberen of vervrolijken, al naar de omstandigheden, het humeur van het wijf en het tempeestige lenteweer. In elk geval, een machinerie die ’t in staat stelt te goochelen met z’n gedachten en zich alzo te verheffen boven alles en iedereen, en andere specimens te reduceren tot noppes en niks.

Het is met die spier, dat stuk peinsmachinerie, dat ’t de wereld en omstreken wil kunnen vatten. Zoals vaten wijn vatten. Zo. Maar dan beter. Uiteraard.

En ’t kijkt rond. Helemaal uit zichzelf. ’t Kijkt rond omdat ’t dat zelf heeft beslist. Zonder de hulp van god of één van zijn vele imitatoren. ’t Observeert. Vraagt zich van alles af, kleinigheidjes zowel als grootheden. ’t Draait het geziene, het geproefde, het betaste, het gerokene en het gehoorde door de grote krakende molen van z’n bovenkoker en wat eruit komt is een idee, voor de gelegenheid misschien neergeschreven met een hoofdletter, een Idee.

Voilà, dat ziet er al direct een stuk serieuzer uit. En van het ene idee oftewel Idee komt weer een nieuwe vraag die op haar beurt zal worden beantwoord met een een-hele-riedel-andere-vragen-oproepende vraag. Zot wordt ’t nog van dat verstand. Straks gaat ’t nog beweren dat de simpelen stukken zaliger zijn. En zaliger nog, zij die plantaardig zijn van verstand. Waarom niet?

Waarom wel?


Waaruit bestaat de wereld? Met welk product is hij gemaakt?

Dát is ’t nu namelijk heel sterk gaan geloven. Ten eerste dat de aarde werd gemaakt, want hoe zou er iets kúnnen bestaan zonder dat het werd gemaakt. En ten tweede dat alles wat aanraakbaar is ook nog eens met één en hetzelfde ingrediënt is gemaakt. De rotsen, het water, het zand, de kruiden, de beesten en hun geluiden, de geuren en het vuur… dat komt allemaal uit hetzelfde atelier en is vervaardigd uit hetzelfde gerief. Het is simpel: als haar kan groeien uit iets wat op zichzelf geen haar is, en groenten kunnen groeien uit iets wat heel te gans geen groente is, of het moest natuurlijk zijn dat de aarde een hele grote bloemkool is, wel, dan bestaat er een kern voor alle dingen, en hij zal eenvoudig zijn, die kern. De druiven liggen daar allemaal niet wakker van, de geiten evenmin, maar zij moeten het dan ook maar accepteren dat ze worden uitgemolken en leeggeknepen.

De kern vatten, de absolute maatstaf van alles, de gemeenschappelijke noemer van de konijnen en de rozijnen en de regen, dáár moet ’t mee bezig zijn. De werkelijkheid haar geheim ontfutselen, de code van de kosmos kraken.

En ’t denkt. ’t Denkt in een unieke stilte en ’t komt tot de conclusie dat god een demiurg is, een wereldbouwer die als een klein kind met zijn blokkendoos heeft zitten spelen en zijn blokken heeft gestapeld tot datgene waarover vandaag de ossenkarren dokkeren en de vogels fladderen. Als dat niet goed is nagedacht! En omdat god god niet zou zijn zonder ziekelijke hang naar perfectie, heeft hij tot kern van alle dingen de perfectste aller vormen gekroond: de gelijkzijdige driehoek! Dát is het oeratoom, de grote moederkoek van het universum.

Gebeten door dit inzicht pakt ’t een meetlat en een gradenboog en kleedt die gelijkzijdige driehoek als het ware uit van kop tot teen, de ene zijde na de andere, het zijn er dan ook maar drie. De figuur wordt volkomen uitgebeend, elke hoek ervan uitgekuist. En moet je zien, ’t is nog geen vijf tellen aan het opmeten of ’t komt al tot de volgende wonderbaarlijke vaststelling: de som van het kwadraat van de schots en scheve zijden is toch wel gelijk zeker aan het kwadraat van de rechte zijde! Nog eens herhalen? Dat de som van het kwadraat van de scheve zijden dus gelijk is aan het kwadraat van de rechte zijde. Wow. Als ’t nog een beetje verder blijft rekenen heeft ’t in een handomdraai de blokkendoos van god in handen en kan ’t gewoon zelf demiurgje spelen. Maker van een nieuwe wereld, verbeterde versie, planeet 518c, met vettere koeien, wolliger schapen, smakelijker eten, hetere teven en groener gras erop. Even een paar gelijkzijdige driehoekjes spitsvondig in elkaar gepuzzeld en klaar ermee.

Werkelijk niets houdt ’t nu nog weg van de geometrie. Gelijk motten naar een kaars vliegt ’t op de tetrahedron, een constructie van vier gelijkzijdige driehoeken. Daarna de octahedron: acht gelijkzijdige driehoeken. Dan de icosahedron: twintig! Wie biedt meer? Eenmaal, andermaal… Om uiteindelijk na veel weggummen en vloeken en opnieuw beginnen de formule van het universum te vinden in de figuur van de dodecahedron: twaalf vijfhoeken alstublieft. God schuilt in het getal en het getal zal schoonheid zijn. De modder, het pluimvee, de bliksemschichten, olijfpitten, meubelen, muggenlarven, spruiten, schaakstukken, waterkruiken… niets kan worden bedacht of de dodecahedron is er de meester van.

Ach, er is gewoon geen andere schoonheid dan de wiskunde; elke vorm van ontroering wordt door de logica en de algebra voortgebracht. Die krokodillentranen opwellend bij het beluisteren van de smartlap ‘Als uwe oorbellen blinken in de zon’ dienen te worden gewantrouwd. De vreugde gevoeld bij de meezinger ‘Waar gaat mijn buurman met mijn vrouw naartoe?’ is vals. Deze emoties hebben niets te maken met de inhoud van het lied, in geen duizend-en-drie jaren niet, maar met de wiskunde waaraan het lied zijn leven dankt.

Neem nu de snaren van een lier. Een halve snaar maakt een octaaf, een derde van een snaar maakt een octaaf plús een kwint. Ja? Begrepen? Melodie is meer noch minder dan de harmonie der getallen.


Ondertussen is ’t allang vergeten waar ’t zijn oorsprong vond. Er is ook al zoveel gebeurd uiteraard, hou het allemaal maar eens bij! Van dat moeilijke begin, toen ’t nog olijk tussen de eikelwormen en de schollen zwom, weet ’t geen sikkepit meer na te vertellen. En zoals ’t zich afvraagt uit welke geometrische figuren het heelal is samengesteld, vraagt ’t zich ook af waar z’n eigen startblok stond.

’t Denkt. Alweer. Als de motor dan toch draait. ’t Denkt dat ’t kraakt en ’t oppert ineens de mogelijkheid dat ’t als iets visachtigs met een stekelige schaal begon.

En nu ’t al eens met een frisse kop en een open geest naar boven kijkt, heeft ’t eveneens genoteerd dat de maan een bol is. Precies zoals de zon, dat universele haardvuur, een bol is. Dus waarom zou de aarde zich anders gedragen in die grote dodecahedron van het universum en per se iets anders moeten zijn dan een bol? Dus dan tóch min of meer een hele grote bloemkool?

De aarde is een bol en daarmee basta. ’t Weet het zeker. Een bol met een voorkant die het zonlicht van de achterkant afpakt, zoals dat op de maan het geval moet zijn. De helft van de aarde is donker en doods. Hoop en al een paar champignons en overtuigde pissebedden gedijen daar. Voortreffelijk als kelder, dat dan weer wel. Waar wijnen kunnen liggen tot een weerzien met een oude vriend. Maar voorts?


