Main De laatste liefde van mijn moeder

De laatste liefde van mijn moeder

0 / 0
How much do you like this book?
What’s the quality of the file?
Download the book for quality assessment
What’s the quality of the downloaded files?

We schrijven begin jaren tachtig van de vorige eeuw. Maak kennis met Martine Withof, haar nieuwe liefde Wannes Impens en met Jimmy – het elfjarige zoontje van Martine, dat zich opeens opgescheept ziet met een deugdzame stiefvader.

Wannes stelt er eer in om zijn vrouw en haar zoontje te trakteren op een zomerweekje in het buitenland. Voor Martine gewend is aan de gedachte dat ze een aantal afleveringen van Falcon crest moet missen, zitten ze al in de bus naar het Schwarzwald. Tijdens de reis raakt Jimmy bevriend met de vier jaar oudere Heloise, die hem een schokkend nieuwtje weet te vertellen over zijn moeder en haar minnaar.

NBD|Biblion recensie

De nieuwe roman van Dimitri Verhulst (1972) speelt zich andermaal in uitzichtloze kringen van de Belgische samenleving af. Het eerste gedeelte van het boek verhaalt over een groepsreis naar het Zwarte Woud in de jaren tachtig. Kolderiek en met veel stijlvertoon wordt dit verhaal verteld, waarbij de verteller de draak steekt met de ergste vakantiecliches. Een moeder heeft na haar eerste huwelijk (met een ongeremd zuipende man die haar mishandelde) een nieuwe vriend gevonden, Wannes, een fabrieksarbeider. Tussen hem en het 11-jarige zoontje uit het eerste huwelijk van de moeder, Jimmy, botert het niet. Door de nieuwe relatie heeft Jimmy het gevoel zijn moeder kwijtgeraakt te zijn, nog meer wanneer blijkt dat de moeder zwanger is. Het tweede gedeelte speelt zich meer dan zeventig jaar later af, wanneer de 91-jarige Jimmy, filosoof, een bezoek verwacht van zijn bejaarde halfbroer. Was het eerste deel onderhoudend en komisch, het tweede (korte) deel slaat het boek enigszins uit het lood. Daarbij is het toch de plezierige Vlaamse stijl, met prachtige volzinnen, die hier voor genoegen zorgt. Paperback; normale druk.

(NBD|Biblion recensie, Jos Radstake)
(source: Bol.com)











Publisher:
Atlas-Contact
Language:
dutch
File:
EPUB, 579 KB
Download (epub, 579 KB)
0 comments
 

To post a review, please sign in or sign up
You can write a book review and share your experiences. Other readers will always be interested in your opinion of the books you've read. Whether you've loved the book or not, if you give your honest and detailed thoughts then people will find new books that are right for them.
DIMITRI VERHULST





De laatste liefde van mijn moeder





2010

Uitgeverij Contact

Amsterdam/Antwerpen





I





Martine Withofs kon met weinig tevreden zijn in het leven, al was dat niet helemaal haar eigen verdienste: ze had nooit veel gehad, dan gaat dat weinige ergens wennen. Hoe dan ook; zij kon, om maar iets te zeggen, oprecht gelukkig zijn met een teevee. Niets meer, niets minder,... een teevee! Misschien had dat te maken met haar geboortejaar, waarin het geloof in de televisie werd uitgeschreeuwd als een compagnon, een wapenbroeder in de kruistocht ter verbanning van de Belgische achterlijkheid en vulgariteit, als een hulpmiddel ter verspreiding van kennis en cultuur onder de oppervlakkige bierdrinkers en viswijven. Martine werd namelijk geboren in het jaar waarin de pot overheidsgeld werd gebruikt om met de televisie die hele simpele gemeenschap van boertige mosseleters eindelijk opgevoed, verheven en veredeld te krijgen. Zij zag het levenslicht in precies die herfst van 1953 waarin het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio-Omroep de eerste televisiebeelden op zijn te beschaven bevolking losliet: het programma Panorama met een uitzending over de Venetiaanse schilderkunst. Dat doet iets met een mens. Zoiets moet zijn sporen nalaten op het karakter.

En het is waar, weinig was Martine gedurende haar eerste negenentwintig levensjaren gelukkig geweest. Maar áls ze het was geweest, dan had de teevee daar dikwijls voor iets tussen gezeten.

Om te beginnen had ze snel geleerd tevreden te zijn met het simpele feit dat het televisietoestel functioneerde. Alleen nog maar dat, functioneren, zonder meer. Het vroeg dan inderdaad soms veel geduld en een stel goede benen om dat bakje aan de praat te krijgen. De kilometers die Martine alles bij elkaar heeft afgelegd terwijl ze met een antenne door de hele woonkamer liep op zoek naar een deftige ontvangst zijn niet gering en het hoeft dan ook niemand te verbazen dat zowel de overstap van antenne naar kabeltelevisie als de uitvinding van de afstandsbediening;  er later toe hebben bijgedragen dat Martine zich opeens om calorieën en spataders moest bekommeren. Of zoals haar huisarts het formuleerde net voor hij haar een sessie aerobics voorschreef: ‘Wat niet beweegt is dood!’

Soms lag het probleem met de ontvangst niet aan de antenne of aan de mistige weersomstandigheden, maar moest ze gewoon het toestel een paar stevige dreunen geven om het opnieuw aan de praat te krijgen. Geen enkele handleiding die erover repte maar proefondervindelijk wist iedereen: met elektronica ging men best om zoals men deed met onwillige kinderen. Al woei er in pedagogische kringen wel een andere wind die vooral door de onwillige kinderen zelf als verfrissend werd ervaren.

Pas helemaal geslaagd was Martines avond wanneer het volksverheffende televisietoestel probleemloos beelden uit de lucht plukte én de serie Home Is Where My Children Cry op het menu stond. Een gevoel dat alleen maar overtroffen kon worden wanneer Charlotte Goldrush, de tirannieke en achterbakse bitch uit deze 1438 afleveringen tellende kijkverslaving (een rol die met zo’n gemak werd vertolkt door Jane Wyman, in het ware leven overigens de ex van president Reagan, dat men gerust mocht spreken van een geval van doorgedreven typecasting),… wanneer die Charlotte Goldrush dus een nederlaag werd aangesmeerd, bij voorkeur door haar eigenste dochter, Emma Goldrush, die op haar beurt ook best sporen van karakterstoornis vertoonde. Als dat gebeurde beleefde Martine een topavond.

Staande aan haar strijkplank, geflankeerd door twee volle wasmanden (want zij streek alles, ook kousen, ja, zelfs onderbroeken, en hulde vervolgens alles in een wolk stijfsel uit de heilige spuitbus van het merk Remy) volgde zij de lotgevallen van de verdorven familie Channing en was zij gelukkig. Niet dat ze dan van haartop tot teentip doorweekt was van geluk zoals het werd voorgesteld in de reclamefilmpjes van Timotei haarshampoo, de endorfines stroomden om het zo te zeggen niet rijkelijk door haar bloedvaten, neen, het was eerder de tijdelijke afwezigheid van ongeluk die haar een gevoel van innerlijke vrede bezorgde.



In de jaren die ze eindelijk achter zich had gelaten was ze doorgaans al aan haar tweede mand strijk begonnen wanneer haar echtgenoot straalbezopen en nog steeds in zijn werkkledij binnen kwam gestrompeld, brallend: ‘Zit gij nu weeral naar dat strontprogramma op teevee te kijken!’

Hoewel zij met deze echtelijke ongehoorzaamheid het risico op een pak slaag nam, antwoordde ze hem: ‘Als gij heel de avond op café zit heb ik niets anders te doen dan naar strontprogramma’s te kijken!’

Waarop hij weer, een man van het laatste woord tenslotte: ‘Ik zit net op café om te vluchten voor die strontprogramma’s van u, ge moet de feiten niet verdraaien.’ Daarna vroeg hij waar zijn eten bleef en beval hij haar om zijn maaltijd zo snel mogelijk op te warmen, of hij zou nog weleens op het gedacht kunnen komen om die kijkkast van haar kapot te slaan.

Een aanhanger van de androcentrische levensvisie, duidelijk.



De jaren tachtig van de twintigste eeuw waren een zegen voor echtgenotes van om opgewarmd eten schreeuwende dronkenlappen, nu de markt overspoeld werd met magnetrons, een uitvinding uit de jaren dertig doch recentelijk pas op punt gesteld voor huishoudelijk gemak. Wat eveneens hielp was de stilaan groeiende sociale aanvaardbaarheid van echtscheidingen. Martine zou haar hoop overigens op dat laatste moeten stellen, een magnetron was sowieso onbetaalbaar geweest voor een gezin waarin het budget compleet aan Romy Pils opging.



Maar nu was ze gelukkig, veel gelukkiger eigenlijk dan ze ooit met de hulp van Home Is Where My Children Cry was geweest, en ze nam er haar tijd voor om voluit te beseffen dát ze het was. Hier, in dit dorpje van tien vliegenscheten groot, gelegen in het Zwarte Woud, waar ze op vakantie was, de eerste vakantie van haar met haar nieuwe man, Wannes, Impens Wannes, en het kind dat ze, samen met een paar kookpotten, een stofzuiger, een sofa en het eerder genoemde televisietoestel had overgehouden aan haar eerste huwelijk.



Het was stil in dit dorp. En hoewel ze weinig reden had om zich over te leveren aan een ontwakende nostalgische aard, deed deze stilte haar denken aan het straatje uit haar kinderjaren, een cul-de-sac, een straat die als een blindedarm was aangesloten op het wegennet en waarin nooit een wagen kwam. En toen de eerste wagen daar die straat in reed, het moest er ooit eens van komen, een Ford Consul was het, viel hij in panne, hetgeen de hele buurt besmette met een hardnekkige vorm van vooruitgangspessimisme. Het wantrouwen tegenover de automechanica zou pas omslaan toen er zich in één en dezelfde zomer twee gevallen van een hartinfarct voordeden. De eerste patiënt, Germaine Naessens, werd met haar negentig kilogrammen op het bagagerek van een fiets gezet en naar het hospitaal gereden, waar ze nooit levend is aangekomen. Het tweede geval, Ludo Boesmans, werd met de ambulance opgehaald en zou nadien opnieuw zijn gewoonte hervatten om dagelijks vijftien Torpedo Natural-sigaren te paffen, om uiteindelijk tweeëndertig jaar, vier maanden en eenentwintig dagen na de chirurgische oprekking van zijn kransslagader vloekend te sterven aan de ongeneeslijke aandoening genaamd: ouderdom.

Deze herinnering ophalend vroeg Martine zich af hoeveel kelder een feit kon krijgen vooraleer het fictie werd. Vooraleer de vaak herhaalde overdrijvingen voor waarheid werden genomen, of liever, waarheid wérden. Maar de stilte die in dit Duitse gehucht hing was onomstotelijk de stilte uit haar kindertijd.

Ze keek naar de haar omringende velden, de zachte glooiingen, de bomen waarin de vogels vrolijk drukte maakten, de lucht die leek te zijn gekleurd met potlood nummer 161 uit een doos crayons van Caran d’Ache. Ze voelde de zon gezapig branden op haar armen, dacht daarbij nog niet aan huidkanker, nipte van haar kop koffie en was gelukkig, misschien wel op het hoogtepunt van haar leven.

Toen vroeg haar zoon Jimmy verveeld of ze nog lang zouden blijven zitten op dat terras en was Martine al over haar hoogtepunt heen.





‘Wat zou je ervan denken indien wij deze zomer eens op reis gingen’, had Wannes gevraagd en hij voegde er meteen aan toe: ‘Wij, met ons drietjes’, waarmee hij te kennen gaf ook Jimmy, tenslotte toch het kind van een ander, te willen dulden gedurende zijn schaarse vakantiedagen.

Uiteraard was Wannes liever een relatie begonnen met iemand zonder verleden, of dan alleszins toch met iemand zonder kinderen. Maar blijkbaar hadden vrouwen eerst een rothuwelijk nodig vooraleer ze in staat waren verliefd op hem te worden. Het omgekeerde was evenzeer juist: ook zijn amoureuze gevoelens bleken makkelijker moeders dan maagden als doelwit uit te ?kiezen. Hij kon zich daar niet tegen blijven verzetten. Wou hij niet eindigen als een treurige vrijgezel of een kloosterbroeder, dan had hij zich te verzoenen met zijn lot. En hij stortte zich in een affaire met Martine die al een kind op de teller had. Een geluk bij een ongeluk, want hij had evengoed kunnen vallen op een vrouw die al meerdere kinderen op aarde had geperst.

Toen hij, op de leeftijd van zevenentwintig, zijn ouders inlichtte het huis eindelijk te verlaten, zij het schandelijk genoeg voor een reeds getrouwde vrouw, had zijn vader hem verrast: ‘Daar is helemaal geen schande aan, Wannes. De statistieken staan trouwens aan jouw kant; er worden meer nieuwe dan tweedehandse wagens in de prak gereden. Je hebt nu een vrouw die je niet moet roderen, ik wens je ’r alle geluk van de wereld mee.’



Stellen dat Martine meteen uitgelaten reageerde op het reisvoorstel zou overdreven zijn. Ze woonden nog maar samen sinds februari, op een appartement waarvoor ze een meer dan behoorlijke som huurwaarborg hadden neergeteld en dat ze als moderne mensen met tapis-plain hadden bekleed. Voorlopig aten ze nog met z’n drieën aan een keukentafeltje waarop amper plaats was voor een spelbord scrabble, om de kosten te spreiden en niet meteen hun hele uitzet bij elkaar te kopen. Haar echtscheidingsprocedure moest ten andere nog voor de rechter worden gebracht en advocaten hadden nu eenmaal niet de reputatie goedkoop te zijn. Jimmy had de leeftijd waarop hij zijn kleren al in het pashok ontgroeide, zijn schooluitstapjes begonnen steeds grotere happen uit het gezinsbudget te bijten en zijn steunzolen werden niet terugbetaald door het ziekenfonds. Goed, Martine en Wannes hadden een job, hetgeen geen evidentie was in deze crisistijd. En ook al waren het geen droomjobs, het waren toch jobs. En boden die geen droominkomens, het waren niettemin inkomens. Maar toch, toch. Men moest waakzaam blijven. Bergafwaarts ging het altijd sneller dan bergop. Van vandaag op morgen kon je jouw ontslagbrief krijgen, zomaar, zonder nader commentaar, en soms zelfs zonder dank voor bewezen diensten. Je hoorde niets anders en de vakbonden hadden er het kijken naar. Her en der kwamen de communisten weer uit hun doofpotten gekropen; dat was niet bepaald omdat het goed ging met de economie. Het land slikte om en bij de tweehonderd ontslagen per dag, bij staalreus Cockeril-Sambre dreigde men met achtduizend afdankingen in één welgemikte klap, het patronaat blafte dat er lonen moesten worden ingeleverd en harder gewerkt door minder volk, de index werd opgeheven... Was het dan geen decadente uitspatting om in dit moeilijke tijdsgewricht op reis te gaan?



