Main [NL] 2006 - Heisa in Venetie

[NL] 2006 - Heisa in Venetie

0 / 0
How much do you like this book?
What’s the quality of the file?
Download the book for quality assessment
What’s the quality of the downloaded files?
Year:
2006
Language:
dutch
File:
EPUB, 180 KB
Download (epub, 180 KB)
0 comments
 

To post a review, please sign in or sign up
You can write a book review and share your experiences. Other readers will always be interested in your opinion of the books you've read. Whether you've loved the book or not, if you give your honest and detailed thoughts then people will find new books that are right for them.
1

Eindelijk gelukkig

Language:
dutch
File:
EPUB, 214 KB
0 / 0
2

Jasmijn

Language:
english
File:
EPUB, 199 KB
0 / 0
Anita Verkerk

Heisa in Venetië





2006

Drie mooie vrouwen, co-pilote Rozemarijn Veninga, kunsthistorica Iris Martens en journaliste Lianne van de Bor genieten volop van hun werk, maar dromen zoals elke vrouw ook van liefde en romantiek. In een zonovergoten Venetië ontmoeten ze niet alleen elkaar, maar ook drie knappe mannen: docent aardrijkskunde Michael en de piloten Wouter en Frank. Met hun zessen hebben ze de tijd van hun leven! Maar blijven het dromen, of worden de dromen waar?


NBD|Biblion recensie

Journaliste Lianne is een zelfbewuste jonge vrouw, maar ook op zoek naar een relatie. Deze vindt zij tijdens een verblijf in Venetie na enkele teleurstellingen. Ook co-pilote Rozemarijn en kunsthistorica Iris zijn in Venetie. De drie jonge vrouwen ontmoeten elkaar daar op de camping en beleven samen een hectische tijd. Een van de nevenintriges is de kidnap van een jongetje. Rooskleurig, wensvervullend verhaal met jonge, mooie mensen in boeiende beroepen. Geen expliciete liefdesscenes. Evenals ‘Twee is teveel’ uitgegeven in een nieuwe reeks ‘Romantisch, charmant en vol humor’. Makkelijk leesbare, oncontroversiele vakantieroman, vooral geschikt voor jonge vrouwen.





1


De zon scheen stralend boven de Alpen en vanuit de cockpit van het hemelsblauwe vliegtuig was het uitzicht adembenemend.

Maar co-pilote Rozemarijn Veninga had totaal geen aandacht voor de met glinsterend ijs bedekte rotspieken en de grillige bloemkoolwolken om haar heen.

“Marco Polo approach, KLM 043, passing flight level nine zero, decending flight level five zero,” prevelde ze in haar microfoon.

Er klonk een hoop gekraak in haar koptelefoon en de verkeerstoren van de Venetiaanse luchthaven antwoordde bijna meteen: “KLM 043, Marco Polo approach, identified, descend 2000 feet.”

Er droop een zwaar Italiaans accent uit de aanwijzingen.

Al dalend liet het vliegtuig de bergen achter zich en het prachtige uitzicht maakte plaats voor een grijze wolkendeken. Mistflarden zweefden als geheimzinnige wezens langs het cockpitraam en terwijl h; et zicht steeds slechter werd, begon het toestel lelijk te schokken.

“KLM 043, Runway 4 right, cleared to land,” kraakte de stem van de verkeerstoren in haar oor.

Rozemarijn tuurde met samengeknepen ogen uit het raam op zoek naar de landingslichten. “Dat is mooi gesproken, jongen,” mompelde ze in zichzelf, “maar ik zie geen runway 4. Ik zie helemaal niks.”

Ze tikte de knappe man in het donkerblauwe uniform naast haar lichtjes op de gouden biezen van zijn mouw. “Ik zie de baan niet, Wouter.”

Zonder zijn ogen van de tientallen uitslaande metertjes los te maken, haalde de captain zijn schouders op, terwijl zijn hand de gitzwarte zware hendel die tussen hen in omhoog stak, stevig omklemde. “Het is nog 250 voet tot de minimums. We zijn er zo wel weer uit,” antwoordde hij ontspannen.

Maar ze waren er niet zomaar weer uit.

Terwijl het vliegtuig lager en lager zakte, probeerde Rozemarijn dwars door de wolkenflarden heen te kijken, maar de landingsbaan was nergens te bekennen. Het begon erom te spannen.