Het ene lumineuze idee volgt nu na het andere, ontdekking volgt op ontdekking. De wereld is rond, alle leven ontstond in het water, er is een absolute maatstaf voor goed en voor kwaad, en vrouwen zijn vodden. Dat laatste kan wiskundig worden onderbouwd, morgen of overmorgen zwaait een geleerde wel met de juiste formule. Op zich zijn ze niet helemaal waardeloos, die vrouwen, over zoveel nuanceringsvermogen beschikt ’t ook wel, maar ’t doet de waarheid geweld aan deze schepselen niet te beschouwen als mislukte mannen of bezoedelende elementen. Door de goden gekweekt om de mannen en hun grootse gedachten te ondermijnen. ’t Besluit voor het zekerste dan maar om elke vrouw de eigendom te laten zijn van een man; eerst van haar vader, zodra ze getrouwd is van haar man. Want als zij van zichzelf moet zijn komt er miserie van. Erfrechten zijn aan dat schepsel slecht besteed, men zet tenslotte ook geen geleedpotigen in een testament. En in bed hoeft ’t er ook al niet veel van te verwachten. Er is altijd wel iets; hetzij het keren der jaren, hetzij hoofdpijn, hetzij ronduit geen goesting of geen halve centiem aan fantasie. Pas op, handig om in de buurt te hebben, een vrouw. Maar als ’t een beetje kwalitatief van bil wil gaan dan adviseert ’t stellig de herenliefde.

’t Droomt er zelfs van om een beroepsleger uit te bouwen, samengesteld uit louter en alleen mannelijke liefdesparen.

Intelligente inzichten ontwikkelen is één zaak, zich naar die inzichten gedragen een andere. Dus stemt ’t wetten die ten dienste staan van de open geest. Volwassen mannen worden verplicht op geregelde basis een kleine jongen in de endeldarm te vogelen en reizen naar het buitenland te ondernemen om de blik en de pik te verruimen. Wie zich naar deze wetten weigert te gedragen wacht de doodstraf. ’t Is tenslotte niet zo ruimdenkend dat ’t de tegenhangers van het ruime denken een plaats kan geven in z’n gedachten. Hoe benepen zou ’t tenslotte zijn als ’t iets tegen incest had, tegen barbarisme, pedofilie of enig andere vorm van promiscuïteit?


Zich vermakend met diverse lichaamsgaten, ook de mindere, vooral de mindere, ziet ’t z’n aantallen groeien in enkelingen die met elkaar moeten zien te leven en overeen te komen. Voor dit doeleind bedenkt ’t de democratie. Iedereen gelijk voor de wet. Alleen kan niet iedereen in aanmerking komen om tot de groep ‘iedereen’ te worden gerekend, het zou anders nogal een zothuis worden. Vrouwen worden uitgesloten van de democratie, net als kinderen, vreemdelingen en slaven. Bij dezen heeft ’t een politiek concept geïnstalleerd waar zo’n vijfde van de bevolking profijt aan heeft. Maar bon, beter een vijfde dan geen vijfde, aldus dat vijfde. En dat boffende vijfde deel komt één keer in de maand samen om te kletsen en te debatteren. Wie de grootste muil heeft krijgt gelijk. Wie z’n eigen leugens kan geloven en die heel goed weet te verkopen krijgt het snelst zijn ideeën doorgedrukt. Kunnen argumenteren, daar komt het voortaan op aan. En ’t stort zich ogenblikkelijk op de edele kunst der retorica, de leer der blablabla, en ’t smijt zich op de kloeke handboeken voor de sofist, waarin wordt uitgelegd hoe slechte en totaal geen steekhoudende argumenten louter en alleen door het abracadabra van een schone zin kunnen worden omgetoverd tot een doorslaggevend punt op de algemene vergadering.

Van het ongelijk een groot gelijk maken.

Er breken tijden aan waarin verkopers van deur tot deur trekken om onbenodigdheden aan te prijzen.


En er is er daar één die zich weinig van het gekakel aantrekt, een zonderling sluipt altijd wel in de rangen. Eén die de democratie laat voor wat ze is, die de ochlocraten laat praten tot hun tong verpoeierd is, die de wetten en de wetenschappen negeert en zich voor weken en weken met een blok steen terugtrekt in zijn kot, en het schone uit het lelijke kapt.

Een beeldhouwwerk, allez toe nu.

’t Kijkt naar dat schoons, en ’t lacht zich een kriek. Want wat ziet ’t? Een bloot vrouwmens in steen. Komaan, zeg. Dat staat daar zomaar uitgebeeld, vrijelijk met haar borsten te grabbel en een opening tussen haar benen op een manier waaruit toch wreed weinig tegenstribbeling spreekt. Een vrouw, inferioriteit der natuur. Als de kunst zich nu al met dergelijke taferelen gaat bezighouden… Het zal lang duren… Gelukkig gaat het maar om een mode, en zijn modes bedacht om snel voorbij te gaan en zich te laten vervangen door andere modes.


We zijn al zó ver. Een kleine pauze misschien?

Wat ’t tot nog toe heeft gerealiseerd is prachtig, wereldwonderen zonder meer. Eerlijk. Weliswaar heeft ’t er evenveel zweepslagen als bouwmaterialen voor nodig gehad, maar al die obelisken, schisten beelden, terrastempels, pylonen, mastaba’s en piramides staan daar dan toch maar netjes met een zweem van eeuwigheid. ’t Heeft zich doen opmerken over de grenzen van de kalenders heen. Dankzij z’n monumenten, betaald met honger en ongeluk, doch groter dan het bestaan.

Maar ’t is vergeten even om zich heen te kijken en als ’t dat nu toch doet stelt ’t plots vast dat ’t stilaan zichzelf uiteen heeft gedreven. Waar hangt iedereen toch uit?

Wie naar het noorden trok, zo blijkt, verloor zijn zwarte huid om toch nog vitamines uit het weinige zonlicht te kunnen puren, wie de droge gebieden in trok ontwikkelde spleetogen. Is dat al lang? En zo scheelt er aan iedereen wel iets, blijkt, ineens. Overal sticht ’t rijken en die zijn zodanig georganiseerd dat elke ontmoeting in een bloedbad eindigt. Hier heerst een koning, daar een satraap. Hier aanbidt men prei, elders aanbidt men een opperwezen dat met een drietand de zee beheerst. Loopt het links verkeerd omdat werkelijk iedereen inspraak wil hebben, dan loopt het rechts in het honderd omdat niemand inspraak krijgt.


De meeste beesten heeft ’t al op een hoopje gedreven, de oerossen veranderde ’t in koeien en van de wolf maakte ’t een hond. Angst voor de kolossen heeft ’t bijna niet meer. Maar er is de angst voor elkaar voor in de plaats gekomen.

De steden sluiten zich systematisch in met dikke muren, het is feitelijk triestig om te zien. Op de heuveltoppen bouwt ’t een instrument, en er is voorgesteld om het ‘katapult’ te noemen, dat pijlen en stenen tot vierhonderd meter ver kan doen slingeren dankzij de torsie van in elkaar gedraaide pezen. Geen twintigduizend stappen kan ’t zetten of ’t komt in vijandig gebied. Makkelijk is anders. Begin zo maar eens een lief buiten de eigen familie te zoeken! Vandaar dat ’t eraan denkt om vrede te stichten. En omdat ’t niet goed weet hoe daaraan te beginnen, aan al die vrede, beslist ’t om dat gewapenderhand te doen.

Imperialisme wil ’t wel eens proberen: iedereen gelijk voor de wet, maar dan wel uitsluitend voor de wet die de imperialist heeft opgesteld. Het idee is geniaal en absoluut een poging waard. Vooruit met de geit! ’t Bewapent zich om alles en iedereen onder één en dezelfde vlag te ranselen: eskadrons met ruiters, verkenners te paard, boogschutters, slingeraars, hoplieten, speerwerpers, schilddragers, foerageurs, ingenieurs, griffiers voor het dagboek van de koning, voorspellers van het weer en voorspellers van de horoscoop, een oorlogsvloot of zestig… alles bij elkaar een leger van 70 000 man alstublieft. Daarmee gaat ’t vrede stichten over de hele planeet, tot ver voorbij de hoogste bergen, jawel tot aan het rafelrandje van de wereld: daar waar de vissen spertelen in honing, okselstank kan worden verdreven door wierook, waar barnsteen en goud en parels onuitputtelijk zijn, men met gemak honderd jaar wordt, kanaries dithyramben kwetteren, de tijgers drie rijen tanden hebben en waar de olifanten het vuile werk opknappen. Daar, daar gaat ’t naartoe. Dat gebied zal straks het zijne zijn. Ingerukt en in galop! Sla kapot en zie niet om!