Jimmy had zich onlangs nog een hond gevraagd, met een smekende blik die hij had afgekeken van de dagelijkse Ethiopiër in het zevenuurjournaal en het gebruik van de woorden toe en alstublieft. Nu zijn moeder iemand gevonden had die ze graag zag en zij eindelijk ook zelf eens door iemand anders dan haar zoon geknuffeld werd, had de kleine Jimmy een nieuwe bron van affectie aan te boren. Moederliefde, ze zou niet helemaal vervangbaar zijn volgens Freuds adepten, maar een hond kon toch veel van het vuilste psychologische herstelwerk opknappen. ‘Een appartement is geen plaats voor een hond’, had Martine botweg gezegd en daar kon niemand haar ongelijk in geven. De waarheid was dat zij de kostprijs van de hondenbrokken en een leiband veel te hoog vond. Ter compromis kreeg Jimmy een goudvis die, tot er weer voldoende financiële reserve was aangelegd om een aquarium te kopen, zijn rondjes had te zwemmen in een afgewassen mosterdpot.

Alsof een appartement wel de plaats was voor een goudvis!

‘Het is een ondankbaar kind!’, vond Wannes. ‘Je ziet dat het niet van mij is!’



Martine was op het budgettaire vlak het slachtoffer van haar opvoeding. Haar ouders waren, typisch voor die generatie, als vrekkige pinnen uit de oorlog gekropen. Elke frank moest tien keer worden omgedraaid vooraleer hij werd uitgegeven. Haar vader keek altijd naar de grond als hij over straat liep, de enige manier om geld te vinden én een goede tactiek om de vriendenkring klein te houden. Geen stuiver was hem te min om er zich niet voor te willen bukken, ondanks zijn slechte rug. Als de beenhouwer tijdens het afwegen van een bestelling vroeg of het een paar grammetjes meer mochten zijn, dan antwoordde Martines vader zerp: ‘Als het voor de prijs van een paar grammetjes minder is wel, ja!’ Aangezien ze een kelder hadden wensten ze niet als iedereen mee op te gaan in de naoorlogse consumptiegekte door zich een koelkast aan te schaffen. Waarom zouden ze? Een koelkast, dat verzwaarde de elektriciteitsfactuur verdorie met 590 kWh extra, een vijfde van het totale verbruik. Dus neen, dank u. Toiletpapier kwam er pas haar ouderlijk huis in toen haar vader zijn krantenabonnement uit zuinigheid had opgezegd (‘Het is toch alle dagen hetzelfde nieuws en onbetrouwbaar bovendien!’) en de gratis reclameblaadjes werden gedrukt op iets te glad papier, met veel te vettige inkt. Niets van voedsel werd weggesmeten, aardappelen werden gegeten in de schil. Het brood mocht donzig staan van de schimmel, het moest en zou worden opgegeten. Als roquefort de tafels van de rijken sierde, wat zouden de gewone mensen dan hun neus optrekken voor een sneetje beschimmelde tarwe? Zure melk werd verwerkt in een gerecht dat extremistische christenen traditioneel op Goede Vrijdag aten, uit solidariteit met het leed van hun Heer.

Wie in zo’n gezin was grootgebracht moest daar wel iets aan overhouden. Vroeg je Martine wat het belangrijkste artefact was van de huisvrouw, dan zou zij hebben gegokt op de schaar, waarmee je een hele hoop kortingsbonnen uit bladen kon knippen. Schoendozen vol kortingsbonnen bezat ze, die ze bewaarde in de kast waar ook de koekjestrommel vol mantelknopen zat. Ze kon hamsteren voor wel duizend winterslapen, wist precies waar de bloemkool een centiem goedkoper stond en was bereid voor een winkel vijftien kilometer om te fietsen als ze zich daarmee een habbekrats profijt kon doen.

Genetische erflast alleen kon Martines spaarzucht niet verklaren, en het leidt geen twijfel dat deze karaktertrek tot volle wasdom kon komen doordat zij tien jaar lang haar loon had moeten beschermen tegen de onlesbare dorst van haar ex. Om haar kind en zichzelf gekleed te krijgen, om iedereen in huis van de ondervoeding te redden en om de huisbaas koest te houden zat er niets anders voor haar op dan her en der geld te verstoppen en op te potten, te beknibbelen telkens wanneer de mogelijkheid zich voordeed. Want alles wat haar ex aan cash te pakken kreeg droeg hij meteen naar het café, alwaar hij als een grote heer gul trakteerde en zich trakteren liet, waar hij biljartte tot het keukrijt was opgebruikt en kaartte tot hij de azen dubbel zag. Het was dweilen met de kraan open, dat wist Martine. Haar zoon had meer lap dan broek om zijn beensprietjes gedragen.

Maar goed, dat was nu, grote zucht, verleden tijd. Het was voor het eerst in lange tijd dat Martine boodschappen deed en onderwijl geen last van maagzuur kreeg. Er lag geld in het laatje, geen fortuin, een appeltje voor een kleine dorst, en nu vroeg haar nieuwe vlam al meteen om het op te maken aan een reis.

Nou moe.





En welke reisbestemming had Wannes dan in gedachten?

Het was het tijdperk waarin alle zichzelf respecterende gezinnen hun vakanties doorbrachten op Spaans grondgebied. Geholpen door het feit dat Francisco Paulino Hermenegildo Teódula Franco y Bahamonde Salgado Pardo, beter gekend als kortaf Franco, het leven had gelaten en de Spaanse natie nog tijdens het rottingsproces van deze fascistische dictator werd omgevormd tot een democratisch koninkrijk, leerde heel Europa vlot met peseta’s betalen en vloog ’s zomers de ene charter na de andere naar het land van de stervende stier. Fatsoenlijke huishoudens verteerden hun vakantiepremie op Tenerife, Mallorca, Ibiza of een willekeurige badplaats gelegen tussen de Costa Brava en de Costa del Sol. Wie zijn wereld kende dronk zich daar minstens één keer een bonkende hoofdpijn van de sangria bij elkaar, bracht zijn hele kennissenkring van zijn reis op de hoogte via prentkaarten waarop een school blote tieten het culturele erfgoed van Spanje aanprees, woonde een flamenconamiddag bij en kocht zich de vijf volgende souvenirs: een lederen jas, een stel ambachtelijke castagnetten waarin Viva España stond gegrift, een gloednieuw nagemaakte oude affiche met een torero erop, een kurkdroge en onder authentieke Iberische vliegenstronten zittende ham met bijgeleverd echtheidscertificaat, en een paar kartonnen schijfjes met dia’s van Spaanse landschappen om thuis in de stereoscoop van View-Master te stoppen.

Eén keer in zijn leven een echte palmboom in zijn natuurlijke habitat te mogen zien, daar kon Wannes luidop van dromen. Maar Martine verzekerde hem dat nog geen volledige doos slaaptabletten zou volstaan om haar een vliegtuig in te krijgen. De natuur had alles netjes gerangschikt: er waren beesten die gemaakt waren om in het water te zitten, je had er die enkel deugden in de lucht, en andere schepselen konden maar beter het contact met de grond bewaren. Onnodig te beginnen rammelen in de terreinafbakening der soorten. Er hoefde trouwens maar één lid van de Palestijnse afscheidingsbeweging op zo’n vliegtuig te zitten en de reis was om zeep. Het waren werkelijk geen tijden om vertrouwen te stellen in de luchtvaart. Een collega van Martine, Leontine Neirinck, was ook met het vliegtuig op reis geweest, ook naar Spanje, en zij had dertig onderbroeken in haar handbagage gestopt voor het geval haar vlucht gekaapt zou worden. Dertig! Als ze al met die ingesteldheid haar vakantie moest beginnen, nou aloha, dan hoefde het voor Martine niet meer.



Er waren uiteraard wel meer mensen met vliegangst, maar zij namen de wagen. Ook die jaren waren het, waarin iedereen opschepte over zijn rijprestaties. Men reed ’s nachts, zonder een enkele pauze te nemen tenzij dan om te plassen of te tanken, in één ruk vrrrroem naar het zuiden, dwars door het onverlichte Frankrijk, indien nodig over landelijke, naar knoflook ruikende wegen om péage te vermijden. Om elke nanoseconde van de congé te benutten sprong men meteen na het laatste werkuur in de auto, gewassen noch geschoren, en reed men 1300 kilometer of zelfs meer, met of zonder aanhangende caravan, met of zonder zeurende kinderen op de achterbank, aan een snelheid die de Franse staatskas rijkelijk spijsde dankzij de vele goed gepositioneerde flitstoestellen. Automobilisten praatten over de Boulevard Périphérique van Parijs alsof ze die zelf hadden aangelegd. Vrienden van Wannes wisten met welke bandenspanning men het best over het Franse asfalt scheurde en vaak moest hij vaststellen en betreuren dat hij nooit deel kon nemen aan de verhitte discussies over reisroutes. Nam men richting Bordeaux het best de Porte de Bagnolet of toch eerder de Porte d’Italie? Het was deze kennis die van een man destijds een man maakte. Maar Wannes had geen rijbewijs. Dat was dan weer Martines lot, dat zij nooit een man met een wagen en een gedegen kennis van de verkeersborden aan de haak had kunnen slaan.



En iets per boot, zat dat erin?

Een boot had Martine al eens genomen en wat haar betrof hoefde dat geen tweede maal te gebeuren. De overzet naar Engeland was dat geweest, omdat haar ex met een tombolalot ten bate van de handboogschutters een weekendje Londen gewonnen had. De zeemeeuwen waren de ferry tot in Dover gevolgd en doken onderweg krijsend naar de kotsbrokken die Martine ieder kwartier over de reling proestte. Londen zelf vond ze maar niks, een deprimerend oord waar iedereen gekleed liep alsof de stad in een permanente toestand van Vastenavond verkeerde. Ze sprak de taal niet, verstond ze evenmin, en had niet kunnen wennen aan het feit dat ze eerst naar rechts en vervolgens naar links moest kijken alvorens de straat over te steken. Bovendien hadden ze vreselijk veel tijd verloren aangezien haar man er een erezaak van had gemaakt met zijn smoelentrekkerijen een soldaat van de Queen’s Guard aan het lachen te krijgen en staakte hij deze poging pas na drie uur en een half, hevig teleurgesteld en knorrig. En scheel van de dorst natuurlijk ook. Vervolgens had hij het Engelse bier dermate slap gevonden dat hij nog meer moest drinken dan hij thuis al deed om zijn persoonlijke punt van tevredenheid te kunnen bereiken. Maar Martine had de Tower Bridge aanschouwd, die in het echt niet spectaculairder was dan hij eruit had gezien op de puzzel van tweeduizend stukjes die ze ooit had gelegd, ze had op een dubbeldekker gezeten (zij het dat ze na tweehonderd meter alweer was uitgestapt om zeker de weg niet kwijt te raken) en ze had een bobby bewonderd. Dat kon volstaan. Als ze eerlijk was moest ze toegeven dat ze uit Londen had gehaald wat ze gedacht had eruit te kunnen halen.

De meeuwen hadden geluk: op de terugvaart kotste Martine nóg meer, en ze weet het aan het ontbijt met bonen. Een bord dat er, vond zij, op zichzelf al had uitgezien als kots.



Het was niet dat ze Wannes wou ontmoedigen in zijn vakantiedromen, maar ze was nu toch nieuwsgierig naar het voorstel dat hij na dit alles nog op tafel kon leggen.





Er was helemaal niks mis met de eigen Belgische kust, zolang je maar met je rug naar de dijk stond en die droeve, betonnen appartementsblokken niet hoefde te zien. Mistroostige bunkers met balkon die je kon huren voor een week, tegen schandelijke tarieven. In dergelijke flatjes beschikte de toerist over een keukentje, een douchecabine met een licht beschimmeld douchegordijn, een zitbank die iemand met een goed ruimtelijk inzicht omgebouwd kreeg tot bed, en een televisie, met een beetje meeval zelfs een kleurentelevisie, jawel. In geval van slecht weer, dikwijls dus, kon men op zo’n vakantieflat net hetzelfde doen als thuis. Probeerde daar maar eens het nut van in te zien, van thuis te zijn op reis. Wie wou daar nu zijn geld aan versjteren? Pas op, Wannes wist een wandeling aan zee wel te waarderen, maar dan ’s winters, wanneer het halvelings tempeestte en het hele strand voor hem alleen was. Voor hem en het aangespoelde afval. En dan ook niet langer dan een uurtje, de zee was ten andere maar de zee, een onder water gezette leegte. Iets wat zonder al dat water ongetwijfeld een parking zou zijn geweest. Je moest al een serieuze slag hebben gekregen van het introspectieve holisme als die gezouten plas jou uren aan een stuk kon blijven boeien.