“Zie je echt niks?” vroeg Wouter. “We zitten bijna op minimum.”

“Nee, dat gaat hem niet worden, Wouter. Go around.”

Captain Wouter wierp een snelle blik uit het raam. “Go around,” herhaalde hij. “Flaps 15, check thrust. Gearup, set heading select.”

De gashendels schoven naar voren en terwijl Rozemarijn in een ijltempo allerlei knopjes omzette, schoot de Boeing 737 met luid brullende motoren heftig schokkend de lucht weer in.

∗

De onverwachte doorstart bleef in het passagiersgedeelte van het vliegtuig niet bepaald onopgemerkt en van alle kanten klonken er verschrikte kreten.

Journaliste Lianne van de Bor werd achterover gedrukt in haar stoel en door het piepkleine raampje zag ze een grote grijze vleugel op zich afkomen.

“We storten neer,” kreunde ze ontzet, maar haar stem kwam amper boven de gigantische herrie van de motoren uit.

De blonde passagier op de stoel naast haar legde een warme hand op haar schouder. “Niks aan de hand,” zei zijn donkere mannenstem geruststellend in haar oor. “Ze zullen het wel niet kunnen zien door al die mist. We gaan alweer recht vliegen, merk je wel?”

Bibberig keek Lianne uit het raampje, maar behalve het spiegelbeeld van een verschrikte jonge vrouw met grote angstogen en knalrood kort haar zag ze niet veel.

“Dames en heren, Rozemarijn Veninga hier vanuit de cockpit,” kraakte een vrolijke vrouwenstem vanuit het luidsprekertje boven Liannes hoofd. “Door het slechte zicht hebben we onze landing even moeten uitstellen. Wij gaan zo dadelijk opnieuw aanvliegen, maar omdat we niet de enige zijn, moeten we achteraan aansluiten in de rij. Ik wil u dan ook verzoeken nog wat geduld te hebben.”

Het toestel schokte heftig en Lianne drukte haar hand tegen haar mond. Ze was me toch misselijk. Ze wilde eruit!

“En zoals u vast wel heeft gemerkt,” vervolgde de stem van de co-pilote opgewekt, terwijl er alweer een lelijke schok door het toestel ging, “het is een beetje turbulent in de onderste luchtlagen. Blijft u daarom rustig op uw stoel zitten tot wij geland zijn. Ladies and gentlemen, the cockpit here…”

Terwijl Rozemarijn haar boodschap in het Engels herhaalde, mopperde Lianne verontwaardigd: “Een béétje turbulent. Dat is het understatement van het jaar. En ik snap ook niet waarom dat mens zo vrolijk zit te doen.”

De man op de stoel naast haar begon te grinniken. “Ze wil ons geruststellen. Dat is haar werk.”

“Het is haar werk om te landen. Ik wil eruit!”

“Nog even volhouden, Lianne. Vind je het zo erg om te vliegen?”

Lianne keek opzij. Hij had haar naam onthouden. Maar hoe heette hij ook alweer? Verdraaid, ze was ook zo slecht met namen onthouden. Een gezicht vergat ze nooit meer, maar de naam die erbij hoorde, ging haar meestal het ene oor in en het andere weer uit. Dat was af en toe best lastig.

Hij had leuke ogen, deze man. Blauwgrijs waren ze. En knap was hij ook.

“Wat zit je me nou aan te staren?” vroeg hij en de blauwgrijze ogen boorden zich in die van haar.

Lianne haalde diep adem. Nou was ze niet alleen misselijk, nou ging ze ook nog zitten blozen als een vers gekookte kreeft.

“Ik ben je naam vergeten,” zei ze wat gegeneerd.

“Michael.”

“Oh ja, natuurlijk. Michael. Sorry.”

Hij glimlachte naar haar. Verdraaid, waarom deed hij dat nou? Ze kreeg het subiet nog warmer.

“Het gaat weer beter met je,” constateerde Michael en hij keek haar opnieuw indringend aan. “Je ziet al niet meer zo wit.”

Lianne slikte. Die opmerking ging ook hoge ogen gooien in de understatement-van-het-jaar verkiezing.

“Heb je vliegangst?” vroeg hij.

Nou, dat was de derde nominatie voor de prijs.

“Ik heb een cursus gedaan. Een vriendin van mij is psychologe en die heeft me overgehaald, maar het heeft niet veel geholpen.”