Links. Links. Links rechts links rechts. Links. Links…


’t Vond natuurlijk reeds van alles uit, het ene al iets nuttiger dan het andere, onnodig dat te illustreren, maar een mechanische versie van zichzelf, een robot, zou wel handig zijn. Iets dat zich zonder verpinken laat kapotschieten en geen vrees kent wanneer het de vijand riekt. En vooral; iets wat onvermoeibaar is en kan worden vervangen wanneer het naar de bliksem gaat.

Zover is ’t evenwel nog niet. Morgen misschien. En daarom moet ’t ervoor zorgen het moreel onder de soldaten hoog te houden, hen zo comfortabel als mogelijk naar de slagvelden te leiden. De aanvoerder dient gevoel te hebben voor theater, hoort geen enkele beslissing te nemen tenzij een gewichtige. En mee te strijden met zijn manschappen om een voorbeeld te stellen. Worden de soldaten moe, en dat zúllen ze, dan worden ze afgelost door een nieuwe lichting frisse naïevelingen die nog niet zijn verwankelmoedigd door de werkelijkheid. Dodelijk gewonden geeft ’t de garantie onder een degelijke grafsteen weg te rotten, hun weduwes schenkt ’t vrijstelling van belasting, en de wezen genieten vrijstelling van dienstplicht aangezien de zoon van een sukkel wellicht een nog grotere sukkel is. Nooit mag ’t het gevoel hebben dat ’t oorlog voert. Tenslotte is dit hier een vredesmissie, herinner u. Eens temeer dient het moorden te worden aangevoeld als vakantiepret. Daarom draagt de strijder zijn voedsel niet zelf maar is er een complex logistiek apparaat dat alles meezeult naar de frontlijn. Overwint ’t een volk, dan stelt ’t zichzelf in de gelegenheid de plaatselijke vrouwen te dekken om de gedachten even te verzetten. De boog kan niet altijd gespannen staan. En niets zo deerniswekkend als een koppel volle ballen, dat bemoeilijkt de stap.

Alsof niet voldoende kan worden benadrukt hoe nuttig de terloopse uitvinding van het wiel wel is, bedenkt ’t verrijdbare belegeringstorens in alle mogelijke vormen. Waar de bergen een obstakel zijn houwt ’t doorgangskloven, stamp die berg maar naar de kloten!, waar een ommuurde stad de opmars stuit stuurt ’t mineurs de grond in om tunnels te graven tot de muren instorten. Veertig kilometer per dag legt ’t zo af, zomaar voor de vrede, zingend: zo gaat het goed, zo gaat het beter, alweer een kilometer!

De paarden die ’t aan zijn wil heeft onderworpen krijgen afgesleten hoeven en worden vervangen in karavanserais die ’t onderweg installeerde. Na zoveel dagmarsen ontdekt ’t een ander beest dat ’t evenzeer aan zijn wil onderwerpt, de dromedaris, en het is een gemak om op de rug ervan naar de andere kant van de wereld te sjokken aangezien het debiele dier tevreden is met een streepje woestijngras en een twijg of vijf. En meer nog is het een gemak dat die bultenaar vele hete uren zonder water kan. Geef maar een snok aan de keelriem! Ju!


Zie eens hoe slim ’t is! Komt ’t oog in oog te staan met de vijand, dan plant ’t al zijn pijlen recht voor zijn voeten in de grond. Op een rijtje naast elkaar. Zo bespant ’t sneller zijn boog. En de kleinste, op het eerste zicht onnozele schram kan dodelijk zijn. Want de zwaarden en de pijlpunten zijn vuil en veroorzaken tetanus. Er op tijd bij zijn en een been amputeren is het enige wat helpt. Daarom neemt ’t naar al zijn oorlogen kleine blokjes hout mee: om op te bijten wanneer de dokter zijn zaag tevoorschijn haalt.

Is er eigenlijk nog volk over om de mondiale eenheid en vrede in de wacht te slepen?


Bomen komen elkaar niet tegen en leven doorgaans langer.


De velden worden in brand gestoken, de aarde verschroeid om oogsten te vernielen en andersdenkenden uit te hongeren. ’t Komt in onbekende gebieden en raakt zienderogen versleten door microben waartegen ’t niet resistent blijkt te zijn. ’t Verplicht zich kinderen te verwekken in elke stad die ’t heeft platgetrapt, om, het is een uitleg als een andere, de sappen te vermengen en aldus het wederzijdse respect te bevorderen. Maar ’t raakt moe en afgemat. Zodra het leger verder trekt, maakt ’t zijn eigen kinderen af, ’t moet van geen vermenging weten en daarmee gedaan.

Geen rijk is ooit zo groot geweest, geen eenheid zo immens. Binnen deze grenzen gaat de zon nog amper helemaal onder. Rechts eet ’t voor de eerste keer linzen en links zet ’t voor het eerst de tanden in een abrikoos. Bravo. Maar ’t hangt half uiteen en ’t wil naar huis, waar ’t amper nog zal worden herkend en de echtgenotes hun plan hebben getrokken gedurende de afwezigheid der dappersten. Trekken de militairen weg, dan is er ineens geen administratieve basis meer voor de eenheid. De verscheidenheid is voorlopig sterker.

’t Telt zijn lijken en zingt een laatste lied voor hen.

Hoe laat is het?

Tijd om te bezinnen en dan weer woest te herbeginnen. Even uitslapen en daarna verder.


Uitslapen, uitslapen? Niks van uitslapen! Direct de beuk erin ja! Gaan met die banaan!

Terwijl links de eerste machtsgrepen op de wereld mislukken probeert ’t rechts opnieuw. Maar dan beter. De enige, juiste ingesteldheid.

Om te beginnen moet ’t een stad hebben, en zij zal de enige zijn, van waaruit alles wordt beslist en bestuurd, een centrum van Alles, het middelpunt van de kosmos die ’t op een dag volledig zal hebben ingepalmd en in kaart gebracht. En de voorgaande experimenten bestuderend komt ’t algauw tot de conclusie dat ’t voor zo’n stad de boorden van de zee heeft te verlaten. Want de zee, precies dezelfde zee waaruit ’t zelf gekropen is, is een onbetrouwbare buur, een open poort voor invallen. Tussen de zachte heuvels, dáár moet het zwaartepunt komen te liggen. Er zijn daar een paar dorpjes van verzwagerde families, waar de varkens knorren in afwachting van hun spit, de erwten groeien en de tarwe wordt verbouwd, en er loopt een beek waarin de kinderen hun keilstenen op de vissen mikken voor de lol. Daar en nergens anders dient een stad te komen, en nogmaals, zij zal de enige zijn, zoals er nooit één is geweest en zoals er nooit één nog komen mag. Wie er woont zal het gat worden gelikt door wie er wonen wíl. Dat is wat ’t momenteel in gedachten heeft: elke dag een proper gelebberd gat.


En ’t graaft meteen een put, een vierkantig bassin waarin het regenwater kan worden opgevangen om alle inwoners te laven, want ’t denkt dit keer werkelijk aan alles. Waar het nu op aankomt is om eerst hier en daar een paar andere volkeren de kop in te slaan en ze te beroven van hun bezittingen. Want die stad, die mag iets kosten natuurlijk en geld heb je niet voor het planten zoals de selderij, je moet het pakken waar het te rapen valt.