De kust, de Belgische nog wel, lieve hemel neen, daar mocht hij niet aan denken. En al helemaal niet ’s zomers. De verdwaalde badmintonpluimpjes in je gezicht, de in jouw picknickmand getrapte strandballen, de snoeihard afgeweken frisbees, de in het rond slingerende elastieken van een jokari, de kwallen die daar als landmijnen in het zand lagen te wachten op een voet (die van jou!) en de schelpenscherven die kleine wondjes in je tenen sneden waar je dan later op de week nog een ontsteking bovenop kreeg. In een angstdroom hoorde hij de speaker al voor de godganse kustlijn omroepen: ‘Jimmy, jouw mama en haar nieuwe man zijn je kwijt en wachten je op aan de staak met het banaantje. Ik herhaal: Jimmy, jouw mama en haar nieuwe man...’ Om nog maar te zwijgen van het voorspelbare aan zo’n reis, oh-lala! Nog voor je vertrok wist je al dat je één middag zou vullen met het naarstig bouwen aan een zandkasteel. Je zou een uurtje rondrijden op een gocart van Quistax Benny en daar eigenlijk na vijf minuten al meer dan genoeg van hebben. Je zou gaan minigolfen, vastbesloten deze keer te winnen, om dan vervolgens meteen bij baan 1 al, daar waar je het balletje gewoon maar rechtdoor hebt te slaan, met zeven punten op achterstand te staan. Je zou een vlieger kopen en daar drie uur over doen om die in de lucht te krijgen, waarna het touwtje knapt en je investering zich zonder jouw hulp naar de sterren snelt. In het lunapark zou je naar een teddybeer grijpen, hoewel je helemaal geen teddybeer wil, veel liever zou je een horloge grijpen. Maar omdat de teddyberen zich makkelijker laten grijpen dan de horloges en je liever iets dan niets grijpt kies je dus voor de teddybeer, het pragmatisme in de praktijk zeg maar, waarna je met lege handen en een rothumeur het lunapark verlaat, murmelend: ‘Die machines zijn zodanig afgesteld dat niemand ook maar iets kan pakken!’ En vervolgens hoor je dan mensen juichen omdat ze een horloge wisten te bemachtigen, een prachtige Seiko Quartz, ze hadden er maar één enkele poging voor nodig gehad. Je troost jezelf door te poneren dat het horloge ongetwijfeld namaak is. Maar daar is de inspiratie al opgeraakt. Twee zandkastelen bouwen en twee keer gaan minigolfen tijdens dezelfde vakantie is te veel van het lullige. Je zou ten einde raad en versuft van de verveling naar de stand van Radio 2 lopen, waar gratis ballonnen worden uitgedeeld alsook vlootjes van een nieuwe soort boter, minarine of zoiets, en er luisteren naar Willy Sommers die zichzelf playbackt.

‘Je kan toch niks tegen Willy Sommers hebben?’, had Martine constructief meegedacht.

Natuurlijk had Wannes niks tegen Willy Sommers, ook al hoorde hij vele malen liever de jungledisco van Afric Simone. Het ging hem hier echter niet om Willy Sommers, het ging om de voorspelbaarheid.

Wat hadden ze trouwens aan de zee moeten doen. ‘Die kleine van jou kan niet eens zwemmen en hij is bijgod al elf jaar oud.’

‘Je weet zeer goed waarom Jimmy niet kan zwemmen. Hij keert altijd terug van de zwemles met champignons tussen zijn tenen en daarom probeer ik hem zo veel mogelijk uit het zwembad te houden.’

Die teenzwammen had Jimmy begroet als een godsgeschenk want eigenlijk was die jongen doodsbenauwd van water. Pas op de leeftijd van veertien zou hij er nipt in slagen twee meter schoolslag te zwemmen. In het zesde leerjaar zou de turnleraar nog even overwegen hem het bad in te gooien, dan konden de andere leerlingen hem achternaduiken als onderdeel van een proef voor het behalen van een reddingsbrevet. Het was slechts één van de vele pesterijen die hij in zijn zwembroek had te doorstaan. Obscure stromingen binnen de psychoanalyse zagen Jimmy’s weerzin voor water ongetwijfeld aan voor een typische neurose die was te wijten aan een onopgelost conflict dat al dateerde vanuit de tijd in de baarmoeder. Een conflict tussen, uiteraard, moeder en kind. Maar met die uitleg moest je bij Martine niet aankloppen.

‘Ik heb helemaal geen conflict gehad met onze Jimmy toen hij in mijn baarmoeder zat!’

Ook bij Jimmy zelf moest je met die uitleg niet aankomen. Hij, en hij alleen, wist zeer precies waar hij zijn schrik voor water had gepakt. Niet zijn moeder lag aan de basis van deze fobie, maar wel zijn vader die helemaal geen onaardig zwemmer was en dezelfde armslag had als Gordon Scott in Tarzan the Magnificent. Hij wisselde een schroefrugcrawl af met een lange northern kick, ging van een korte trudgeon over op een overarmse sidestroke, kon als verstokte roker vier minuten en zeventien seconden onder water blijven en was vastbesloten geweest zijn zoon op een dag in te wijden in de nobele zwemkunst. Die dag kwam er ook. 14 oktober 1977. Jimmy stond aan de kant van het zwembad te rillen van de kou en keek toe hoe zijn vader zich opmaakte voor een inleidende demonstratie. Toen dook de vader met veel show en tralala het water in, helaas in het ondiepe gedeelte, waardoor hij met zijn kin keihard de bodem raakte en zijn kunstgebit verloor. Toen hij zijn vader zo tandeloos boven water zag komen was Jimmy ongewild in de lach geschoten. En dat had hij natuurlijk moeten bekopen. Niemand vernederde zijn ouwe zomaar publiekelijk. Zijn vader heeft ’m vastgestekt bij het nekvel en mee de diepte in gesleurd, op zoek naar het kunstgebit dat pas twee minuten later weer werd opgevist. In het geval van Jimmy voldoende voor goed gespoelde longen en een trauma.

Het mocht dan wel vlot bereikbaar zijn met de trein, de kust leek, alles in overweging genomen, inderdaad geen optie.



‘Als we nu eens met een touringcar op reis gaan?’, had Wannes gevraagd. ‘Ons inschrijven voor een of andere georganiseerde reis? Wat denk je?’

‘Ken je nog die slow?’, zei Martine, afwezig.

‘Hè? Welke slow?’

‘Nee, nee, ‘Ken je nog die slow’, da’s een liedje van Willy Sommers. Die titel schiet mij hier stomweg ineens te binnen.’





Omdat ze in het verleden wel vaker een blauw, gezwollen oog was geslagen en zij de nieuwsgierigen niet kon blijven wijsmaken dat ze tegen een deur was gelopen, van de trap was gevallen of vlak naast het doel had staan supporteren voor haar voetballende zoon, daarom dus, had Martine een zekere graad van mensenschuwheid bereikt. Precies zoals haar vader liep ze met de ogen neergeslagen over straat en dat ze daardoor ondertussen al eens een muntstuk vond had zij maar als een bijkomstigheid ervaren. Hoorde ze metselaars in een zotte vrijdagse bui van op hun stelling fluiten, een gebeurtenis die zich gelukkig steeds minder frequent voordeed, dan steeg het schaamrood haar tot over de oren en voelde ze de aandrang om het op een lopen te zetten. Hoorde ze haar naam roepen, dan veinsde ze slechthorendheid en zette ze ongestoord en vooral onvertraagd haar stap voort naar waar hij haar brengen moest. Men kon haar makkelijk boertig vinden in de omgang, haar geslotenheid verwarren met desinteresse. Hoe je het ook draaide of keerde en welk geldig excuus er ook viel in te roepen: verfijnd waren haar sociale vaardigheden geenszins. Goedendag sprak ze uit alsof het haar geld kostte, áls ze het tenminste al over haar lippen kreeg. En voor iemand hoffelijk een deur openhouden kwam niet in haar op.

Geruisloos leven, een groter verlangen kende ze niet. Een leven dat mocht bestaan uit zo min mogelijk oogcontact met anderen. Heel even had ze voor dit doel haar heil in zonnebrillen gezocht, maar helaas viel haar smaak op uitgerekend die monturen die haar in het middelpunt van de belangstelling plaatsten.

Haar hele karakter was gebouwd op schaamte. Schaamte om haar afkomst, haar kleurloosheid, om haar zielenpoten van ouders, om haar diploma naad en snit, om haar miezerige baantjes, om haar zuipende echtgenoot, haar ongewenste kind, haar kop vol builen en blutsen, haar stukgeslagen meubilair, haar uitdijende lichaam, de treurige huurhuisjes die ze zich maar net kon veroorloven, de muizen die daar introkken... Uiteindelijk was ze, ook al had ze daar ontzettend naar ?uitgekeken, zelfs beschaamd om haar echtscheiding. In de gedachten van de anderen, die ze te makkelijk meende te kunnen raden, was zij niet zomaar op de vlucht geslagen voor een tiran, neen, ze was op de loop gegaan met een andere man. Met andere woorden: zij was een hoer. Dat was pertinent zeker de term waarin de roddelaarsters zich uitdrukten over haar, hoer, van het tegendeel was Martine niet te overtuigen.

Men kan zich zo lang hebben geschaamd om van alles en nog wat dat het een gewoonte is geworden, ook al is er op een van de goden afgedwongen dag niets meer over om zich nog voor te schamen.

Het woord boerka zei Martine voorlopig niets, kruiswoordraadsels visten er niet naar en televisiejournaals zouden het pas een goeie vijftien jaar later haar en andermans leefwereld in praten met zinnen als ‘Vrouwenrechtenorganisaties zien dit stuk textiel als een zoveelste exponent van de mannelijke overheersingsdrang.’ Maar Martine zou op bepaalde momenten in haar leven zeer tevreden zijn geweest onder zo’n kleed, die schaamlap voor het totale individu.

En haar werd nu gevraagd zich in te schrijven voor een groepsreis!?



Wannes beschikte over een gans ander soort overredingskracht dan Martine gewoon was van mannen. Hij hoefde bijvoorbeeld helemaal niks verrot te slaan tijdens zijn betoog. Zijn stem verheffen vond hij beneden zijn waardigheid. Maar dat maakte wel dat hij er langer over deed om zijn slag thuis te halen. Met het geduld van de correspondentieschaakspeler bracht hij allerlei argumenten aan, één per dag: Martine werd niet meer af?getroefd, ze woonde niet meer in een huis met kartonnen en door ongedierte aangevreten muren maar op een respectabele flat met tapis-plain en een badkamer, haar job was misschien niet de best betaalde ter wereld maar ze hád een job en ze was er steengoed in bovendien, et cetera, et cetera in aeternam faldera. Dus iets om zich openlijk voor te schamen, want dat was het punt dat hij maken wou, had ze niet.

Wat hij evenwel over het hoofd had gezien, en waar hij helemaal niet op gerekend had, was dat Martine vooral problemen had met de duffe reputatie van zo’n georganiseerde busreis. Zij associeerde dit gegeven zeer sterk met een vracht gepensioneerden op weg naar het bedevaartsoord Banneux. Onderweg speelde men bingo om de tijd te verdrijven, er werden cassettes met accordeonmuziek aan de chauffeur gegeven en iedereen had mee te zingen. Na de religieuze plichtplegingen in het bedevaartsoord zelf werd de souvenirshop bestormd, prijzen werden vergeleken, koopjes geslagen, daarna diende er gestopt te worden in een baandiscotheek met een pneumatisch aangedreven dansorgel, een niet al te gladde dansvloer en een discobal, alwaar men appeltaartjes kon eten aan gunsttarieven en men in een achterafzaaltje demonstraties van handwasmiddelen (verbeterde formule) en elektrische blikopeners kon bijwonen, dat laatste uiteraard zonder enige aankoopverplichting tenzij dan een morele.



Ook van een correspondentieschaakspeler raakt het geduld ooit op.

‘Ik weet niet wat er aan mij mankeert maar ik begin stilaan te denken dat gij helemaal niet met mij op reis wilt. Ben ik te min? Te simpel? Staat mijn neus u te scheef? Ge moet het mij zeggen want ik versta het niet meer. Ik bied u godverdomme een vakantie aan, voor u én dat jong van u, en op al mijn voorstellen weet ge wel iets van commentaar te bedenken. Keer dan terug vanwaar ge komt, als het daar zo veel beter was! Keer dan terug naar uw brulaap van vroeger en ga samen met hem op reis, want met hem deed ge dat blijkbaar liever. Vooruit, ge moet naar mij niet zien, ik trek mijn plan wel; keer terug en kruip gezellig met hem in een chalet in de Ardennen, laat hem u tulpen kopen in Amsterdam als het dat is wat ge romantisch vindt, ga er desnoods mee naar het biermuseum van Stenay, het kan mij geen zak schelen. Hoort ge? Geen zak!’

En hij sloeg voor het eerst in zijn leven iets kapot, meer bepaald een teljoor in Delfts blauw uit een genummerde serie van vier genaamd De Seizoenen.

‘Ik kan nu maar beter die andere drie ook kapotsmijten!’

En zo geschiedde. De buren waren toch niet thuis.

Toen pas, terwijl de brokstukken van De Herfst door de kamer vlogen, zag Martine het scherpomlijnd voor zich, het gevoel was nog nooit zo duidelijk geweest. Het gevoel, de overtuiging: ‘Hij ziet mij graag!’





De oude zaakvoerder van Autocars Van Boterdael had Wannes en Martine meegenomen naar een afgedankte busloods die was omgebouwd tot zoiets als een museum. Nu hij zelf op pensioen was gegaan en hij de boeken aan zijn zoon had toevertrouwd wou hij graag de tijd nemen om potentiële klanten de geschiedenis van dit familiebedrijf te tonen. Hoe het allemaal simpel was begonnen met paard en kar. Hij toonde zijn collectie diligences, landauers, huifkarren, barouches en coupés, om dan te eindigen bij zijn topstuk, de immer opgeblonken Canstatt-Daimler uit achttienhonderd negentig ongeveer.

‘Met deze koets hebben wij de burgemeester van Zwevezele nog naar zijn maîtresse gevoerd! In 1904! Die gordijntjes hangen er trouwens op aangeven van de burgervader zelf. De klant is bij ons altijd koning geweest, die spirit zat er al van bij de begindagen in.’

Hij deed of deze anekdote hem ter plekke te binnen schoot, midden in een dromerige bui, maar eigenlijk sloeg hij dit praatje met al zijn slachtoffers.

‘... Het is koddig hoe een verhaal lopen kan. Er is ergens een stoffelijk overschot dat naar het kerkhof moet worden gebracht. Hij die toevallig een kruiwagen bezit, Kamiel Van Boterdael in dit geval, denkt: tiens, er is blijkbaar nood aan degelijke transportmiddelen en voor hij het goed en wel beseft heeft hij zich gespecia?liseerd in uitvaarten. Wanneer hij inziet dat ook de levenden soms vervoer nodig hebben koopt hij zich er nog een paar karren en paarden bij, en een beetje per keer groeit en groeit dat met een kruiwagen begonnen bedrijfje uit tot iets groots. En kijk, zijn achterkleinzoon draagt vandaag een wagenpark met meer dan twintig super-de-luxe autobussen over op de achterachterkleinzoon van de stichter. Als dat niet prachtig is!’

‘Zeer prachtig’, had Wannes geantwoord, gedeeltelijk omdat hij zich hiertoe gedwongen voelde.