“Je zit hier anders wel,” zei Michael.

“Te bibberen, ja.”

Maar ze was gelukkig niet meer zo misselijk. De afleiding hielp inderdaad.

Het was een leuke vent, die Michael. Toen de stewardess met de sandwiches langskwam, waren ze met elkaar in gesprek geraakt over biologische tomaten en kropjes ijsbergsla met krulrandjes. Al etend waren ze van het ene in het andere onderwerp gerold en ze hadden flink zitten lachen.

Zou hij een vriendin hebben? Ze zag geen ring aan zijn vinger.

Lianne schoot rechtop van pure schrik over haar eigen onzinnige gedachte. Zij weer hoor. Zat ze een paar minuten met een leuke man te kletsen, zag ze zichzelf al met hem voor het altaar staan. Daar moest ze eens mee ophouden. Daar hielden mannen niet van. Dat wist ze toch onderhand?

“Ik ben dol op vliegen,” verklaarde Michael. “Zeg nou zelf, als je met de auto naar Venetië gaat, moet je minstens veertien uur in zo’n krappe kar hangen. En dan kan er ook van alles gebeuren onderweg.”

Hij leunde ontspannen achterover in zijn stoel en rekte zich uit. Door de beweging sprong er een knoopje van zijn rode poloshirt los en Lianne kreeg een riant zicht op een door de zon gebruinde, gespierde borstkas. Ze slikte wat moeilijk.

“Nee, geef mij het vliegtuig maar,” praatte Michael verder, “dan ben je er in anderhalfuur.”

“We zijn er anders nog lang niet.” Lianne trok een gezicht en keek uit het raampje, waar een felle zon stralend de besneeuwde toppen van de Alpen bescheen. “Volgens mij vliegen we zo weer terug naar Amsterdam.”

“Welnee. Hebben ze je op die cursus niet uitgelegd dat ze in de lucht allerlei vaste routes hebben? We hebben een rondje gemaakt en we komen nu gewoon weer aanvliegen voor de volgende poging.”

“Oh,” prevelde Lianne. “Ik ben in elk geval blij dat die mist is opgetrokken. Kunnen we zo tenminste wel gewoon landen.”

Michael schudde gespeeld meewarig zijn hoofd. “Dat krijg je er nou van, dat je slecht hebt opgelet bij de aardrijkskundeles.”

Ze keek hem verbaasd aan. Aardrijkskunde was inderdaad nooit haar favoriet geweest en veel meer dan een mager vijfje had ze er niet uitgesleept. “Hoezo? Waarom denk je dat?”

“Dat zijn bergen daar beneden. En daar kan het aan de ene kant stralend weer zijn en aan de andere kant giet het van de regen. De loef- en de lijzijde, weet je wel?”

Liannes gezicht werd een en al vraagteken. “Nooit van gehoord. Ben jij zo’n studiebol?”

Hij keek haar bijna verontschuldigend aan. “Ik ben leraar aardrijkskunde.”

Een leraar? Maar zo zag hij er toch niet uit?

Leraren…Dat waren van die stoffige typetjes in veel te strakke broeken waar dan zo’n bierbuik overheen bubbelde.

Deze mooie afgetrainde spetter kon toch geen leraar zijn?

“Val ik je nou erg tegen?” vroeg hij.

Ze schoot in de lach om de blik in zijn ogen. “Welnee, schoolmeesters moeten er ook zijn. Misschien kan ik nog weleens een artikel over je schrijven.”

De hunk voor de klas. Of: Alle meiden verliefd op de meester.

Verliefd? Hoe kwam ze daar nou weer bij? Ze zat toch niet in alle ernst verliefd te worden op een wildvreemde vent die toevallig naast haar zat? Na de landing zag ze hem nooit meer terug.

Of…

Zou het erg raar zijn als ze zijn telefoonnummer vroeg? Of kon ze beter wachten tot hij…? Hij was wel erg leuk.

“Dames en heren” kraakte de luidspreker boven hun hoofd en de saaie stem van de purser begon te ratelen, dat ze nu toch heus in Venetië gingen landen. “Wilt u de stoelriemen vastmaken, de tafeltjes opklappen en de leuning van uw stoel rechtop zetten? Wij hopen dat u een prettige vlucht heeft gehad en wij verwelkomen u graag een volgende keer opnieuw aan boord.”