De boeren, ze verlaten hun akkers en gaan op oorlogspad om te schoppen en te slaan en om met hun zakken bol uiteindelijk weer thuis te keren. Voor het zekerste bedenkt ’t rap ook nog een stukje god, een oorlogsgod, bij wie ’t kan mouwvegen om de zege te verkrijgen. Wordt de oorlog verloren, dan is die god een slechte god, ha ja, en wordt hij afgedankt en vervangen door een andere.

Worden ze tenminste zelf niet afgeslacht, dan keren de boeren terug, naar hun vrouwen en hun ganzen, met geld dat ze schenken aan de kas voor de op te bouwen superstad en geld dat grotendeels ook verdwijnt in, haha, hun eigen zak. ’t Nagelt de honden van de overwonnenen aan een kruis, zomaar, voor de vernedering en de pret die daar aan te beleven is, en ’t haalt eveneens hun mijnen leeg. Tufsteen, om te bouwen; een stadswal van 10 meter hoog en 11 kilometer lang. Als ’t iets doet moet het goed zijn. En binnen die stadswal: huizen, te groot om zelf nog te willen kuisen zodat ’t op een ander werkvolk pakt, slaven, die heel het kraam proper mogen houden.

En ziet, het werkt al. ’t Is nog niet goed begonnen met de metselwerken of ’t krijgt al volk over de vloer, gezelschap dat iets heeft opgevangen over de in aanbouw zijnde superstad en er ook deel van wil uitmaken. Zodat op een wip en een tel dat onnozel vierkantig bassin is leeg gezopen en ’t uit de beek zou drinken als die niet was volgescheten door hen die liever in de rivieren dan in hun eigen woonkamer scheten, en als daarop maar niet de afval dreef die ’t al heeft geproduceerd.

’t Zoekt een uitweg voor zijn eigen stront en bouwt een riool, overkoepelende goten waarin iedereen naar believen zijn drek kan lozen, een architecturaal wonder waarvoor woorden tekortschieten en waarover dus maar beter wordt gezwegen. En voor de smerigheid die in de straten ligt te stinken jaagt ’t varkens door de in opbouw zijnde wereldstad; allesvreters, de roze kuisploeg.


Maar verder gebouwd nu aan die stad, kom! Geen zuilen opgebouwd uit cilindrische secties, zoals de voorgangers nog deden, ouderwets vlakgeslepen en nadien met bronzen pennen op elkaar gezet. Dat ’t ooit nog zo stom heeft kunnen zijn, hilarisch gewoon, achteraf bezien. Dit keer zal ’t bouwen als een heerser, met een specie die alles overmeestert. Dus zoekt ’t naar een kalkhoudende stof als bindmiddel, een mengsel van grint en zand en cement. Iets dat hard wordt kortom wanneer er water aan wordt toegevoegd en waarin geen luchtbellen zitten. Want lucht betekent altijd wel voor iets of iemand leven en ’t duldt nu echt geen concurrentie meer. Aanschouw toch dat resultaat, een product dat werkelijk alles waaraan wortel hangt verstikt en naar de knoppen helpt, iets wat alle leven voor de planten verder nog onmogelijk maakt, de aarde onderdompelt in een suprematie van donkergrijs en waar ’t trots op is, een uitvinding simpelweg genaamd: beton. Goddelijk beton.

’t Bouwt een huisje voor de vorst, groot genoeg opdat diens standbeeld van veertig meter hoog erin passen kan, een huisje met een driedubbele galerij van meer dan een mijl lang, een plafond waaruit reukwerk druppelt op tijd en stond, wat bladgoud hier, wat ivoren vakken daar, en nog wat parelmoeren frulletjes ginds. En straten, waar blijven die straten, breed genoeg opdat er twee karren naast elkaar zouden kunnen rijden?

Een stad, de enige, waarin alles te vinden is wat overal en nergens is. Vandaar dat ’t nu ook een zwembad in elkaar knutselt, een badhuis met daarin onder meer winkels, sportvelden, tuinen met oneetbaar schoons, sauna’s, bibliotheken, muziekkiosken, kapsalons, massagetafels en een parfumerie. Een zwembad waarin geen zwemmer stijve tepels heeft, want de hele kuip is gevuld met water dat wordt warmgestookt door zo’n duizend arbeiders die per dag tien ton hout kappen en er vervolgens de fik in steken. Een bad voor alleman, vuilaards en properen plonzend naast elkaar, zodat men eruit kruipt en zich ogenblikkelijk kreupel krabt aan de schaamluis. En de kinderen, die ineens geen vissen meer vinden om op te mikken, die moeten dan maar een ander spelletje verzinnen. Want de rivieren zijn dood. Drab en derrie, zelfs de honden weigeren daar nog langer uit te drinken.


’t Zou uiteraard altijd nog kunnen terugkeren naar de dorpen van weleer, daar waar de beken helder zijn. Die stap terug is nu nog klein. Maar ’t blijft liever hier en laat zijn drinkbaar water importeren. Stijlvoller, toch. Met 60 000 is ’t al in deze stad. Verdomme dat ging rap. Samengepakt op 426 hectaren. En die 60 000 zullen zich spoedig kunnen laven aan het water dat via een aquaduct van elders komt. Zo gaat dat in de moderne tijd; is de voorraad op dan boort ’t elders wel een nieuwe aan. De eerste zeven stenen van dat aquaduct liggen er al, en ze zijn prachtig. De achtste steen komt zodadelijk, eerst nog even een volk onder de voet lopen zodat het hele ding kan worden afbetaald.

De boer ruilt de schoffel voor de knuppel, blij weer een bluts te mogen slaan in het bakkes van een vreemde die hij zal pluimen tot op de laatste stuiver. En komt de boer terug, het kan meezitten, dan treft hij zijn land aan waarop geen halve stengel meer staat aangezien het die hele heerlijke oorlog lang onbewerkt is gebleven. ’t Heeft honger. Hoort ge? Honger! ’t Stort dan maar beton over z’n armetierige landbouwgronden en besluit om ook zijn vreetsel elders bij elkaar te rapen.

Havens, die moeten er ook zijn, om dat vreetsel van elders geleverd te krijgen. De heuvels worden in twee gespleten, de dalen overbrugd. Want elke inwoner van deze stad snakt naar zijn dagelijkse rantsoen van driekwart liter wijn. ’t Kan geen honger blijven tolereren. Runderen en schapen worden van overal met stokslagen naar de stad gedreven, de pakhuizen zitten volgepakt met 180 000 ton graan waarin de ratten en de muizen komen schijten en kleintjes maken, en ook 300 000 varkens moet ’t hebben per jaar om elke avond na de maaltijd een schoon boertje te kunnen laten.

Hoe laat is het?


’t Zit al met een kwart miljoen soortgenoten in de stad, woeps. Die kunnen niet eens meer naast elkaar worden gelegd voor het slapengaan. Maar voor ieder probleem bestaat er een oplossing. Kijk maar. ’t Bouwt al in de hoogte, appartementen, waarin de gezinnen ondervinden dat ze nooit als enige potten smijten naar mekaar in tijden van echtelijke dip. En al metselend en bricolerend en bouwend wordt ’t plotsklaps geconfronteerd met iets waar ’t zich aanvankelijk geen raad mee weet: die huizen, ze vervallen na een tijd. ’t Heeft bouwmaterialen gehakt uit de rotsen die er altijd stonden met een air van onvergankelijkheid, maar de bouwmaterialen storten in, de rot kruipt erin, de zwammen eisen hun ereplaatsen op. In plaats van te bouwen heeft ’t ineens her op te bouwen, te onderhouden. Hetgeen geld kost. ’t Voerde best gaarne oorlog om te bouwen, maar een oorlog om her op te bouwen vindt ’t toch een beetje sneu.