‘... Het is begonnen met een dode naar het kerkhof om de hoek en zoveel generaties later rijden wij de levenden door heel Europa, naar het Tiroler Oberland, de Dolomieten, het Lago Maggiore, de Grossglockner, Sauerland, Karinthië, de Mazurische meren, noem maar op. Is het niet prachtig?’

‘Zeer prachtig’, probeerde Wannes nog eens, beter gearticuleerd dit keer. ‘Werkelijk zeer, zeer prachtig. En het is schoon dat ge zoiets al die jaren binnen de familie hebt kunnen houden.’

‘Meneer, ik zeg u, er zijn er die hun vrouw per opbod zouden verkopen. Dat is de wereld waarin we leven. Ik hoor nu dat er plannen zijn om onze goeie Belgische chocolade van Côte d’Or te verkopen aan de Zwitsers. Dat gaat er bij mij niet in. Iets waar men trots op is houdt men binnen de familie. Toch? De dag dat Autocars Van Boterdael niet meer in handen is van een Van Boterdael eet ik mijn kousen op.’

De oude zaakvoerder praatte het zwarte gat van het pensioen gewoon vol en zei dat het lastige tijden waren voor inrichters van busreizen.

‘We hebben de geneeskunde tegen. Vroeger haalden we meer dan de helft van onze omzet uit onze lijn naar Lourdes. Elke maand stuurden we twee bussen naar de grot van de heilige Bernadette en ik zeg u in alle eerlijkheid, die zaten alle twee stampvol. Voor die reizen waren er wachtlijsten van hier tot in Boelare. Maar tegenwoordig zijn de dokters beter dan de pastoors. Ze leggen het minder uit en ze lossen op wat moet worden opgelost. Hoe beter de antibiotica, hoe leger de kerken. En dan delen de busreizen naar Lourdes natuurlijk in de brokken. Pas op, we organiseren nog altijd ritten naar ginder. Maar je kan dat succes niet meer vergelijken met wat het is geweest. Vandaar dat wij onze accenten hebben verschoven. Zoals de eerste generaties Van Boterdael de stap maakten van de doden naar de levenden, zo zet deze generatie de stap van de zieken naar de gezonden. Innovatie is het toverwoord.’

‘Natuurlijk.’

‘O, zo natuurlijk is dat niet hoor. Je zou ze eens moeten tellen, de middenstanders die het ooit goed deden maar vies waren van innovatie en die dan nu maar in de Nieuwstraat onder hun dekentjes met een bekertje zitten te bedelen.’

‘Daaraan zie je’, vulde Wannes aan, ‘dat tevredenheid dikwijls tot stilstand leidt.’

Blijkbaar was hij zeer bedreven in het diplomatisch onderhouden van lege gesprekken, een vaardigheid van voornamelijk kappers en kroegbazen, en Martine wierp hem een bewonderende blik toe. Tevredenheid doet tot stilstand leiden, ja wablief. Maar de oude zaakvoerder ging niet dieper in op Wannes’ wandtegelspreuk, in een monoloog moest men tenslotte altijd drie alinea’s vooruitdenken en zich door niets of niemand laten afleiden.

‘... Het is niet alleen de geneeskunde, het is ook het snobisme dat ons de nek om wringt. Tegenwoordig moeten de mensen al het vliegtuig nemen om tevreden te kunnen zijn. Een bus, dat is voor mongolen, als u mij begrijpt. De toerist moet niets meer weten van de watervallen van Coo of de Leeuw van Waterloo, be?stem?mingen die hij associeert met saaie schoolreizen. Het moet minstens Spanje zijn. En je zou denken dat de meer proletarisch getinte uitstappen die wij aanbieden, ik noem hier bijvoorbeeld een vierdaagse naar de Moezelstreek, of een midweek in de Vogezen, dat net die bescheiden alternatieven het uitstekend zouden doen in deze crisistijd... en laat ons wel wezen, het ís crisis, als we al vijfendertig dollar moeten dokken voor een vat ruwe Iraanse olie, jongens, waar gaat dat naartoe, waar gaat dat naartoe... Maar wat blijkt: als het crisis is zijn er altijd die extra moeten tonen dat ze niet geraakt worden door de economische malaise en die stappen dan het vliegtuig op.’

Martine was gestopt met een polshorloge te dragen sedert ze de zweetgeur onder het lederen bandje en de bijhorende jeuk was gaan verafschuwen. Maar nu miste ze dit attribuut om er ostentatief naar te kunnen kijken.

‘Innoveren, zei ik, we moeten voortdurend innoveren. Weet je dat er op het autosalon van Genève dit jaar het gerucht werd verspreid dat de autobus van de toekomst zal voorzien zijn van televisieschermen? Kunt u zich dat voorstellen? Televisieschermen! Op een autobus!? Het individualisme zegeviert, de tamheid regeert. Maar als zij daardoor een aflevering van Home Is Where My Children Cry moeten missen willen de mensen niet meer op reis en kunnen wij óók in de Nieuwstraat staan rammelen met ons piepschuimen bedelbekertje. U kunt dat triestig vinden, u kunt zeggen dat wij de deur openzetten voor een asociale maatschappij, maar wij moeten mee met onze tijd, hoe triestig en eenzelvig die ook mag zijn, en innoveren. Innoveren, innoveren, innoveren. Over een paar jaar kunt u dus ook met onze bussen naar het Gardameer of god weet waar rijden en onderweg toch naar Home Is Where My Children Cry kijken. Wij brengen u dan naar de andere kant van de wereld en u hoeft geen enkele aflevering van uw favoriete serie te missen.’

‘Tof!’ liet Martine, weer wakker geschud, zich spontaan ontvallen. Eigenlijk was het een woord dat een prominente plaats in de grammatica van haar zoon innam. Tof. Snotneuzenjargon.

‘Wel, voor ik jullie nog langer aan de praat hou: heeft u al eens kunnen nadenken over uw eventuele vakantiebestemming?’

‘We zaten eigenlijk met het Zwarte Woud in onze gedachten’, bekende Wannes, en het was sympathiek van hem dat hij de eerste persoon meervoud gebruikte.

‘A-ha! Schwarzwald! De hemel op aarde! Wij hebben al twintig jaar ervaring in deze regio, noem ons gerust marktleider. Helemaal iets voor jullie, geloof mij.’

Het was het moment voor Martine om de moeilijke vraag te stellen, nu ze zich nog terug kon trekken.

‘Is het daar niet te koud?’

‘Te koud?’

‘Ja, te koud. Voor een keer dat wij op vakantie gaan zouden we niet graag zitten te bibberen of nat te worden en Duitsland staat toch niet meteen bekend als een land waar je bruine benen krijgt, nietwaar.’

‘Te koud, vraagt u? Mevrouw, er groeien bananen in het Zwarte Woud, mijn kop eraf als ik lieg. U zult het met uw eigen ogen vaststellen, op een eilandje in het midden van de Bodensee hangen de bananentrossen gelijk lusters boven uw hoofd te bungelen. U krijgt ze in een leven niet allemaal opgegeten, zoveel zijn het er. Is het dan te koud, denkt u?’

‘En dat Duits, meneer, geen van ons twee spreekt een woord Duits. Wat hebben wij ginder te zoeken als we ’r ons niet verstaanbaar kunnen maken?’

‘Maakt u zich daar vooral geen zorgen om, al onze gidsen zijn zo polyglot als de paus. En bovendien, niks is zo makkelijk te verstaan als het Duits. Wacht... ik zoek een voorbeeld... Ja, ik heb iets... Weet je wat dit wil zeggen, je zal zien dat het simpel is: Hast du Haar am Arsch...?’

‘Hast du... herhaal nog eens!’

‘Hast du Haar am Arsch!’

‘Neen, ik zou niet onmiddellijk weten wat het wil zeggen.’

‘Heeft u haar op uw gat!’

‘Een klein beetje’, zei Martine.





‘Hebben we nu alles mee?’

Als je de ochtend voor hun vertrek hun valiezen bekeek leek het weinig waarschijnlijk dat Wannes en Martine iets niet mee hadden. Voor elke broek was er een reservebroek mee de koffer in gegaan. Aangezien de Duitse keuken wijd en zijd geloofd en geprezen werd om haar intense vettigheid had Martine een hele reisapotheek transitvertragers en antidiarretica voorzien. En voor het geval de Germaanse schijterij werkelijk op volle kracht zou uitbreken had ze aan haar huisarts een voorschrift voor het strafste paardenmiddel op dat vlak gevraagd: een pil die speciaal door de NASA was ontworpen voor de bemanning van de spaceshuttle Columbia en die de eigenschap had meteen na inname de complete darminhoud te verstenen. De met broeksknopen gevulde koekjestrommel, de noodvoorraad schoenveters, twaalf bobijntjes garen en evenzoveel naalden, het moest allemaal mee. In Duitsland geldig zijnde kortingsbonnen had Martine niet, helaas. Anderhalve week op voorhand was ze al begonnen met het pakwerk, om zeker te spelen. (‘Want als je alles nog op het laatst moet doen!’) Ze had een lijstje gemaakt met benodigdheden en vinkte aan wat was afgehandeld. Een organisatorisch talent, eerlijk is eerlijk. Ze had aan kledij voor verschillende weersomstandigheden gedacht, was zo slim geweest een strijkijzer plus een flacon gedestilleerd water én een spuitbus stijfsel van het wondermerk Remy in de bagage te stoppen, om er netjes uit te zien aan tafel. (‘Dat ze niet denken dat we voor de eerste keer buiten komen!’) De haardroger, het douchekapje, de teenslippers, de schoensmeer, de badmantel, de pyjama’s... hups allemaal de koffer in! En niet te vergeten: haar medische encyclopedie, waarin niet alleen de voornaamste fobieën stonden beschreven, maar ook tips om zichzelf te genezen van allerhande, makkelijk te detecteren kwaaltjes. In de zijvakken stopte ze een papiertje met contactpersonen, voor in geval van overlijden, men wist nooit, een mens zijn kansen om dood te vallen stegen tenslotte met de dag, alsook de aanzet tot een soortement laatste wilsbeschikking.



Wannes liep niet echt gebukt onder een minderwaardigheidscomplex omdat hij fabrieksarbeider was, maar hij voelde wel dat een gelijkaardig sentiment op de loer lag en dat het eventueel de kop zou kunnen opsteken over een paar jaar, bijvoorbeeld tijdens de midlifecrisis, iets wat de boekjes bij de kapper uitlegden als een puberteit voor volwassenen. Om zijn zelfbeeld te soigneren had hij zich lid laten maken van een boekenclub. Dat betekende volgens de kleine lettertjes van de overeenkomst dat hij zich elke maand minstens één boek moest aanschaffen als hij tenminste een rechtsgeding wou vermijden. Zo dwong hij zichzelf een bibliotheekje aan te leggen. Een mooie eerste stap voor een aanstormend autodidact. De volgende stap had moeten zijn dat hij die boeken ook daadwerkelijk ging lezen en deze reis leek hem een mooie gelegenheid om daar eindelijk eens mee te beginnen. In de bus, op regendagen, of op toilet misschien, aangezien hij daar toch niet de beschikking zou hebben over een krant in zijn moedertaal. Hij was nu eenmaal een mens die iets te lezen moest hebben op toilet, er zijn daar nog gevallen van bekend, voornamelijk mannelijke.

Martine was net met haar volle gewicht op een koffer gaan zitten om die dichtgeritst te krijgen toen Wannes twee loodzware kasseien van boeken de lucht in stak en vroeg of die nog mee konden. Het ging om Spionnen beminnen gevaarlijk en Het dal der bitterzoete dromen, twee romans ontsproten aan de fabuleerkunst van Heinz Günther Konsalik, toevallig een Duitser. Als het toeval zich aandiende moest je ’r iets mee aanvangen.



De Duitse marken waren tijdig besteld bij de bank en afgehaald. Om de wisselkoers in het hoofd geprent te krijgen en het omrekenen tot een feilloos automatisme te maken werd de tafel van twintig dagelijks herhaald en speelde men monopoly met denkbeeldige pfennigs. Dat laatste voorstel was van Wannes gekomen, en hij had zichzelf een didacticus uit de bovenste schuif gevonden. Gezien ze niet zeker wisten of er voldoende bankkantoren in het Zwarte Woud waren, en of die dan wel makkelijk bereikbaar zouden zijn, hadden ze meteen voldoende cash meegenomen. Het had hen het veiligst geleken dat geld te verdelen over verschillende portefeuilles, overvallers had je overal en toeristen waren altijd al hun geliefkoosde doelwit geweest. Een paar grote bankbiljetten werden ingenaaid in Martines beha, de enveloppe met de reischeques werd verstopt in een cahier kruiswoordraadsels.



Jaco, de papegaai met afasie, mocht voor een weekje op logement bij Wannes’ ouders. Niet zozeer om hem te sparen van de hongerdood (strikt genomen moest het mogelijk zijn z’n voederbak te vullen met grit en kiezel voor zelfs een ganse maand); het was de eenzaamheid waar die papegaai niet tegen bestand was. Hij moest op tijd en stond zijn praatje kunnen slaan met een mens. Kon hij dat niet, dan pikte hij zijn hele verenkleed naar de vervliedenis en zat-ie als een afgekloven kippenbout op zijn stok, apathisch heen en weer te wiebelen, naar alle waarschijnlijkheid dromend van equatoriaal Afrika.

De goudvis deed zich nog het meeste voordeel aan het uitstapje van zijn gastgezin. Het arme dier kon uiteraard geen ganse week in zijn mosterdpot zitten als zijn water niet minstens eenmaal werd ververst. Te moeten overleven in een bokaal die donkergroen zag van de kak; men moest al geboren zijn zonder enige vorm van inlevingsvermogen om niet te beseffen dat er leukere dingen waren, ook voor een vis. Daarom werd er besloten de badkuip te vullen. Kon de naamloos gebleven goudvis daarin een hele week genieten van een haast oceanische bewegingsvrijheid. Het was goed mogelijk dat hij de eerste dag de overkant niet haalde zonder dat zijn vinnen daarbij in de kramp schoten!

‘Bon, hebben we nu alles mee?’

‘Ik denk het.’