“Die spoort niet,” bromde Lianne, “dat heeft hij toch een halfuur geleden ook al gezegd? En dat verwelkomen kan hij ook vergeten. Ik ga met de trein terug.”

Maar terwijl ze het zei, wist ze dat ze onzin uitkraamde. Als journaliste moest ze vaak naar het buitenland en dan kon ze geen vliegangst gebruiken. Ze had een paar maanden geleden een prachtige reportage in Amerika moeten laten schieten, omdat ze niet met het vliegtuig durfde. Het had haar bijna haar baan gekost.

Nee, vliegen was een ramp, maar het ging wel snel. Hoopte ze.

In de cockpit ging het er intussen alweer hectisch aan toe. Er werden checklijsten afgewerkt, honderden metertjes gecontroleerd en tientallen knoppen omgezet. Kortom, de gebruikelijke drukte bij een landing.

“KLM043, Runway 4 right, cleared to land” kraakte de stem van de verkeerstoren opgewekt in Rozemarijns oor.

“Een stelletje rasoptimisten, die Italianen. Volgens het weerbericht is het er alleen maar slechter op geworden,” zei Rozemarijn.

“Altijd hetzelfde gezeur als ik trek in koffie heb,” klaagde Wouter met een brede grijns. “Ik heb toch zo’n zin in een echte Italiaanse espresso.”

Hij wierp een bijna smachtende blik uit het raam en Rozemarijn zag zijn gezicht vertrekken. “Ik zie niks. Jij?”

Ze schudde haar hoofd. “Nee, alleen maar erwtensoep.”

Wouter controleerde zijn metertjes. “Ik weet niet of we dit nog eens moeten aanhalen. Het weer is slechter geworden en het wordt krap met de brandstof.”

Rozemarijn knikte. “Oké, ik roep de toren op.”

∗

“Verdraaid, wat duurt het toch lang,” mompelde Iris Martens in zichzelf. Ze keek voor de twintigste keer op haar horloge, sprong ongedurig overeind en begon de aankomsthal van de Venetiaanse luchthaven op en neer te lopen. Ze had Alichael vier maanden niet gezien. Vier lange eenzame maanden. Ze kon bijna geen minuut meer wachten tot ze zijn warme sterke lichaam weer tegen zich aan zou voelen.

Ze bleef staan en keek omhoog naar het grote bord waarop de aankomsten van de vliegtuigen werden aangekondigd. Bij bijna alle vluchten knipperde er een lampje met het woord ‘vertraagd’. Ook bij Michaels vliegtuig.

Hè, waarom duurde het nou zo lang? Zo mistig was het nou ook weer niet. Ze draaide het bord met een ruk de rug toe en stak de hal over naar de toiletten.

Haastig liep ze de deur in, waar een rijtje met toilethokjes wachtte die van boven en onder open waren.

Onder in het linkerhokje zag ze een paar felrode hoge hakken, een hokje verder ordinaire nepbontlaarsjes waar een knalgele broek overheen hing.

Het meest rechtse hokje zag er nog leeg uit. Iris stapte snel naar binnen en schoof het schuifje dicht.

“Mijn wiegie was een stijfselkissie,” klonk er opeens een opdringerig melodietje uit het hokje naast haar. “Mijn deken was een baaien rok…”

Meteen daarna riep een vrouwenstem in onvervalst Utrechts: “Ben jij dat, Elly? Leuk dat je belt. Ik zit hier op de wc van de airport. Ja, dat ken je wel horen, hè? Dat mens naast me moet behoorlijk!”

Iris hield van schrik op met plassen. Lieve help, sommige Nederlanders dachten echt dat ze alleen op de wereld waren. Wat die niet uitkraamden als ze meenden dat niemand ze kon verstaan.

Iris probeerde zo geluidloos mogelijk verder te plassen, maar dat viel niet mee.

“Wie zeg je?” riep de Utrechtse intussen, terwijl ze hevig knisperend in de weer ging met toiletpapier.

Boven Iris’ hoofd begon de intercom te kraken. “Signore e signori! Il volo da Amsterdam, numero…”

“Nee, die is er nog niet!” schetterde de Utrechtse dwars door de mededeling heen. “Alle vluchten zijn te laat door de mist. Seg, ik moet je weer hangen hoor. Ik ken mijn broek zo niet ophijsen. Ik bel je vanavond. Doehoei!”

Het werd weer stil in het hokje naast haar, maar daar schoot Iris niet veel mee op.