Dus bedenkt ’t een fonds, een hulpkas voor de renovatie van de stad, gevuld met wat een nieuwe belasting op de hoererij heeft opgebracht. Immers wordt er hier allebot voldoende zaad in de betaalde lijven gepompt. Hoeren genoeg, getooid in transparante chemisettes, directoires, geborduurde kamizooltjes, boezemsjerpen, mauve mantilles, schortdoekjes, bijgod zo geil, en sluiers, en petticoats. Het jaar nadien dragen ze iets anders om uit te doen, want er zijn modes, ’t beleeft er plezier aan vandaag te veel te betalen voor wat ’t morgen weer waardeloos wenst te vinden. De wangen bestreken met vermiljoen en het lijf zo wit als mogelijk, dat zijn de hoeren die zich te goed voelen om een hoer te zijn en dan maar courtisane zijn. Ze spelen de cithara, falderie, faldera, en hebben verstand van make-up. Ze komen klaar op de juiste toonhoogte en dienen als pronkstuk voor de klant die haar overlaadt met mirte en munt. En er zijn de hoeren, de echte, zij die geen munt in hun spleten te steken hebben om te verbergen dat ze rieken naar gezouten vis. Hoeren van twee kwartjes, vaal en ziek en nauwelijks ontluisd, met gezwollen voeten van het tippelen door de stad. Er zijn de deernes van de dokken, lelijk en stinkend zonder pardon, maar o zo heerlijk om in hun hol even de zeeën te mogen vergeten. Er zijn de moeders die hun dochters in de aanbieding zetten om te overleven, en er zijn de bejaarde slavinnen die voor hun meesters niet meer rendabel waren en werden vrijgelaten, en die zich nu hebben te laten bekruipen voor een handje graan. Er is genoeg voor iedereen, ook voor de vaders die hun zonen wensen in te wijden in het wonder. En aangezien ’t altijd al op vooruitgang en verbetering was gesteld, vindt ’t het ook nu weer tijd voor een nieuwe vondst en bedenkt ’t het garantiebewijs. Niet tevreden van de slet, geld terug. ’t Organiseert hoerenbeurzen op de grootste sportterreinen die ’t heeft, toegankelijk voor koper en verkoper, want er dient tenslotte te worden geneukt om deze stad te redden van haar ondergang. Poepen voor de stadskas, beuken uit burgerzin. Laberdi, laberda, laberdonia. En de tweestuivershoer, als ze kreunt is het misschien om het geluid van haar rammelende maag weg te steken. ’t Kent armoede, omdat ’t rijkdom kent. ’t Heeft meer dan een ander omdat een ander minder heeft.

Zou ’t daar soms nog eens aan denken, aan de momenten van het collectieve grondbezit? Toen alles nog van niemand was waardoor iedereen iets had? Nu moet ’t kunnen zwaaien met een eigendomsbewijs. ’t Is pachter of deelpachter, slaaf of meester, ’t heeft een bovenklasse en een plebs. En naargelang z’n afkomst heeft ’t last van vadsigheid, of van honger.

À propos, iemand onlangs eigenlijk nog een reuzenwombat gezien?


Als ’t nu nog eens een god op aarde zet, het is alweer een hele poos geleden? Een god, waarvan men de naam niet mag noemen bijvoorbeeld, het is eens wat anders. Een god, waaraan ’t zijn bestaan heeft te danken, een opperwezen dat alle leven boetseerde uit wat klei, en die men heeft te eren door een dag per week geen poot uit te steken. Een god die ’t verbiedt dieren met gespleten hoeven of niet-herkauwende wezens op te vreten, en die ’t vraagt de hoofden van de vrouwen kaal te scheren omdat vrouwen sowieso te lichtzinnig zijn en klets zijnde iets minder snel geneigd zullen zijn te flikflooien.

Of neen, neen, ’t neemt een andere god, één die met zijn broek aan een kind verwekte met een maagd, zo’n profetenkind dat doden wekt en wijn van water maakt met een vingerknip. Goden, allez toe, waarin ’t moet geloven om het eeuwige leven te verkrijgen.

Of als ’t gewoon eens zelf een god zou zijn? In plaats van koning of consul wordt ’t keizer: een god van vlees onder de krabbers. En de keizer, die is het gekakel en het geredetwist moe en kondigt de alleenheerschappij af, noemt zichzelf ‘de verhevene’ en houdt zozeer van zijn eigen smoelwerk dat hij zijn portret in alle munten slaat. Hij laat de boeren boeren en richt een beroepsleger in, vervangt elke baksteen door marmer en maakt de stad nog chiquer dan ze al was.

’t Aanbidt de keizer, al heeft ’t eerlijk gezegd niet veel keus. Het is aanbidden of sterven. Maar goed, er is al beterschap op komst; de keizer wordt vergiftigd door zijn eigen wijf die haar zoon uit een vorig en vurig huwelijk op de troon wil zien. Een andere en een betere! Verandering van spijs doet vreten! Daarmee zit ’t nu met een nieuwe keizer opgescheept, één die stijf staat van de paranoia omdat hij als geen ander beseft dat er altijd wel ergens wijven zijn die hun zoon de troon op willen; één die lastige senatoren de dood in jaagt en de bijl laat zetten in de nek van elkeen die hij niet vertrouwt; een zwartgallige en depressieve heerser die zich terugtrekt op een eiland en van daaruit doodsvonnissen uitvaardigt over de verdachten van de stad; één die in dekens wordt gewurgd om andermaal een andere en een betere op de troon te hijsen. ’t Heeft bij deze gelegenheid een keizer, een lelijkaard met epilepsie, die zijn soldaten in slagorde op het strand heeft gezet en hen daar schelpjes liet rapen, want bezit is macht en schelpjes zijn de krijgsbuit van de oceaan. Een heerser over de wateren enfin, die schijnveldslagen in de bossen uitvoert om het respect op te vijzelen enerzijds en eretekens te verzamelen anderzijds, een kwibus die geld wegsmijt en prestige verleent aan een dierentuin vol zeldzaam wild. Een keizer die woest wordt wanneer zijn dienaren zeggen dat de prijs van de schapen te hoog werd om ze te laten dienen als voeder voor zijn exquise collectie wilde beesten. Waarna die wilde beesten geen schapen meer krijgen op het menu, maar wel krijsende dienaren aantreffen in hun voederbak. Een keizer met op zijn minst zoveel inzicht in zijn eigen soort dat hij zijn paard tot consul benoemt. Een keizer die op zijn eigen zusters kruipt als de vrouwen van zijn senatoren onbeschikbaar of ongesteld zijn, en die wordt vermoord met een zwaard om, juist, een andere en een betere het keizersgewaad te laten passen.

En zowaar, ’t maakt nu mee dat er geen één nog keizer wíl worden, hoeveel perversiteiten men zich met deze titel ook kan veroorloven. ’t Heeft er eentje vanachter een gordijn te sleuren, eentje die geen goesting heeft om zich morgen of overmorgen te laten afslachten en die desalniettemin de troon wordt opgestampt. En nu die dan toch op zijn troon zit en er geen prettige weg terug lijkt, past hij zich aan en maakt hij meteen driehonderd ridders en vijfendertig senatoren af; potentiële complotsmeders. En deze keizer, het bevalt hem gelijk nog ook om keizer te zijn, zot van bloed en zot van sadisme. Helaas opgescheept met een teef die hem ongelukkig maakt; een nymfomane doos die hij executeert, waarna hij trouwt met een andere teef die uit een vorig en vurig huwelijk al een zoontje heeft. En die moet natuurlijk op de troon worden gekregen. Het gif zit dit keer in de paddenstoelen die de keizer eet, het moeten niet altijd vijgen zijn. Een andere en een betere! Een jodelaar dit keer, één die jankt als de katten en daar podium en applaus voor wil. Een keizer die zijn hoogzwangere vrouw doodschopt als ze zaagt omdat hij te laat is weergekeerd van de wagenrennen, één die de mannen laat castreren om met hen de liefde te kunnen bedrijven zoals hij dat gewoon was van te doen met zijn vrouw vóór hij haar had doodgeschopt, één die zijn tuin verlicht met brandende lijven en die zo slim is om zichzelf met een dolk van kant te maken omdat hij geen goesting heeft om vermoord te worden. De volgende!