‘Zijn de lichten uit? De stekkers overal uitgetrokken? De batterijen uit de klok gehaald? De boiler afgezet? De televisiekabels uit het contact? Zijn alle vensters dicht? De wc nog eens doorgetrokken? Het water afgesloten? Is de ijskast helemaal ontdooid en leeggemaakt? Hebben de plantjes nog water gekregen? Staan onze fietsen in de stalling op slot? Ja? Zeker? Honderd procent zeker? Tweehonderd procent zeker? Dan kunnen we vertrekken, neem ik aan.’

En weg waren ze, geladen als vluchtelingen in een burgeroorlog. Het was zeker nog een goeie drie kilometer flink doorstappen tot aan de verzamelplaats waar Autocars Van Boterdael hen zou komen oppikken. Het duurde echter geen vijfhonderd meter of Martine liet zich puffend ontvallen: ‘En zeggen dat thuisblijven nog zo gemakkelijk is!’ Een zomaar er uitgeflapte zin die de hele verdere vakantie had kunnen verbrodden nog voor ze goed en wel begonnen was. Maar Wannes had ’m niet gehoord, of kon heel goed doen alsof hij ’m niet gehoord had. Maar wat hij niet kon veinzen dat hij niet had gehoord, was ineens Martines bevel tot onmiddellijke ommekeer. Daarvoor was haar geschreeuw net iets te luid geweest.

‘Wannes!!!’

‘Wat is er?’

‘Ik denk dat ik de balkondeur niet op slot heb ge?daan!’

‘Is ze dicht?’

‘Ja, dicht is ze. Maar ze is niet op slot.’

‘En dan? We wonen op de vierde verdieping, het moet al een serieuze circusartiest zijn wil die langs daar naar binnen kruipen. Trouwens, ik zie niet in wat er daarbinnen nog te stelen valt; alles wat we hebben steekt in deze drie valiezen hier.’

‘We moeten terug, Wannes! Ik ga geen rust kennen voor ik honderd procent zeker weet dat de balkondeur op slot is. Geen seconde ga ik van die reis genieten en jullie gaan trouwens ook niet veel geniet hebben van mij, op die manier.’

‘Weet ge wat, gaat gij alleen kijken! Ik blijf hier wel met Jimmy wachten, bij de valiezen. En haast u een beetje, of die bus is zonder ons weg!’





De vroege ochtend van een voetballoze zomer, de ?straten oogden nog verlaten. Jimmy stond alleen met Wannes op het voetpad, geflankeerd door drie bolle reiskoffers, te wachten tot moeder de vrouw zou zijn weergekeerd van haar extra ingelaste inspectieronde. Het gebeurde niet vaak dat Jimmy alleen was met Wannes, en als het gebeurde dan voelde hij zich daar zelden comfortabel bij. Hij wist nooit wat verteld tegen die man. In het gezelschap van zijn moeder zat hij nochtans zelden om vertelstof verlegen, hij kwebbelde en kwebbelde maar aan, een tatertante gevangen in een jongenslijf. Dat de mensen soms zeiden: ‘Moest dat ventje op batterijen werken, dan wist je tenminste dat die vroeg of laat leeg raakten en had je toch al dát om naar uit te kijken.’ Maar met Wannes in de buurt viel de babbelaar in Jimmy stil.

‘Awel jongen, hebt ge uw tong ingeslikt?’





De gedachte drong zich aan Jimmy op dat die zogenaamde twijfel omtrent de gesloten balkondeur opgezet spel kon zijn. Er moest vóór de reis misschien nog vlug een moment gecreëerd worden waarop Jimmy de les gespeld kreeg, een soort van man-tot-mangesprek, zodanig georkestreerd dat het spontaan moest lijken. Wannes en Jimmy tijdens een onderonsje. Belangrijk zou zijn dat Jimmy het gevoel kreeg dat hij serieus genomen werd door een volwassen mens. Correctie: door een volwassen man! Hij kon zich heel goed inbeelden hoe zijn moeder daarstraks in het geniep tegen haar buddy iets had gezegd in de trant van: ‘Vertel jij dat de kleine maar, van jou zal hij dat makkelijker aannemen dan van mij!’ en dat ze zich daarom nu even van het tweetal had verwijderd, als diva in de door haarzelf geregisseerde klucht.

Het kon niet lang meer duren, een paar seconden nog hooguit, en Wannes zou zich tot Jimmy richten. Zijn toon zou amicaal en terzelfder tijd belerend zijn. Begripvol zowel als corrigerend. Het zou bijvoorbeeld om iets kunnen gaan in de verteltrant van: ‘Zeg, Jimmy, jouw moeder weet natuurlijk zelf niet wat het is te moeten leven met een piemel aangezien ze er geen heeft, of dan toch niet dat ik weet, haha, en dus weet ze logischerwijs ook helemaal niet wat het is te moeten plassen met een piemel. Misschien gaat ze er te gemakkelijk van uit dat er geen stuurmanskunst gelegen is aan het ledigen van ons vaatje, om het zo te zeggen, en heeft ze er helemaal geen benul van dat een man, een fiere man, een trotse man, die rechtstaand als een boom wenst te plassen, de radius, de kracht én de richting van zijn lozing juist heeft in te schatten nog voor de eerste druppel zich heeft weten te bevrijden uit zijn blaas. Voorwaar geen sinecure. Dus moeten wij mild zijn voor vrouwen die geen begrip tonen voor een jongen die de wc-bril heeft nat geplast, zij weten namelijk van niet beter. Maar dat betekent niet dat je je best niet moet doen. En dat betekent al helemaal niet dat je daar gelijk een pistoolschilder die toiletbril onder handen moet nemen. Oké, niet iedereen kan een scherpschutter zijn, en ongelukjes kunnen zich altijd en bij iedereen voordoen, maar als je de hele pot hebt nat gesproeid, wat zeg ik?, als je de hele pot én de vloer kliedernat hebt gepompierd, dan is het minste wat er van jou verwacht wordt dat je die rotzooi schoonmaakt. Niet zomaar een velletje keukenrol erop of zo, of het badmatje over je plas gelegd ter camouflage, maar schoonmaken. Of wil jij soms met je billen bloot gaan zitten in de vuiligheid van een ander? Je kan zien dat je daarin verbetert of ik laat je in het vervolg je boodschappen op een kattenbak doen...!’



Maar Wannes zei iets gans anders, hij zei: ‘God de Vader heeft eerst de man en vervolgens pas de vrouw geschapen, zo kon de man van in den beginne wennen aan het feit steeds op haar te zullen moeten wachten.’

Flauw, vond Jimmy, dit huichelachtige samenspannen tegen zijn moeder achter haar rug om. Als dat Wannes’ manier was om iemands vertrouwen en vriendschap te winnen! De afwezige tijdelijk tot gemeenschappelijke vijand uitroepen; het was een sociale techniek die Jimmy op de speelplaats voldoende gedemonstreerd zag. Een techniek die hij ook zelf reeds had toegepast, hij moest niet heiliger willen zijn dan Johannes Paulus II. Maar een volwassene die met deze kermistruc de banden met een kind strakker probeerde aan te halen?

Natuurlijk, het was ook voor Wannes niet makkelijk om de sympathie van dit kind te winnen. Sympathie die hij gewonnen moest zien te krijgen, koste wat het kost, dat was wiedes. Als Wannes er niet in slaagde een goeie band met het kind van zijn geliefde op te bouwen, dan zou hij op termijn ook zijn geliefde verliezen. Dat begreep Wannes. En dat begreep ook Jimmy. En Wannes begreep dat Jimmy het begreep en Jimmy begreep dat Wannes het begreep. Zoals ze ook begrepen dat ze het van elkaar begrepen dat ze het alle twee begrepen, dat van dat begrijpen, van dat begrijpen van dat begrijpen van elkaar. Of dan toch zoiets ongeveer.



‘Nu we hier toevallig toch stilstaan en tijd hebben voor een praatje...’, zette Wannes in.

De aap ging uit de mouw komen, er was een ei dat nog moest worden gelegd voor ze die bus op kropen en dit was het ogenblik van de laatste kans. Jimmy had het wel geweten, hem maakte je niets meer wijs.

‘Nu we hier toch staan... Ik zou willen dat je me vanaf nu niet langer aanspreekt met mijn voornaam!’

‘Met wie zijn voornaam dan wel?’

‘Jimmy, hou nu jouw amateurtoneeltjes maar gewoon voor jezelf, je weet zeer goed wat ik bedoel. Straks zitten wij met ons drieën op een bus, samen met allemaal andere mensen die ons nog nooit hebben gezien maar waarmee wij een kleine week hebben samen te leven. Als die dan horen dat jij, kleine snotneus, mij aanspreekt met “Wannes”, wat moeten die mensen dan denken?’

‘Dat je naam Wannes is?’

‘Luister eens hier, Jimmy. We hadden deze reis ook zonder jou kunnen maken, dat had geen enkel probleem geweest, ook voor je moeder niet. Niet alleen zou het een heel pak goedkoper zijn geweest zonder jou, het zou voor je moeder en mij ook veel rustiger zijn geweest. Maar wij wouden je erbij. Dat wil zeggen: wij wouden deze reis maken als een gezin. Versta je dat, Jimmy? Een gezin! Het eten dat jij op je bord krijgt, daar ben ik voor gaan werken. Ik niet alleen, ook je moeder gaat werken voor onze centen. Maar ik ook! Je gaat mij niet horen vertellen dat ik dit tegen mijn zin heb gedaan, maar ik vind het belangrijk dat je weet dat ik om ook jouw maag te vullen en jou gekleed te krijgen een heel jaar lang heb staan werken in die klotefabriek. Ik ben dan misschien je vader niet... nu ja, niet misschien, straks ga je nog dingen denken die niet waar kunnen zijn... gewoon, ik ben je vader niet, punt, maar toch ben ik meer vader dan jouw vader ooit voor jou is geweest. Ben je mee? Daarom zou ik willen dat je me vanaf nu aanspreekt met “vader”. “Pa” mag natuurlijk ook. Of “papa”. Gewoon, wat jou het beste klinkt. Wat het makkelijkste bekt. Je kiest maar. Begrepen?’

‘Ja.’

‘Ja wie?’

‘Ja Wie!’



Dit gesprek was getoonzet om het te laten uitmonden in een oorlog en Wannes was er nog niet helemaal zeker van of hij dat snotjong eronder had kunnen krijgen met de taal als enige wapen. Ook voor hem was het dus een verlossing Martine ineens te zien opdoemen aan het eind van de straat, rood aangelopen van de haast, maar met een gerust gemoed. Want alles was nu gecheckt en gedubbelcheckt, de vakantie mocht beginnen.

‘En? Was die balkondeur nu op slot?’

‘De balkondeur was inderdaad op slot. Maar het is toch goed dat ik nog eens gaan kijken ben: er stond nog water in de badkuip.’





Geef eender wie de kans om zijn identiteit te wijzigen, en hij grijpt ze. Sleutelwerken aan de persoonlijkheid, het karakter, zijn er altijd. Men zou graag wat geduldiger zijn, een betere zwijger, minder snel geprikkeld, een sterkere dit en een verfijndere dat. Een schep intelligentie extra mag er ook steeds bij, daar is altijd nog een plaatsje voor te vinden onder de hersenpan. Zeer groot is de kans dat hij die terug mag keren naar kruispunten uit het verleden daar, eenmaal aangekomen, een gans andere weg zal nemen. Op de Place de l’Étoile van het bestaan. Zelfs Jimmy wist daar ondanks zijn lage aantal jaarringen al van mee te spreken. Het verlangen iemand anders, en dus zo goed als zeker een beter iemand te zijn. Op zijn elfde was hij al paden ingeslagen, eenrichtingsstraten, die hij nooit meer zou verlaten. Het op die manier formuleren deed hij uiteraard nog niet, maar hij had er weet van, hij vatte het en het woog op hem. Kansen hadden zich niet aangeboden en deze die zich wel aanboden werden gemist. In zijn meest fatalistische momenten begreep hij dat hij de mogelijkheid om later bijvoorbeeld iets te betekenen in de otorhinolaryngologie nu al had verspeeld, enkel en alleen omdat hij niet had opgelet tijdens de les over de omzetting van stambreuken naar percentages. Niet dat hij de ambitie had om otorhinolaryngoloog te worden, helemaal niet zelfs, maar het feit dat de kans om te worden wat hij niet worden wou zo vroeg in zijn bestaan reeds was teloorgegaan, beschouwde hij als een aantasting van de vrije keuze, en een drama. Want hoe moest het dan niet gesteld zijn met de kansen om iets te worden wat men wél graag worden wou?



Hij had het weleens geproefd, het plezier iemand anders te zijn. Of juister: het plezier te worden aanzien voor iemand anders, wat vaak evenveel waard was. Zomaar voor de geinigheid durfde hij nieuwe vriendjes te vertellen dat hij aan diepzeeduiken deed. Hij, de schrikschijter als hij aan de rand van het zwembad stond. Hij, die tot de leeftijd van negen moord en brand schreeuwde wanneer zijn moeder de waterkan boven zijn hoofd leeggoot om zijn (slecht) gewassen haren uit te spoelen. Hij, die nog altijd panisch met luchtkussentjes rond zijn armen en benen in het gemeentelijk zwembad spartelde en kopje-onder ging terwijl hij zijn goed gevonden openingszin voor zo dadelijk in zijn conversatie met Sint-Pieter repeteerde. Hij stelde zichzelf aan nieuwe gezichten dus gaarne voor als een diepzeeduiker! Als een diepzeeduiker? Als een aquanaut! Het was niet zozeer om op te scheppen dat hij deze vrijetijdsbesteding zijn biografie in loog, hoewel dat het eenvoudigst zou zijn om aan te nemen. Neen, hij handelde in verzinsels zomaar om te zien wat het gaf als hij iemand anders was. Met de nieuwsgierigheid van de sociologische vorser bijna. Hij kraamde flagrante onzin uit over persluchtflessen, decompressieziektes, snorkels en trim?vesten, maar met zoveel overtuiging dat niemand de waarachtigheid van zijn verhaal in twijfel trok. Geholpen door de onderwaterfilms van Kapitein Cousteau (die Jimmy allemaal had gezien toen er niets anders op de buis was, zonder enige noemenswaardige interesse want de ene onderwaterfilm had hem eigenlijk wel heel sterk op de andere geleken) ondersteunde hij zijn prietpraatjes met wetenschappelijke weetjes over drukreduceerventielen en de verdronken paradijzen in de veel te natte wateren van Soedan.