“Grazie,” eindigde de stem van de omroeper net op dat moment.

Verdraaid, door dat suffe mens had ze de boodschap gemist. Wat had die man nou te vertellen gehad over Michaels vlucht?

Iris onderdrukte de neiging om de Utrechtse eens goed de waarheid te zeggen, want daar schoot ze immers niks mee op. Als het om telefoneren in de auto ging, waren ze erg streng in Italië, maar voor bellen op het toilet was er helaas nog geen wet bedacht.

Iris ging snel het hokje uit, waste haar handen en lachte naar haar spiegelbeeld. Vanuit de spiegel lachte een mooie jonge vrouw met heldere, bruine ogen en glanzend bruine krullen vrolijk terug.

Iris draafde de ruimte uit net op het moment dat er een knalgele broek uit het middelste toilet naar buiten stapte.

Aan de zijkant van de hal stond een grote groep mensen onder het aankomstenbord. Iris liep er haastig naartoe en zag dat de meeste lampjes nog opgewekt knipperend allerlei vertragingen aangaven. Maar de plek waar Michaels vlucht had gestaan, was akelig doods. Een lege regel, zonder enige informatie.

Ergens in de verte klonk het aanzwellende geluid van een sirene.

Iris legde haar hand op haar verkrampende maag en slikte moeizaam. Wat was hier aan de hand? Er was toch niks gebeurd?

“Natuurlijk niet,” zei ze hardop.

Maar ze hadden wel een boodschap omgeroepen.

Dames en heren, tot onze spijt moeten wij u mededelen dat het toestel uit Amsterdam van de baan geschoten is. Wij proberen momenteel om de passagiers uit het brandende wrak te bevrijden.

“Hè, toe nou,” mompelde Iris boos in zichzelf. “Draaf niet zo door. Als er een bus vijf minuten te laat is, maakt niemand zich druk.”

Maar ze hoorde nog steeds een gierende sirene ergens in de buurt van de landingsbaan. En die lege regel op het bord hielp ook niet echt om haar ademhaling weer op normaal peil te brengen.

“Amsterdam is van het bord af,” tetterde een bekende Utrechtse stem naast haar. “Die sijn neergestort. Let op mijn woorden, Harry. Wat erg. Wat vreselijk allemaal.”

Iris keek opzij. Recht in het zwaar opgemaakte gezicht van een uitgezakte vrouw, die de overgangsjaren al was gepasseerd. Er brandde een bijna satanische lust naar sensatie in de fletse ogen.

“Signore e signori! Il volo da Amsterdam…” schalde de stem van de omroeper door de hal. “…is in verband met het slechte weer uitgeweken naar de luchthaven van Treviso. Het toestel is daar inmiddels geland.”

Iris slaakte een zucht van verlichting.

“Wat sei die vent?” riep de Utrechtse naast haar. “Ik ken er geen ene moer van verstaan. Waarom moet dat allemaal in het Koeterwaals? Dat snapt toch geen hond?”

Iris kon het niet laten. Ze stootte de vrouw aan en zei op gedragen toon: “De machine uit Amsterdam kan niet landen vanwege het slechte weer. Ze vliegen door naar Timboektoe.”

“Timboektoe!” riep de Utrechtse geschokt. “Hoor je dat Harry? Timboektoe.”

Iris maakte grinnikend dat ze wegkwam.

Een eindje verderop keek ze calculerend op haar horloge. Het ging haar gauw een dik uur kosten om in Treviso te komen. En dan was Michael natuurlijk allang op weg naar hier. Ze kon het beste met de boot naar Venetië varen en daar op het Piazale Roma op hem wachten. Dat was het eindpunt van de shuttlebus van Treviso Airport.

Op de parkeerplaats van Treviso Airport stond Lianne wat witjes naast Michael in de rij voor de bus te wachten tot ze mochten instappen. Een magere Italiaan in een chauffeursuniform stond bij de deur de kaartjes te controleren.

“Ik heb twee kaartjes,” zei een vrouw voor hen toen het haar beurt was. Ze wees vaagjes naar de zijkant van de bus, waar een groepje van vooral mannelijke passagiers bezig was de bagage in het luik te stouwen.

Ze wilde langs de chauffeur glippen, maar die schudde zijn hoofd. “No,” sprak hij op besliste toon. “One people, one ticket.”