Vecht ’t af en toe nog wel in oorlogsverband? Want als het crapuul niet toevallig keizer is moet dat worden opgesloten, en dus is er geld vandoen, veel geld, om meer gevangenissen te bouwen. Donkere, betonnen koterijen, kuilen van vier meter diep waarin het stinkt en vochtig is. De verachtelijken stampt ’t in een kerker waarin ’t kan horen hoe in een belendende kerker de nekken van ándere verachtelijken worden gebroken, zodat ze kunnen wennen aan wat hun wacht. En de lijken smijt ’t van de trap, de straat op. Hoe vriendelijk, zoals ’t voortdurend de gieren ruim te eten geeft.

Het komt niet aan op een executie meer of minder, ’t is met volk genoeg, onder andere om zich te vergapen aan openbare terechtstellingen, het gedeelde genot te zien sterven is dubbel genot. ’t Organiseert, ten bate van zoveel genot, bijltjesdagen, waarop de ene na de andere gangster wordt genekt. Met uitzondering van de maagden. Want ’t heeft manieren en schreef in het wetboek dat het ethisch onverantwoord is om maagden te veroordelen tot de dood. Het ethische wezen. Dus roept ’t een beul in het leven, belast met het in de rapte nog eens verkrachten van dievegges, opdat de letter van de wet gerespecteerd mag blijven.

Zo gaat ’t vooruit. Door hardheid. Door mannelijkheid. Door onverschrokkenheid. Geheel in overeenstemming met z’n levensvisie moet ’t bijvoorbeeld van geen kunst meer weten, dat verwijft de zeden. Kunst is niet over de hele lijn verwerpelijk, ’t kan er bijvoorbeeld de pronkzucht mee bevredigen, maar het is niet iets om al te ernstig te nemen. En wil ’t eens pronken, dat komt in de beste gezinnen voor, dan moet ’t de kunsten van andere volkeren stelen aangezien ’t zelf geen oorspronkelijke artistieke ideeën heeft. Nogmaals: ’t is geen trut, wat zou ’t dan artistieke ideeën hebben?


Neen, ’t is inderdaad geen trut; ’t heeft verkregen wat ’t heeft door vent te zijn, een vechter, één die graag de dood van een ander in de ogen kijkt. En om de moraal te onderhouden en de moordlust op peil te houden richt ’t spelen in, onderhoudende programma’s waarbij het ene lijf na het andere wordt kapotgekapt. Aangezien ’t zijn hele omgeving reeds onder het beton heeft bedolven mist ’t namelijk ook de adrenaline die ’t ooit door de aders voelde stroelen wanneer ’t op jagerspad ging. Och, nog eens een hert te kunnen doden op ambachtelijke wijze! Zo nog eens simpelgaandeweg tegemoet te kunnen komen aan dit vroege atavisme!

Daarmee bouwt ’t een amfitheater, honderdduizend kubieke metertjes aan bouwmaterialen groot, bekostigd met, rara ra, oorlogsbuit. Een indrukwekkend spel omzoomd met tribunes waarin de eerlozen bovenaan zitten en alles wat zich naar de politieke top heeft geslijmd en geklopt en gevogeld mag blinken in het zicht van alleman. Daar slacht ’t in de ochtend beesten af: struisvogels, olifanten, giraffen, leeuwen, ganzen, everzwijnen, ezels, bizons, panters… Alles wat in staat is te sterven smijt ’t de arena in, duizenden kilo’s vlees per dag. Tonnen. ’t Zou natuurlijk zonde zijn om iets van die dieren hun kostelijke doodstrijd te moeten moeten missen, dus bedenkt ’t een systeem voor zonnewering. Klip en klaar. Ziezo, dat is al veel beter nu.

Heeft ’t geen interessante beesten meer om af te maken, dan start ’t een militaire campagne in een wreed ver buitenland en neemt vandaar nog een paar unieke exemplaartjes mee. Zie, een krokotta, ooit al gezien? Maak maar af! Pas op, ’t is wel al verder gevorderd dan dat ’t altijd bloed zou moeten zien om zich te verblijden. Ook zonder bloed weet ’t spektakel te verkrijgen. ’t Kan de hele arena onder water laten lopen, bijvoorbeeld om zeeslagjes na te spelen, maar ook om paarden traag te laten verdrinken, hetgeen ’t enorm op prijs weet te stellen.

Na het bekijken van deze geanimeerde jachtpartijen eet ’t een hapje, immers is er meer dan genoeg aanwezig om te roosteren, en zet ’t zich schrap om de pompa te bewonderen. De pompa: een feestelijke optocht van ter dood veroordeelde gevangenen en slaven van mindere kwaliteit, die in processie door de arena worden geleid. ’t Heeft een presentator die de misdrijven en de straffen met gevoel voor intonatie voorleest. Waar wacht ’t op? Misdadigsters worden eerst nog eens gedekt door een stier alvorens ze worden gespiest, moordenaars dienen zich eerst eigenhandig te castreren en worden dan aan de beren gegeven, en zij die geloven in de god die water maakt van wijn, neen, wijn van water was het, worden aan kruisen gespijkerd of, banaal maar niet minder grappig, het hoofd afgeslagen. Er is vermaak voor iedereen.

Heeft ’t nog iets opgespaard dat kan worden geworgd? Neen? Laat ’t dan nu overgaan tot de gladiatorengevechten, man tegen man, broer tegen broer, slaaf tegen slaaf, vader tegen zoon, echtgenote tegen maîtresse, schandknaapje tegen schandknaapje, tot de spelersgroep is gehalveerd. En kom, kom, ’t kan niet genoeg lachen nietwaar, het bestaan vráágt erom te lachen. Waarmee ’t nog een spelletje bedenkt, iets met geblinddoekte strijders die in het ijle met hun zwaarden zwaaien en smijten en niet weten dat hun tegenstander zich tien meter verderop bevindt. De max, gewoon.


Maar wat de verbazing wekt; ondanks het feit dat er aan de lopende band kadavers worden gecremeerd blijft het inwonersaantal maar groeien en groeien. Met een miljoen is ’t nu al in deze stad! Een miljoen! Ding dong, ding dong. Samengeperst op niet minder dan duizend hectare, met drie huishoudens boven elkaar in vaak raamloze kamers. ’t Zou de stad willen uitbreiden maar ’t kan simpelweg niet meer: de heuvels waartussen ’t is komen wonen staan al vol. Een miljoen…

En ’t wordt stilaan onnozel ook van zijn eigen lawaai. In elke straat wordt er met hamers geklopt en met stenen gezeuld, de handelaars roepen zich schor om klanten, de epileerders doen hun werk op de stoepen en plukken oksels en benen kaal, de leraren geven les op de pleinen en blaffen hun onwillige studenten af. Er zijn de bedelaars, de bakkers, het gekletter van wielen over de stronkelstenen van de kronkelstegen, zij die elkaar de huid volschelden omdat het verkeer zit vastgepropt, altijd maakt ’t lawaai, altijd, altijd, dag en nacht en nacht en dag.

’t Houdt nochtans zuiveringen door een pak vreemdelingen en slaven te liquideren, zodanig zelfs dat het bloed met sponzen van de marktpleinen moet worden gesopt, ’t vervolgt diegenen die geloven dat ze hun vrouwen moeten scheren en ’t vervolgt diegenen die geloven dat je ’s vrijdags heus geen vlees mag eten. Maar de stilte waaruit alles ooit eens werd geboren keert nooit meer weer en al helemaal niet naar deze miljoenenstad.

’t Leeft in zijn lawaai en ’t leeft in zijn stank. De stront moet voortaan worden opgespaard want ’t vraagt nu werkelijk zoveel van de velden dat er voortdurend moet worden gemest; geen enkele drol mag nog worden versast in het kanaal. ’t Stelt slaven aan die niks anders te doen hebben dan vliegen neer te meppen, en uit de grote dampende hopen schijtsel komen de tetanusbacteriën gekropen. ’t Heeft honger. Hoort ge? Honger!