Zijn moeder had hem soms door, zij moest tenslotte ook zijn hyperbolen aanhoren die hij meebracht van school. Ze zei dan: ‘Jongen, gij moet later in de politiek gaan!’ Maar dat had helaas nooit als een compliment of een aanmoediging geklonken. Terwijl hij toch ook háár leven mooier had gemaakt in zijn vertelsels met vreemden. Meer en meer was Jimmy over zijn afkomst gaan liegen: zijn vader was geen drinkende janlul met een luizenbaantje, maar een gerespecteerd iemand. Daarom niet noodzakelijk gendarme of bankier, maar toch minstens een makelaar. Sluiswachter was ook goed. En zijn moeder hoefde helemaal in geen sombere fabriekshal imitatielederen zadels op bromfietsen van Honda Aero (het knullige 2 taktmodel) te stikken, maar had een eigen bloemenwinkeltje, gespecialiseerd in bruidsboeketten en rouwkransen. Of hij maakte van haar een verpleegster. Of een demonstratrice van plastic opbergdozen van het merk Tupperware. Of iets totaal anders. Naargelang de inspiratie van het moment.



(‘Zeg Jimmy, zei jij vorige keer niet dat jouw moeder in een laboratorium werkte, iets met onderzoek naar te verbeteren bestanddelen van tandpasta of zoiets?’

‘Ja, klopt! Sympathiek dat je dat onthouden hebt. Ze heeft daar haar ontslag gevraagd, heb ik je dat nog niet verteld? Na dat laboratorium heeft ze nog een tijdje als blad?omdraaister voor een befaamd pianist gewerkt, Grolsch of Stolz of zoiets, maar ze is ondertussen dus wéér van job veranderd. Mijn moeder heeft variatie nodig, zie je. Het moet vooruitgaan bij haar, er hangt maar weinig zitvlees aan haar gat. Ze is nu trouwens ook van man veranderd.’

‘Onnozelaar! Zie maar dat ze niet van zoon verandert!’)



Jimmy had het dus kunnen weten. Kunnen weten én begrijpen, want wie zichzelf kent, kent voor een groot stuk ook de ander: wat zijn moeder hier op een gouden dienblad kreeg aangereikt was niet alleen de kans om van identiteit te veranderen, maar ook die om haar verleden helemaal anders in te vullen. En best mogelijk dat zij dat laatste veel belangrijker vond. Wellicht voelde zij niet de aandrang ten aanzien van vreemden te liegen over haar baantje als stikster in de bromfietsenfabriek, kende ze geen schaamte om het feit dat zij het goedkope bijna altijd boven het degelijke stelde. Zij had geen camouflagenetten te spannen over wie ze was en hoe ze dacht. Maar als ze even een ander verleden over haar curriculum mocht kleven: graag!

Gemeenschappelijke vrienden hadden Wannes en Martine niet. Nog niet. Dat zou zo gaan gebeuren. Hopelijk. Heel goed mogelijk dat zij zich, in blijde verwachting van een compleet nieuwe vriendenkring, een nieuwe en nu nog onbeschreven verjaardagskalender hadden aangeschaft. Na deze reis zou die poster aan de toiletdeur worden opgehangen, want dat was nu eenmaal de plaats voor verjaardagskalenders, alle binnenhuisarchitecten waren het daarover eens. Zozeer zelfs waren toiletdeuren in West-Europa de plaats voor verjaardagskalenders dat constipatie er een geldig en algemeen aanvaard excuus werd voor elke vergeten of verlate wens.

Dat, incontestabel, was de nieuwe levensdroom van Wannes en Martine: een eigen, volledig afbetaalde wc-deur, bekleed met een verjaardagskalender. Een inventaris van de in het sociale leven geboekte successen. En op die verjaardagskalender: namen van stuk voor stuk aangename mensen die Wannes noch Martine hadden gekend vóór zij een koppel vormden, brave sloebers die geloofden dat Wannes en Martine altijd al samen waren geweest, sedert het ontwaken van de wereld.

Het was simpel; over enige uren zouden ze kennismaken met medepassagiers, er zouden oppervlakkige maar met oprechte interesse gestelde vragen heen en weer gaan, en lang zou het niet duren of iemand zou op het idee komen die twee tortelduiven te vragen: ‘Hoe lang zijn jullie al getrouwd?’

Volgens Jimmy waren zijn moeder en Wannes op die vraag voorbereid en hadden ze nu al een getal afgesproken. Veertien of zo. Dat leek plausibel, veertien jaar getrouwd. Waarom niet? Er moest dan weliswaar nog een beetje gelogen worden over Wannes’ leeftijd maar voor de rest hadden vreemden geen enkele reden om aan de duur van hun huwelijk te twijfelen. Voor hun vertrek hadden Wannes en Martine alle potentiële vragen van mogelijks toekomstige vrienden overlopen en er een antwoord op bedacht. Zij hadden, ’s avonds in bed en met veel plezier, hun gezamenlijke verleden helemaal bij elkaar verzonnen en waren klaar voor deze reis. De reis van de tabula rasa. Het enige struikelpunt was nu nog Jimmy zelf. Als die jongen weigerde om Wannes aan te spreken met ‘vader’, dan viel hun hele plannetje in duigen en brak hun verleden opnieuw uiteen in twee afzonderlijke delen.



‘Daarom zou ik willen dat je me vanaf nu aanspreekt met “vader”, had Wannes gezegd. ‘“Pa” mag natuurlijk ook. Of ?“papa”, wat jou het beste klinkt. Wat het makkelijkste bekt. Je kiest maar...’ En hij had daar luttele seconden later voor de extra duidelijkheid nog aan toegevoegd: ‘Zolang je mij maar niet aanspreekt met Wannes, want dan gaat er iets rammelen!’

Verraden door zijn moeder die te laf was dit zelf aan haar zoon te vragen. (‘Jongen, voor mij hoeft die pantomime helemaal niet, maar Wannes zou graag hebben dat je...’) Ja, bedrogen, vernederd en in de steek gelaten door zijn moeder die een onnozele eenakter opzette over een slecht gesloten balkondeur, enkel en alleen om ruimte te creëren voor dit moeilijke gesprek tussen haar minnaar en haar kind.





Als er achter iets een groot en sterk karakter kon worden bevroed, dan zeker achter het vermogen om te kunnen zwijgen. De geschiedeniskronieken mochten eventueel nog wel een opeenstapeling zijn van grote redenaars en hun speeches, en wijsgeren mochten misschien met veel stelligheid beweren dat mondigheid het middel is waarmee de mens zich van zijn verstand bedient –; de staat van waarachtige grootheid wordt pas bereikt door te zwijgen. Dat wisten tevens de kartuizers die hun dagen dan ook in volkomen stilte sleten. Niet uit devote nederigheid, ook al lijkt het daar op het eerste zicht heel sterk op, maar net vanuit een zekere pretentie boven het gewauwel te kunnen staan.

Jimmy had een schoolkameraad eens horen vertellen over een of andere contemplatieve kloosterorde waarvan hij de naam helaas vergeten was, maar het ging om vegetarische monniken op een amper te verlaten eiland, gehuld in een met geitenbaarden gebreide pij. Ze sliepen weinig, maar als ze sliepen deden zij zulks rechtstaand of in ongemakkelijke houdingen. In hun streven naar totale onthechting plasten ze zonder handen, om niks te hoeven aanraken wat graag wordt aangeraakt. Doch al deze aardse treden naar de hemel waren nog makkelijk te nemen, vergeleken bij de te vaak onderschatte taak die zij zichzelf oplegden, te zwijgen, te leven in stilte tot de dood hen zou binnenloodsen in een volkomener stilte. Gebeden werden gezongen noch gefezeld, aangezien God en God alleen de woorden kon horen nog vóór ze waren uitgesproken.

Hoewel hij zelf nauwelijks capabel was langer dan een uur zijn klep dicht te houden, was Jimmy uitermate gebiologeerd door de exotische vertellingen over de volgelingen van Visjnoe die de kunst van de mauna, oftewel het zwijgen, beoefenden. Zo keurig en intens werd er door sommigen van deze mafkezen gezwegen dat zij door meditatie het taalcentrum van hun hersenen in een kunstmatige coma hielden. Het aantal jaren dat deze rare snuiters in stilte doorbrachten deed er niet toe, zolang het maar een veelvoud was van twaalf.

Zwijgers, wist Jimmy, hebben in India een haast ?goddelijke status bereikt. Het lijk van een zwijger hoeft dan ook niet te worden gecremeerd aangezien zijn ziel de aarde niet kán bevuilen. De grond hoeft de rottenis niet van wat reeds rot was. Maar zwijgers kan hij aan. Die zijn heilig. Zwijgers en koeien. De rest moet branden.



Had Jimmy trouwens zelf niet eerder de macht van het zwijgen mogen ontdekken? Jazeker, het afgelopen schooljaar nog. Op het kabinet van de directeur, waar hij was beland na het gooien van stinkbommetjes in de centrale gang. De directeur, chagrijnig omdat die een flink stuk van z’n werkdag had door te brengen in een diarreegeur die zelfs met geen zware sigarenlucht te verdrijven was, had stomend en briesend gevraagd wat Jimmy bezield kon hebben dat hij zich met dergelijke flauwiteiten ledig hield. Jimmy had dit kruisverhoor zwijgend uitgezeten, gezien hem dat veruit het mak?kelijkste had geleken. Hoe langer hij zijn stilzwijgen ?volhield, hoe woester het schoolhoofd werd. Ondanks het feit dat het aantal te schrijven bladzijden strafwerk hiermee de hoogte in vloog, had Jimmy deze actie van hemzelf, deze uiting van zuivere wilskracht en standvastigheid, beschouwd als een overwinning op de directeur. Een pyrrusoverwinning, dat wellicht, maar een overwinning hoe dan ook. Van zijn strafwerk, zesendertig gelijnde vellen met als titel ‘Leven en werken in een school die stinkt naar stront’, had hij een klein meesterstuk gemaakt. Én hij had zijn handschrift ?verzorgd, om zijn mentale onaanraakbaarheid te etaleren.



De autocar kwam in zicht. Met de goede ogen die Jimmy op die leeftijd nog had kon hij lezen dat er op de carrosserie stond te lezen: ‘Het Zwarte Woud begint bij Van Boterdael!’ Hij had opgewonden moeten raken van het vooruitzicht eindelijk op vakantie te vertrekken. Op reis naar het buitenland nog wel! (Ach, wat keek hij er ergens al naar uit dat het nieuwe schooljaar reeds zou zijn ingezet, enkel opdat hij tegen zijn makkers zou kunnen zeggen dat hij naar het buitenland was geweest.) Hij had ook nerveus moeten worden omdat hij zo dadelijk antwoord ging krijgen op de vraag of er al dan niet nog andere kinderen op die bus zouden zitten. Hopelijk jongens van zijn leeftijd, waarmee hij de achterbank zou kunnen inpalmen, om samen met hen middenvingers en tongen te tonen aan andere weggebruikers. Om samen met hen patriottisch, in de heerlijkheid van het wij-gevoel, vriendelijk te wuiven naar elke wagen met Belgische nummerplaat. En natuurlijk ook om er, eenmaal ter plaatse in het land van de braadworst, deugnieterijen mee uit te halen.

Maar Jimmy was voornamelijk vol nu van de uitdaging waarvoor hij zichzelf had gesteld, meer bepaald geen letter tegen Wannes te zeggen. Het was simpel: als hij die mens niet mocht aanspreken met zijn naam, dan sprak hij hem niet aan. Van gans de reis niet. Voilà.

Met zijn moeder zou hij praten. Zij was tenslotte zijn moeder. Maar Wannes, die zijn vader niet was maar ineens wel als dusdanig wenste te worden aangesproken, had zichzelf buitenspel gezet. Zo simpel was het. Wannes had het aan zichzelf te danken.



‘Kijk, onze bus staat daar’, zei Martine, hoofdverantwoordelijke van de afdeling Nuchtere Vaststellingen.

‘Vooraleer we die bus op stappen, nog één ding’, begon Wannes zijn preek, en Jimmy zette zich schrap, want uit de toon begreep hij dat de volgende boodschap aan hem gericht zou zijn.

‘Ik wil geen zottigheden met jou moeten meemaken in Duitsland, Jimmy. En als je het je toch zou riskeren om de rol van kieken op jou te nemen, dan zul je daar zelf de gevolgen van moeten dragen.’

Jimmy betrapte zijn moeder op het werpen van haar beroemde blik richting Wannes. Haar blik: de-klei?ne-was-nu-even-rustig-awel-laat-hem-dan-ook-met-rust.

‘Je weet toch dat de Duitse politie de strengste van de wereld is?’

Jimmy haalde zijn schouders op. De zwijger. Visjnoes oogappel.

‘Weet je wat Duitsers doen met snotneuzen die van op een brug over de autosnelweg naar beneden rochelen? Of met gasten die snoep stelen?’

Hoe lang kon Jimmy zijn schouders blijven ophalen als antwoord op een vraag?

‘Je weet het niet? Het interesseert je niet? Het zal je wel interesseren als ze je oppakken. Ze scheren je kaal en voeren je met een beestenwagon af naar een strafkamp waar je hele dagen in gestreepte pyjama moet rondlopen. Je moet er zien te overleven op soep gemaakt van aardappelschillen en zonder bouillonblokjes. En om uw groot toilet te maken moet je op een...’

‘Zoetje, alstublieft!’, onderbrak Martine hem, ook al klonk het niet zo zoetelijk.





Bijna waren ze te laat op de afspraak geweest en zou de autocar zonder hen vertrokken zijn. Alle passagiers die zich voor deze reis hadden ingeschreven zaten reeds makkelijk in hun reiszetel geposteerd en kleefden met hun gezicht tegen de ruiten om aandachtig een te laat komend gezin met veel te dikke valiezen te bestuderen.

Martine besefte, nahijgend nog van haar eindspurt, dat hier ternauwernood een familiale catastrofe was vermeden. Op een haar na was een reis waarvoor lang was gespaard en waar sedert lang naar was uitgekeken in het water gevallen, enkel en alleen omdat zij het in haar hoofd had gehaald alsnog het slot van de bal?kondeur te moeten controleren. Ze had zich door haar aangeboren zuinigheid ervan laten overtuigen dat een annulatieverzekering nergens voor nodig was, tenzij er tenminste nood zou kunnen zijn aan het makkelijk willen vullen van andermans zakken, maar dat betwijfelde ze. Enfin, ze zou het mogen horen hebben indien hier iets misgelopen was: een vakantie naar de bliksem en een hoop geld in de vuilbak.

En de Heer schreef een zucht van verlichting in de regieaanwijzing van Zijn figurant.



‘De familie Impens, neem ik aan?’, zei de buschauffeur met de deelnemerslijst in zijn handen. En hoewel hij een en al vriendelijkheid uitstraalde was toch duidelijk geweest dat hij daar slechts op één familie nog stond te wachten vooraleer hij koers kon zetten naar Gasthof Knusperhaus. ‘Jullie mogen van geluk spreken dat ik een brave mens ben, niet alle buschauffeurs zouden twintig minuten vertraging overhebben voor de laatkomers.’

‘Impens?’, dacht Jimmy, en hij moest zich weren om zijn gelofte van zwijgzaamheid niet meteen te breken: ‘Impens? Ben ook ik onder die naam ingeschreven?’



De valiezen verdwenen in de bagageruimte (‘Zo te voelen aan het gewicht van uw koffers gaat ge niets tekortkomen tijdens uw congé, mevrouw!’) en het drietal klauterde de bus in, schuchter een goedendag knikkend naar de hun nu nog onbekende medereizigers, schuldbewust omdat ze al die mensen hun vakantie hadden ingekort met twintig minuten, speurend naar een zitplaats.

Jimmy had zich zo rap als tellen naast zijn moeder op een zitje geploft, dat was de plaats die hem altijd al was toegekomen. Naast zijn moeder. Altijd. Tot Wannes in haar leven kwam.

‘Kom jong, opgelazerd! Of je had toch niet gedacht dat ik deze rit niet naast mijn vrouw ging zitten?’

Een rokade: Jimmy stond nog op het bord, maar hij had met Wannes moeten wisselen van positie.

Zwijgen moest hij nog leren, en hij was er flink mee bezig. Maar wat hij wel al tamelijk beheerste, was de kunst van het negeren. Hij kon een masker opzetten, en in zijn eigen toneeltermen noemde hij het zijn dodenmasker, waar zijn omgeving radeloos van werd. Een volkomen neutrale, emotieloze kop die anderen aanspoorde het woord ‘arrogantie’ te gebruiken in een op drie uitroeptekens eindigende volzin. Een kop die, ondanks het feit dat er geen enkel gevoel uit sprak, tot uitdrukking bracht dat hij, Jimmy de Eerste, Jimmy de Zwijger, de onaanraakbare was. Toorn mocht hem desnoods nog treffen, een krimp zou hij niet geven.

En dus verhuisde hij naar een andere zetel zonder daarbij Wannes of zijn medeplichtige moeder aan te kijken. In feite was dat nog een daad van arrogantie voor beginners, dat besefte hij. Gevorderden hadden namelijk geen schrik om iemand aan te kijken. Gesteld dat er een te negeren iemand toevallig in het blikveld van de gevorderde kwam, dan werd daar gewoon dóór gekeken, los erdoor, alsof er een glazen deur stond en geen mens. Maar dat niveau had Jimmy nog niet bereikt. Hij was nog jong, ook.



‘Zo beste mensen, welkom allemaal. Mijn naam is Rudy en mijn taak is het jullie veilig af te zetten in het Zwarte Woud. Uit mijn contract heb ik niet kunnen opmaken of het ook mijn taak is jullie weer veilig thuis te brengen, maar wees gerust, ik zal mijn uiterste best doen.’

Het was van dattum: een grapjurk!

Reisbegeleiders en stadsgidsen, daar trof je de grootste zichzelf geestig vindende humoristen onder.

‘Als jullie muziekcassettes hebben, aarzel dan niet om die aan mij te geven. Dan kan ik ze door mijn raam naar buiten gooien. Haha, grapje. Neen, serieus, zolang het maar geen ketelmuziek is waarvan ik gestresseerd door het rood ga rijden, wil ik alles voor u opleggen. Wie wagenziek wordt mag vooraan in de bus plaatsnemen, daar word je altijd minder misselijk dan achteraan. Over een goeie drie uurtjes houden we onze eerste pauze, kan iedereen eens de beentjes strekken, een sandwich eten en naar toilet gaan. Ik zou nog willen vragen geen kauwgom in de asbakken te doen, ik doe ook geen asbak in uw kauwgom, haha, en deze bus zo proper mogelijk te houden. Dus voor de rokers geldt ook: geen askegels in de zetels, geen peuken op de grond. En mocht ik in slaap vallen, zou u dan zo goed willen zijn mij tijdig wakker te maken!’



De deuren sloten (wat hield die jongen toch van het geluid van sluitende busdeuren!), de eerste van vele meters werden afgelegd, en er welde een spontaan applaus op ter aanmoediging van de enige in dit gezelschap die werken moest: der Rudy. De vakantie was begonnen, jawel. Een klein, reeds kalend ventje met een buik die de tekenen van vele gezellige uren droeg, zette het levenslied ‘Merci Rudy, merci Rudy, merci’ in. En een roodharige magere spriet met sproeten en een T-shirt dat was bedrukt met een met Beierse bierkroezen geïllustreerde wapenspreuk, Wo früher meine Leber war, ist heute eine Minibar, droeg zijn steentje tot de goede sfeer bij middels het zingen van de aria ‘En we gaan nog niet naar huis, bijlange niet, bijlange niet...’

Samen onderweg, halleluja.



Martine legde een hand op Wannes’ knie. Dit ogenblik, dat ze heel even leek te kunnen vastpakken, was: contentement. Toch wel, ja. Een periode brak aan waarin er niet hoefde te worden nagedacht over de ijskast en waarmee die zoal moest worden opgevuld. Ze gingen naar een plaats zonder wastrommels, zonder energiefacturen, zonder emmers en zonder schuurborstels. Vanavond en alle komende avonden van deze bescheiden vakantie hoefde zij geen keukenschort aan te binden. En hij, hij kneep in die hand van haar, Jimmy kon dat heel goed zien. Als een beminnende echtgenoot, een huisvader op het ogenblik dat hij de boog mocht ontspannen, en dat hij trots mocht zijn omdat hij zijn gezin door het werkjaar had geloodst en nu mee kon nemen op een verkwikkende trip. Een man in zijn moment van besef dat hij voor een poos geen boterhammen uit een brooddoos hoefde te eten, geen metaalverf te ruiken en dat hij geen onaangename, immer over de vrouwheid klagende collega’s dulden moest. Dat hij de geluiden van een assemblageband voor eventjes mocht inruilen voor het gekwinkeleer van enige vogels en het ruisen van hier en daar een struik. Dat hij zijn rugpijn mocht laten afzwakken en zelfs vergeten. En dat hij tussendoor in alle luiheid tafelen zou en een paar keer op de pot gaan zitten zonder de klok in de gaten te moeten houden, met een titel van Konsalik op schoot. Nu daar eindelijk de tijd voor was.

Jazeker, de vakantie was werktuiglijk begonnen.





Luxemburg!

Iedere kilometer die de bus naderde op deze eerste tussenstop, kon men steeds scherper een soort van onderhuidse opwinding onder de reizigers waarnemen. Want, hoewel men de vertrouwde betondorpen van het eigenste noorden al een poosje achter zich had gelaten, met het binnenrijden van Luxemburg was er een symbolische streep getrokken. Het thuisland lag achter de rug, hopelijk samen met een hele hoop gedachten. Oké, van Luxemburg kon worden beweerd dat het, in de kern, geen buitenland was. Meer voelde het aan als een Belgische achtertuin, onderhouden en gewied door de dynastieke inteelt, zeker nu Josephine Charlotte, zus van Boudewijn I, koning der mosseleters, kleindochter van Leopold II, de majesteitelijke negerinnenverkrachter en slavendrijver van de Congostroom, met haar groothertoginnelijke kont de Luxemburgse troon warm hield. Desalniettemin. Voortaan stonden er andere tronies op het geld en de postzegels gedrukt en waren reisgevoelens volkomen op hun plaats. Wie zijn gemoed nu nog thuis aan de bank had plakken, hoefde slechts zijn hoofd naar buiten te steken en zo’n stevige Lëtzebuergesche zin op zich te laten afkomen. ‘Këndel ass e Gebäck dat zu Lëtzebuerg laanscht d’Musel op Neijooschdag de Kanner vun hirem Pätter oder hirer Giedel geschenkt gëtt...’ Daarvan ging men wel meteen in onderweegse sferen vertoeven. Als men zich tenminste door zoveel linguïstisch exotisme niet ogenblikkelijk naar het andere eind van de planeet gekatapulteerd wist.

Luxemburg: dichtbij, zolang de plaatselijke bevolking haar klep hield.



Eindelijk eventjes die reeds naar okselvochten ruikende bus uit. De niet-rokers waren dolgelukkig met het vooruitzicht een hap frisse lucht te kunnen nemen. Wie z’n plas de afgelopen kwartieren enkel en alleen dankzij het beheersen van de techniek der zelfhypnose had kunnen ophouden, kreeg het nu bijzonder moeilijk. Want zo gaat dat vaker met dringend moeten plassen: de strijd tegen de stuwing dreigt te worden verloren met de zege reeds in zicht, alsof de sluitspier het aanmoedigende bijna interpreteert als nu! In het uur van de samengeknepen benen reed de autocar van Van Boterdael een ruime parkeerplaats op, voor een pauze van goed vijfenveertig minuten.

Het lichaam was een wonder ding. Langs boven goot en propte men er van alles in wat er vervolgens langs onder weer uit moest. Zo werden de schepselen behoed voor de verveling. En er werden pauzes van vijfenveertig minuten in het leven geroepen waarin men aan beide keerpunten van deze kringloop de nodige aandacht kon schenken. Maar dit was niet zomaar een pompstation, neen, dit was een pompstation in Luxemburg, het be?lastingparadijs. En dat betekende dat er tussen het vullen en het ledigen van de spijsvertering naar har?tenlust moest worden geconsumeerd in de aanpalende superette.

Was winkelen doorgaans een vrouwelijke bekommernis waardoor mannen zichzelf tijdens de koopjes dezelfde wachtplaatsen als de honden toewezen, buiten aan de deur, de Luxemburgse regering had begrepen dat een gunstige fiscaliteit kon worden aangewend om de cohesie tussen de seksen te versterken. En met succes: precies door een lage omzetbelasting te heffen op zowel parfum als alcohol was nergens ter wereld de verdeling van man en vrouw over de verzamelde winkelrekken zo evenwichtig als hier, in Luxemburg.

Terwijl Rudy zijn bus voorzienig volgooide met fiscaal voordelige brandstof, spurtten de passagiers naar buiten voor een kleine race tegen de tijd. Vijfenveertig minuten om hun buikje rond te eten, naar toilet te gaan en winkeltassen te vullen.



Martine vertrouwde het niet om die bus te verlaten. De valiezen bevonden zich tenslotte in de bagageruimte. Wat als iemand ermee aan de haal ging? Wat als de buschauffeur gewoon verder reed, zonder hen?

Overdrijven? Martine? Ze had de naaisters tijdens de schaft op haar werk al andere herinneringen horen ophalen, met een mond vol pralines, en elk van die verhalen had het slechtste in de mens aangetoond. Maar uiteindelijk zat ook Martines blaas om verlossing te schreeuwen en had ze honger gekregen. Zij, de schutsengel van alle moeders, de mater familias in technicolor, had menageus voedselpakketten voor onderweg gemaakt. Pistolets van bij bakker Vennema, feestelijk gevuld met eerste keus beleg, te zeggen: pekelvlees. Drankjes van Capri-Sonne, de lievelingslimonade van het hele gezin. En voor Jimmy apart, broodjes bestreken met onvoedzame rommel waar bovendien ook nog eens zijn hele gebit van verrotte, maar hij was daar verzot op. Het was tenslotte ook vakantie voor die jongen. En hij had zo goed gewerkt op school! Als hij zijn best had gedaan moest dat toch ook worden gezegd, nietwaar. Gezegd en beloond. Maar die lekkernijen bevonden zich nog in de valies, in de buik van de bus, en Martine durfde het niet aan de buschauffeur te vragen om voor zoiets onnozels als een lunchpakket de bagageruimte open te maken. Dus, tja, moesten ze wel naar buiten om in het tankstation een paar schandelijk dure, naar niks smakende broodjes te kopen, driehoekjes belegd met kaas die al weken in een plastic folie een geheel eigen biosfeer lag uit te zweten. En daar een chemisch ontluisd blaadje krulsla bij, om de gezondheidsfreaks te verleiden. Elkeen zo’n broodje en het voorziene daggemiddelde van het vakantiebudget was er reeds voor de helft doorgesluisd.

‘En zeggen dat er ik weet niet hoe een smakelijke pistolets met pekelvlees in die bagageruimte op ons liggen te wachten!’



‘Mama!’

‘Wat is er?’

‘Ik lust die sandwich niet!’

‘Hij heeft ons veel te veel geld gekost, je gaat hem opeten!’



Om de ergernis compleet te maken moest er ook nog eens worden betaald voor het gebruik van de toiletten. Helemaal nieuw was dat niet, keizer Vespasianus had in het jaar 72 al belastingen geheven op het gebruik van de stadslatrines om de bouw van het Colosseum te kunnen financieren, nuttige informatie voor de inrichters van een quiz, maar Martine was wel van haar melk omdat ze een kleine twee millennia na die Romeinse zot twaalf Luxemburgse franken moest neertellen voor een sanitaire stop.

‘Twaalf frank om te pissen! Dat is verdomme zesendertig frank voor ons drieën, want groepstarieven kennen ze hier niet. En dat noemen ze dan het belastingparadijs?’



Nogmaals, ze had weinig keuze. Bovendien moesten zij zichzelf eraan herinneren dat deze reis de eerste namen moest leveren voor de verjaardagskalender die op een spoedig aan te breken dag aan hun badkamerdeur zou prijken. Met andere woorden, ze hadden tijdens de pauze zo min mogelijk in die bus te zoeken, hoorden zich onder het volk te begeven en doken hun reisgezellen achterna, de superette in, waar er flink werd geschuddebuikt met de lachwekkende prijzen die men in dit libe?rale walhalla maar voor flessen sterkedrank vroeg. Mensen kwamen erbuiten, beladen met een stapel ontzettend laaggeprijsde sigarettensloffen, zielsgelukkig omdat er op die manier weer iets extra’s opzij kon worden gelegd voor de longspecialist. De flessen wodka, whisky en gealcoholiseerde vruchtenstropen klingelklangelden in de handtassen; het was klaar en duidelijk dat geld verbrassen hier door velen als een plezier werd bezien en de superette naast dit pompstation door enkelen zelfs als een excursie op zichzelf werd beschouwd. Indien niet als het hoogtepunt van de reis zelf!