En ’t komt op straat en eist massaal het nu nog verse vlees van de ter dood veroordeelden van de dag op. De stad is vol, proppenste vol, de gronden geplaveid. Bij de eerste serieuze regenbui wordt met andere woorden niks nog opgeslorpt en spuwen de riolen hun inhoud naar boven. Huisdieren verzuipen in de vloed en blijven gisten tot de gieren zich te schransen zetten.

Wat daar momenteel bloed oprochelt en nerveus zijn zweren aan klodders krabt is heerser over de wereld; een beschavingsmonster met een onvolledig geel en bruin gebit en een door staar vertroebeld zicht op de leeftijd van dertig jaar. Kreupel van de jicht. Bezitter van cholera, schijterij, hepatitis, tuberculose, lepra, tyfus. Eigenaar van ruggenmergtering, leverknobbels, gonorroe, hondsdolheid, aambeien, psoriasis en spruw, want een ongeluk hoeft nooit alleen te komen, verkankerd en creperend evenwel genietend van z’n realisaties.

’t.

En ’t zou nog eens op de hoeren moeten kruipen om de stad na de zondvloed wederom weder op te bouwen en bedenkt voor het zekerste ook nog eens een belasting op toiletgebruik. Smijt maar de stadskas in! Schijt het rijk rijk! Het schepsel der schepselen betaalt nu ook al om te mogen pissen; glorie zij het intellect.


Iemand kandidaat voor het keizerschap? Neen, ’t heeft ronduit geen goesting meer om zich te laten vermoorden, het keizerschap wordt overgelaten aan kinderen van veertien jaar, of per opbod verkocht. ’t Betaalt zich blauw voor z’n geïmporteerde graan, het geld dat ’t ooit zo zelfvoldaan wist uit te vinden blijkt ineens geen knol meer waard te zijn wegens inflatie, en aan de grenzen staan de uitgebuiten klaar om wraak te nemen en deze stad aan gruzelementen te slaan: ’t vormt een guerrilla met de honger als generaal. Doe daar nog een epidemietje pokken bovenop en binnen een zucht is ’t ineens maar met 30 000 meer in deze stad. Zo rap kan het gaan.

En daarmee vraagt ’t zich opeens af of de aanbidders van die ene maffe god misschien toch geen gelijk zouden kunnen hebben. De god, en er wordt beweerd dat hij de enige is, die een maagd kon laten bevallen van een wonderkind dat verkondigde wat zijn onzichtbare vader hem influisterde, namelijk dat het leven op aarde van geen tel is doch een voorspijsje van het eeuwige leven dat kan worden verworven door gewoon maar te geloven in de god. ’t Stopt ermee de religieuzen af te slachten en geeft hun meteen de schoonste postjes die er te rapen zijn in officiële functies. ’t Organiseert ogenblikkelijk concilies waarop wordt gedebateerd over belangrijke vragen zoals ‘is die zoon nu evenveel waard als zijn vader?’ en stelt vast wat als ketterij moet worden bestempeld en wat niet. Aan het hoofd van deze godsdienst wordt een paus geplaatst, íémand moet de touwtjes tenslotte in handen nemen. ’t Schaft belastingen af op de erfenissen en de schenkingen die de bewakers van deze godsdienst ten gunste vallen, zodat binnen de kortste periode die paus de grootste grootgrondbezitter op aarde is. En aangezien deze god zowel de veelwijverij als de veelventerij afkeurt, komt er een verbod op overspel. De pornocratie stuikt ineen en sleurt het hele bestuursapparaat en haar vervallende gebouwen mee.

En de gronden, die zijn geërodeerd, zo te zien nog voor een hele tijd. ’t Zet weer dapper een boerderijtje recht en bidt tot die ondertussen al halvelings verplicht te aanbidden god of er alstublieft toch een onnozel gewasje uit die dode grond zou mogen opschieten.

Het wordt eindelijk weer wat stiller. ’t Laat zich zakken in de zetel en bekomt.

’t Is moe, en de wereld met hem.

Hoe laat is het?

Tja, en aan sport doet ’t nu ineens ook niet meer. Maar ’t is toch zo tevreden van zichzelf. De barbaren, dat zijn de anderen. Altijd.


Ach, kind, zwijgt stil; het is een triestig leven op een triestige wereld. Nog een geluk dat het met die wereld ver afgelopen is; die zal allengs door middel van 1468-jaar-durende vuren worden vernietigd op bevel van de grote kosmische chef d’oeuvre. Maar ’t is geduldig en keert zich alvast nu reeds af van de hele teringzooi. ’t Hakt op een kameelrit reizen van de dichtstbijzijnde bewoning een nis uit de rotsen en kruipt erin. ’t Laat daar z’n baard groeien en bevlooien en is content dat ’t zich voor niks of niemand nog moet wassen of scheren. ’t Laat er luide winden zonder pardon te zeggen en ’t ringt er mediterend de dagen aaneen zonder ook maar één keer op te staan om te pissen. Heeft ’t iets vandoen om z’n meditatie verder te zetten, want voor niks gaat werkelijk nog niks, zelfs het niksen niet, dan knoopt ’t een tapijtje of vlecht ’t een matje van z’n haar en verkoopt dat aan de immer toevallige passant, nadat die laatste tenminste is bekomen van het verschot. Okee, ’t heeft weliswaar niet vies te zijn van een spinnenkop als maaltijd, maar ’t heeft hier alleszins geen toneelstukken en geen beeldhouwwerken aan zijn hoofd, geen keizers, geen oorlogen en geen belastingen.

Vindt ’t het heremietenbestaan een tikkeltje te smerig of heeft ’t z’n stoverij het liefst toch een beetje gebaad in het bruin bier, dan moffelt ’t zichzelf in een zwarte pij en duikt ’t onder in een klooster. Daar schoffelt ’t een paar uurtjes in de moestuin onder zeurderig gezang met de klep van het verstand naar beneden, en mompelt ’t de rest van de dag karamellenverzen in de richting van de hemel.


Het is duidelijk: ’t keert zich af van de wereld. Van de wereld en van z’n geslachtsdrift. Want een verlangen om te vogelen is meer noch minder dan een geprojecteerd verlangen naar god, een betreurend feit van concupiscentie, zoals ’t in welopgevoede en tevens welgevoede kringen zegt. Had ’t soepelere buikspieren gehad, ’t had z’n eigen fluit er allang afgebeten. Was ’t meteen ook van veel miserie verlost. Nu zit ’t daar, concupiscent gaandeweg naar god te verlangen met een stijve fluit en een natte schuif. ’t Kan maar beter een aker koud en stillend water over z’n koppige lichaamsdelen gieten, aangezien de maagden een betere behandeling krijgen in het paradijs. Maagden en martelaren. Dat laatste maakt dat ’t zich nu zelf al komt aangeven bij zijn beulen: ‘Sla mij, nagel mij aan een balk, beschimp mij, verneder mij, laat mij alstublieft latrines proper likken, doe mij toch dood.’

En geef ’t maar eens ongelijk; wat is tenslotte een beetje ambetantigheid vergeleken bij een voorverwarmde vip-plaats in de absolute eeuwigheid?

De krabbers, de slaven, de sukkels, de mismaakten; zij vinden, alweer, een grote troost in het vooruitzicht op de dood en al de dagen erna. De dood als socialist. Gelijkheid in de lijkstijfheid. Lang zal dat overigens niet meer op zich laten wachten, de grote rekenwonders hebben becijferd dat de dag waarop god met zijn vlammenwerper de aarde zal vernietigen nabij is. Het kan voor ieder moment zijn. Waarom zou ’t dan nog moeite doen voor eender wat? Straten die aan herstelling toe zijn blijven liggen zoals ze liggen. Wat zou ’t bijgod gaan renoveren dat morgen naar de finale schroothoop gaat?