Drank interesseerde Martine niet. Zij wist als geen ander waarom.

Parfum eigenlijk ook niet, ze had dat altijd ergens een camouflagemiddel gevonden. Iets wufts dat de welstellenden stelden tegenover de luiheid om zich deftig te wassen. Een geurtapijt waar men z’n eigen stank maar onder te vegen had. Anderzijds had ze met Wannes onverziens een man in huis die aftershave gebruikte en, op zon- en feestdagen, al eens een drop eau de toilette, pour hommes, bien sûr, tegen zijn nekvel spette en moest zij beamen van die geur best wel te kunnen genieten. Het was een geur die met hem was gaan samenvallen. Straffer, het was zelfs een regelrechte schande dat Wannes’ merk, Paco Rabanne, ook zomaar door andere mannen mocht worden aangeschaft. Alsof een ferm stuk van zijn identiteit in flacons kon worden gegoten en mocht worden versjacherd aan de niemanden.

Ze keek. Rekken en rekken en nog eens rekken volgestapeld met alcohol, voor vele gezinsdrama’s bij elkaar. En daartegenover, rekken en rekken en nog eens rekken met parfum. Ze zag hoe vrouwen, medepassagiers, hun polsen bestoven, hun halzen besproeiden en die geuren vervolgens ontleedden en becommentarieerden. Dat zou wat geven straks in de bus, die mengelmoes aan odeurs.

Een flesje reuk kopen zou Martine niet. Maar ze kon doen alsof. Voor het gebeuren op zich. Om op te gaan in de groep. Ze las de namen van de flesjes, Clair du Jour, Rumeur, Fleurs d’Orlane, Fantasque, Loulou, Nombre Noir... en vroeg zich af of er een verband zou zijn tussen de naamgeving en de eigenlijke geur. Hoe moest ze zich een geur voorstellen die, zonder zijn naam te hebben gestolen weliswaar, Clair du Jour heette? En welke naam zou zij aan een parfum geven? Om Jimmy te betrekken in het gebeuren, want het ventje verveelde zich uiteraard te pletter in deze kooptempel, vroeg ze hem welke naam hij mooi vond voor een parfum.

Wat een rare vraag! Een mooie naam voor een parfum? Daar moest hij even over nadenken, toch.

Een verkoopster (de poriën in haar gezicht dichtgepleisterd met fond de teint) vroeg of ze kon helpen. In het Frans, een taal waarmee ze overweg konden. Martine twijfelde. En Wannes, die haar nu al voldoende kende om haar twijfel af te lezen van kleine trekken op haar snoet, zei: ‘Waarom niet? Het is toch vakantie! Je hebt nog niks van parfum in je kast staan, terwijl er vrouwen zijn die kasten moeten bijkopen om al hun flesjes opgeborgen te krijgen. Straks gaan de mensen nog denken dat je niks krijgt van mij. Kies er jezelf een reukje uit, toe! Voor een keer dat we in Luxemburg zijn!’

Een ingenieur die de noden van de moderne tijd een beetje aanvoelde, zou zich daar hebben afgevraagd op welke wijze men energie kon winnen uit de fonkeling van een vrouwenoog.





Terwijl de door parfumstaaltjes geplaagde vliegen met barstende koppijn stierven, reed de bus een volgende grens over. ‘Duitsland!’ Doch, te oordelen naar de lichtelijk frivole klederdracht van de douaniers kon dit onmogelijk de poort tot Duitsland zijn. De heren die daar namelijk met enige kennis van de commedia dell’arte gewichtig in kofferbakken en onder passagierszetels zaten te speuren naar smokkelwaar en in tapijten ge?rolde lijken, droegen een uniform dat zodanig was ontworpen dat er geen enkele twijfel over kon bestaan: dit waren de vertegenwoordigers van het wettelijk gezag van een land dat voorname modehuizen herbergde. Gründlichkeit, en zeker Deutsche, straalden deze tot leven geblazen tinnen soldaten niet uit. En inderdaad, voorbij de slagbomen stond een blauw bord met daarop LA FRANCE en BIENVENUE. In één taal slechts, als om meteen in alle eerlijkheid duidelijk te maken dat men een land was binnen getreden waarvan de bevolking z’n eigen taal zo schoon vond dat het dan ook de behoefte niet voelde om er nog een andere bij te leren.



Wat een aha-erlebnis zoal kan doen: het duurde geen drie tellen of sommige Schwarzwaldgangers haalden bij het zien van de grenswachters herinneringen op aan Les Gendarmes, de zes politiefilms waarmee Louis de Funès vele lachlustige dames in hun broek had laten pissen. Maar hier en daar begon zich toch iemand ook af te vragen wat die buschauffeur opeens in Frankrijk kwam zoeken. Was hij uit een klassieke combinatie van verstrooidheid en routine toch niet naar Benidorm aan het rijden? Zag hij zijn passagiers voor typische Lourdes-pelgrims aan, soms?

Lang duurde de paniek niet; met wat Wannes en Martine bijeen konden leggen aan aardrijkskundige kennis konden zij inderdaad becijferen dat de reisroute via Frankrijk aanzienlijk werd verkort. Driehoeksmeetkunde in de praktijk. Een volgende plasstop zou bijvoorbeeld plaats kunnen vinden in Colmar; een stad die zich volgens spuiers van allerhande meningen nauwer verwant voelde met Duitsland, waardoor men de mensen daar zuurkool met rookworst serveerde, gewoon om ostentatief afstand te nemen van de verfijnde Franse keuken en bijgevolg ook van ’s lands hele levenssfeer.

‘Een mens is wat hij eet!’, zei Martine, een scheurkalender citerend, en ze stak geniepig een stuk chocola, dat ze in haar handtas had gehamsterd voor emotionele momenten, in haar mond. Jimmy zag het tafereel voor zijn neus plaatsvinden. Een stuk chocola zowaar. Chocola van Callebaut, met hazelnoten. Er was niks beters ter wereld dan een stuk chocola van Callebaut of het moest zijn twéé stukken chocola van Callebaut. Hij zag de volledige reep in het gezicht van zijn moeder verdwijnen zonder dat zij hem had gevraagd of hij ook een stukje wou.



‘Dat we nu nog door Frankrijk gaan rijden ook, bijgod.’ Een harde noot om te kraken voor Wannes die geen rekening had gehouden met dit scenario, en die er dan ook geen seconde aan had gedacht op voorhand Franse francs te bestellen bij z’n bankier.

Jimmy keek er al naar uit om de jaloerse smoelen van z’n schoolmakkers te zien, wanneer hij over twee maanden, in eer en geweten nog wel, zou zeggen dat hij op reis was geweest naar twéé buitenlanden. Twee? Dríé, met Luxemburg erbij!



Links en rechts werd er wel beweerd dat Europa in een zeer nabije toekomst één zou zijn. Er waren alleszins politici die daar hun persoonlijke project van hadden gemaakt en die meenden dat zowel het leven als het ?sterven goedkoper zou worden wanneer de grenzen werden opengesteld voor goederen en personen. Euro-utopisten spraken begeesterd over een eenheidsmunt, een president voor het hele geografische lappendeken, en droomden van het Te Deum van Marc-Antoine Charpentier, eventueel met een naar het Esperanto vertaalde tekst van ouwe gouwe Goethe erop gezet, als het volkslied voor elkeen tussen de noordpoolkap en de Middellandse Zee. Maar voorlopig had men nog nagelbijtend aan te schuiven in de lange rijen voor de douaneposten, niet bevroedend dat men ooit nog nostalgisch terug zou kunnen blikken op dit tijdsverlies.



Franse douaniers hadden hun reputatie tegen. In al hun chauvinisme lieten ze Renaults en Citroëns door de mazen van het controlenet glippen en vierden ze hun machtswellust bot op bestuurders van wagens van Duitse makelij, naar verluidt uit weerwraak omdat hun president, de restaurantkenner François Mitterrand, ?tijdens de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen had gezeten in Stammlager IX, en dat allemaal met een granaatscherf in zijn borstbeen. Historische vergeldingen werden hier gepleegd op al wie had gemeend met een Audi of een BMW naar de Côte d’Azur te moeten tuffen. Hollanders die uit volkseigen zuinigheid hun caravan hadden volgestouwd met noordse kazen, maatjes en bintjes, werden aanzien voor toeristen die openlijk hun afschuw voor het Franse voedsel lieten blijken, en liepen grote kans aan een rancuneuze inspectiebeurt te worden onderworpen. Ondertussen smokkelden de ter?roristen van de groep Action Directe wel in bestel?wagentjes van Peugeot hun wapens het land in, zodat ze ongestoord juweliers konden vermoorden op de Champs-Élysées om alzo hun ideaal, de proletarische onteigening, te verwezenlijken. Maar dat was uiteraard bijzaak. Had zijn echtgenote te weinig look in de maaltijd gedraaid, waren de sjalotten aangebrand of was de beaujolais dat jaar te laat gearriveerd, dan reageerde de Franse douanier zich af door personenwagens compleet uit te mesten. Valiezen moesten worden uitgekieperd, zetels werden gedemonteerd en wattenstaafjes ontleed tot zeker was dat er geen afluisterapparatuur in was verstopt. Nou ja, het was dat die mensen nu eenmaal per ongeluk strepen op hun vest hadden kleven en dat zij dan ook maar op die strepen hadden te staan. Dat en het feit dat ze zich steendood verveelden kon nefast zijn voor iemands vakantiepret. Werd er vervolgens niks gevonden, en er werd bij deze routineklussen omzeggens nooit iets gevonden, dan kwam er amper een verontschuldigend woord over hun lippen. Hooguit mompelden ze zoiets als ‘Allez, bonne route’, om meteen daarna bulderend van het lachen in een bureautje te verdwijnen, en daar van een welverdiende pauze te genieten met een koffie en een eind cervela. En op zondagen: saucisson de Lyon.



De bussen van Van Boterdael waren Volvo’s. Zweedse makelij. Je moest al een douanier treffen met een grondige kennis van de geschiedenis wou je met een Volvo zijn werklust aanwakkeren. Desalniettemin nam Rudy liever geen risico’s en greep hij naar zijn microfoon.

‘Beste mensen, we maken zo meteen een bochtje door Frankrijk en staan nu aan te schuiven voor de douanecontrole, zoals iedereen wellicht al heeft gezien. Ik heb de indruk dat ze ’r hier en daar een paar wagens aan het uitpikken zijn voor een grondige inspectie. We hebben natuurlijk geen zin om hier nog twee uur aan de kant te moeten staan, het is al erg genoeg dat we twintig minuten later dan voorzien vertrokken zijn. Dus zou ik jullie willen vragen, en ik weet dat ik voor sommigen onder jullie een hoogst moeilijke vraag stel, ik zou jullie willen vragen om er zo normaal mogelijk uit te zien. Concreet: als er een douanier naar binnen kijkt, kijk dan vriendelijk terug. Maar ook niet té vriendelijk, want dat maakt u dan weer verdacht. Begrepen?’

Martine, die even met haar gedachten ergens anders had gezeten, vroeg aan Wannes: ‘Wat is er? Wat vertelde hij?’

‘Hij zei dat we nu moeten proberen om eruit te zien als normale mensen.’

Hierop liet ze een tweede lat chocola in haar mond glijden. Een gebeurtenis die Jimmy niet onbesproken kon laten.

‘Mama!’

‘Wat nu weer?’

(Hoezo, nu weer, hij had al in geen era meer gesproken!)

‘Mama, dat is nu al het tweede stuk chocola dat je opeet.’

‘Dat is om plaats te maken in mijn sacoche. Je zou beter naar buiten kijken. Er is daar van alles te zien dat je bij ons niet kan zien.’





Of er een oorzakelijk verband was viel moeilijk te detecteren, maar men was nog maar net het 57ste departement van de Franse republiek ingedoken of een harde kern van onze reizigers (waarvan steeds duidelijker werd dat het de man met het bierkroezenshirt als spirituele leider had) opende een resem flessen. Zwetschgenwasser! Het klónk alleszins als water maar je instinct fluisterde je in dat een vis geen halve seconde zou overleven in dat vocht en dat koeien minder toonvast zouden loeien indien ze ’r hun dorst mee hadden gelest.

Vanwaar zij zat kon Martine nog net de etiketten van de flessen lezen, Korn, Kümmel en Steinhäger, en hoewel zij tien jaar lang de asem van een immense zuipschuit in haar gezicht had laten hijgen, zeiden de namen van deze dranken haar volkomen niks. Zo zag je maar, men kon altijd bijleren, geen kennis die ooit volkomen was. Het enige drankje hier aanwezig op deze bus dat zij herkende was Jägermeister, wat ze soms eens durfde te gebruiken in een recept voor crêpes suzette. Maar dat spul was al bijna geen drank meer te noemen, doch veeleer een medicament; een vloeistof waarmee men een prop doordrenkte, die men vervolgens in de holte van een kapotte, pijnlijke kies stopte.

Scheel van de tandzeer zagen deze mensen er niet uit, verre van, maar dat belette hun niet om hun bekers stevig te vullen.



Wannes en Martine kregen allengs het vermoeden dat ze waren beland in een groep mensen die in een tijdens diverse dia-avonden veelvuldig bewierookt verleden, reeds een sterke band hadden gesmeed. Een kliek kameraden, gehecht door de kracht van vele gezamenlijke katers. Het had er alle schijn naar dat zij jaarlijks hun kerstdiners aan dezelfde dis naar binnen lepelden, dat dit lang niet de eerste vakantie was die zij samen doorbrachten. Waardoor het ongetwijfeld moeilijker zou worden contact met hen te leggen. Maar kijk, uit deze vriendenkring veerde een vrouwmens van het volumineuzer model op, mét fles, mét een stapel bekertjes, en ze liep ermee tussen de zetels, gul schenkend aan iedereen. Ook aan Wannes en Martine dus die hun kansen op een nieuw sociaal leven niet mochten hypothekeren en dit glas hadden te aanvaarden.

‘In één keer uitdrinken!’, zei de schenkster: ‘Dat hoort zo!’

Je wist altijd hoe laat het was wanneer men een drankje in één zwelg naar binnen had te bonjouren