De romantische zwever, de eeuwige probeerder, die van ver is komen aanlopen om te pochen met de uitvinding van het papier, zodat ’t eindelijk verlost is van dat lastige perkament om op te schrijven en ’t geen boeken van palmbladeren meer bij elkaar hoeft te binden, wordt vierkantig uitgelachen. Allez, papier, serieus zeg! ’t Kuist er nog liever zijn gat mee af. (Hops, wéér een uitvinding.) Want moeite om te leren lezen of schrijven neemt ’t niet meer. Wie kan zich daarvoor motiveren met het eind van de planeet in zicht? Kijk eens vijfentwintig volle tellen hier: ’t heeft al vele ter dood veroordeelden naar de galg gebracht, en daarvan was er geen enkele aan het studeren op zijn schavot. Dus? Bovendien geeft het paradijs niet enkel een voorkeursbehandeling aan maagden en martelaren, ook de dwazen wacht er een eredecoratie op de borst. Zalig zijn de kiekens.

In de grote steden is er maar vijf procent alfabeet. Het is dan nog niet eens eender in welke taal men leest of schrijft. Wie in zijn eigen taal schrijft is een geitenlulletje van niks. God spreekt immers niet in de taal van het volk. Misschien kakelt hij, want zalig zijn aldus de kiekens en aangenomen mag worden dat hij er toch wel eens een praatje mee zal slaan, terwijl hij hun eieren opraapt. Maar om zomaar tegen zijn eigen spiegelbeeld gewone boerenkosttaal te spreken is zijne perfectie uiteraard veel te verfijnd. Die wil kunnen jongleren met kostelijke suffixen.


Trouwens, zo over intelligentie gesproken: ’t heeft zich te hoeden voor namaak. Als de charlatans niet in de kunstensector zitten, dan vinden ze hun stek wel in de wetenschap. Ze kletsen wat uit hun nek en krabbelen er een formule onder, de zevenkantswortel van een algoritme, hocus pocus cosinus, en iedereen knikt verstomd. Zo werd ’t onlangs nog vanuit wetenschappelijke hoek met verbazing geslagen omdat de wereld rond zou zijn. Nog maar eens. Berekeningen van hier en bewijsvoeringen van daar, alles was gecheckt, gedubbelcheckt en gequadruppelcheckt: de wereld was rond. Juist. De wereld is rond en de appelen zijn vaneigens plat. Want ’t is nog eens gaan nadenken over deze oude kwestie. Een ronde wereld zou maken dat alle voeten naar elkaar wijzen. Dat is niet beleefd, naar elkaar wijzen. Om te beginnen. Een ronde wereld zou tevens een nieuwe vraag lanceren, namelijk: wie loopt er recht en wie loopt op z’n kop. Dan zou ’t ondersteboven moeten kunnen hangen zonder een knalrode kop te krijgen. Er zouden bomen moeten zijn die naar beneden groeien en die zich voeden met regen die naar boven valt. En wat de hemel is voor de een, zou dan de hel zijn voor de ander, zeker? Maak dat de ganzen wijs! De ganzen en de vrouwen.


Nu ’t gedoemd is om binnen dit en een scheet samen met de aardbol, neen, om samen met de aardschijf op te fikken en in de wachtkamer van het paradijs te worden gezet, lijkt ’t volkomen nutteloos om zich nog langer met geneeskunde bezig te houden. Van geen enkele waarde is de kennis van het lijf als ’t morgen reeds een geest zal zijn. De anatomen leveren hun messen en hun slijpstenen in. Verplicht. Want hoe dom ook. Oorlog na oorlog na oorlog heeft ’t kunnen aanschouwen hoe ’t is samengesteld uit blubber en bloed en drek en sap en slijm. De ene na de andere werd opengereten, opengesneden, gespleten, aan fragmenten geklutst, gekaakt als een haring of kapot gesmeten. Of lag te rotten tot z’n hele binnenkant spontaan naar buiten kwam. ’t Heeft z’n hele anatomie al meermaals uit de muil van honden zien bungelen. Als ’t nú nog niet weet wat er zich schuilhoudt achter z’n eigen huid!

Dat een verbod omzeild kan worden weet ’t al langer. De chirurgijnen kijken eens goed rond naar gelijkenissen in de natuur en halen tenslotte hele scheepsladingen apen naar hun dissectielokaal. Zijn al die beesten vervolgens uitgerafeld en ontbeend, en zet er zich een dissidente stilte in het oerwoud neer, dan komt ’t tot de conclusie dat een lijf niks meer is dan een tripartiete ziel die op geregelde tijdstippen op een pot moet worden gezet. Vooral na het veelvuldig naar binnen spelen van appelsienen.

Een tripartiete ziel. Het is weer eens wat anders.


Natuurlijk zijn er altijd die het beter willen weten, de dommeriken meer bepaald. Diegene die daarstraks van de gelijkenis met apen sprak is reeds opgepakt en aan repen gesneden, en zonder voorafgaande studie op zijn spijsvertering ogenblikkelijk aan het insectendom gegeven. Hoor ze smikkelen, de kevertjes.

’t Kan toch niet zomaar handelen in naam van de wetenschap als ’t daarmee tovenarij bedoelt, dat heeft geen fatsoen. Apen openknippen? Kom, kom. Dat is toch ook uitsluitend en alleen om drankjes van te brouwen? Neen? En uit schrik om voor een wetenschapper te worden versleten verbrandt ’t zijn boeken, áls ’t al boeken heeft. Er rust een gevaarlijke vorm van wantrouwen op elke geletterde. Maar vooruit, ’t ziet het langs de positieve kant: een half jaar lang worden de openbare baden verwarmd met brandende boekrollen. Dat scheelt aan de portemonnee. En als het aan de portemonnee scheelt, dan scheelt het ook aan ’t lief.


Ding dong, ding dong. Da’s de bevolkingsteller. Die heeft net zijn tweehonderd miljoenste tripartiete ziel geregistreerd.


Waarom zou ’t scharen in apen zetten om kennis te vergaren? Weet ’t nog niet genoeg misschien? Zo weet ’t, om nu maar lukraak iets te noemen, dat ’t om lang te leven geen al te schandalige hoeveelheden vet mag vreten en dat het tevens beter is de wijn met water aan te lengen. ’t Adviseert om na een zuippartij elkaar niet te bekruipen, want verschrikkelijk is het achteraf kinderen groot te moeten brengen die zijn geboren uit een misbaksel dat men zich, primo, niet helder meer herinneren kan en waarvan men zich, secundo, niet meer ontdoen kan. Maar meest van al, en het heeft halvelings wel iets met het voorgaande te maken, weet ’t dat vlees de kern is van z’n wezen, de bron van elk geluk. Vlees! Vlees om te eten en vlees om te penetreren! Vergeet dat geleuter over onthouding, die concupiscentie was maar om te lachen. ’t Haalt opgelucht de knopen uit z’n lul en roept om vlees. Vlees nondedju! Vlees om te bestijgen en vlees om de zweep te geven!

Desbelust berijdt ’t wijven en kamelen. Het ene heeft ’t overigens met het ander aangeschaft. Want vrouwen worden van hun vaders afgekocht met een kameel. Het schip van de woestijn voor het schip van de matras. Bloedschulden worden vereffend en jarenlange vetes drooggelegd na het betalen met kamelen. Schulden, bulten. Niets is ’t zonder kameel en niets is ’t zonder teef.

’t Vlecht touwen van palmvezels om ze te besturen, de kamelen, niet de teven, en ’t maakt zakken van geitenleer om ze te bepakken. En ’t rijdt ermee van markt naar markt om levensnoodzakelijke overbodigheden te kopen en te verkopen. Zoals leer: lappen stinkende huid die ’t wist te bedisselen van de karkassen en waarvan ’t muiltjes maakt voor schone voetjes, wambuizen, perkament, flessen, gordels, tenten, ja, ’t bekleedt er zelfs zijn stoelen mee.

Wil ’t echter rijkdommen vergaren, dan grossiert ’t in wierook en mirre, gewonnen uit de bomen: het vette schuim dat uit de boombast barst in het heetste van de zomer, en dat ’t opvangt op een palmblad en papperig ziet worden. Daar houdt ’t van, van die geur, en wel precies omdat ’t houdt van vlees. Want is a