“Ja maar, ik heb twee kaartjes. I have two. Voor mij…” Ze tikte heftig op haar borst. “En mijn man.” Ze wees weer achter zich. “Mijn eh…husband.”

De chauffeur schudde zijn hoofd en ging overdreven breeduit in de deuropening staan. “One people, one ticket,” herhaalde hij.

De vrouw draaide zich hulpzoekend om naar Michael en Lianne.

“Wat wil die vent nou van me? Ik heb toch kaartjes?”

“Hij bedoelt dat iedereen zijn eigen kaartje moet vasthouden,” legde Michael uit.

“Oh wat raar. Ben! Benno, schiet op! Anders zijn de mooie plaatsen weg!”

Ze wilde blijkbaar blijven staan tot Benno zich bij haar kwam voegen, maar dat werd de chauffeur te gek. Hij schoof haar als een zak aardappels aan de kant en pakte, zonder op de klagerige protesten te letten, Liannes kaartje aan.

Daarna stapte hij opzij om Lianne en Michael door te laten, maar hij ging gauw weer in de weg staan toen de vrouw ook naar binnen wilde glippen.

Terwijl ze het trapje opklom, hoorde Lianne de vrouw nog luidkeels: “Benno, schiet nou op!” roepen.

Eenmaal binnen keek Lianne verbaasd om zich heen. Het zag er luxe uit. Achterin waren er de gewone rijen bankjes achter elkaar, maar voorin stonden er tafeltjes tussen de banken.

Lianne schoof aan een tafeltje en Michael kwam naast haar zitten.

“Luxe hoor. Ik heb dit nog nooit zo gezien.”

“Dit gedeelte is vast voor de business class bedoeld,” zei Michael met een grijns, “maar dat gaan ze ons ongetwijfeld nog wel vertellen.”

Buiten hoorden ze de chauffeur roepen: “Crew! Let crew pass. Crew first in!”

Nog geen paar tellen later kwamen er twee piloten de bus in en ze schoven tegenover Lianne en Michael aan het tafeltje.

“Goedemiddag,” zeiden ze allebei tegelijk en ze zetten als op commando hun petten af.

De lange glanzende blonde haren van de ene piloot golfden als pas gemaaid goudgeel graan over het donkerblauwe uniformjasje naar omlaag.

Lianne keek het verbaasd aan. Een vrouwelijke piloot. En een mooie ook. De piloot naast haar was wel een man. Een knappe vent met kortgeknipte, donkerbruine haren, die al even bruin waren als zijn ogen.

Hij zette een bekertje espresso aan zijn mond en nam genietend een slok.

“En?” vroeg de pilote. “Het ommetje waard, die koffie?”

Lianne schoot rechtop. Die stem. Was dat hun pilote?

Ze stootte Michael aan en fluisterde in zijn oor: “Zouden dat onze piloten zijn?”

Michael knikte. “Best kans van.”

De piloten hadden betere oren dan Lianne had verwacht.

“Als u net uit Amsterdam komt, dan zaten wij inderdaad op de bok,” zei de piloot. Hij zette zijn koffie neer en stak zijn hand naar Lianne uit. “We zitten hier nog wel even samen aan tafel, denk ik. Ik ben Wouter Simons.” Hij wees naast zich. “Dat is mijn co-piloot, Rozemarijn Veninga.”

Ze drukten over en weer handen. Daarna pakte Wouter zijn espresso weer op en nam een slok.

Intussen kwam de vrouw die zo’n toestand over haar kaartjes had gemaakt in het gangpad tussen de tafeltjes staan. Er liep een wat sullig uitziende man achter haar.

“Nou zie je weer wat ervan komt,” siste de vrouw kwaad. “Nou moeten we de hele weg staan, omdat jij niet doorloopt.” Ze tikte Michael op zijn schouder. “Kunt u anders wat opschikken? Dan passen wij er nog net naast.”

Het was piloot Wouter die antwoord gaf. “Dat zal niet gaan, mevrouw. Dit is een plek voor vier personen. En ik moet u aanraden even rond te kijken naar een zitplaats, want anders loopt u de kans…”

“Out!” onderbrak de buschauffeur Wouters praatje. “Out. Bus full.”

“Wat krijgen we nou?” riep de vrouw verontwaardigd. “Ik heb een kaartje hoor!” Ze stak ten overvloede haar kaartje in de lucht. “Look dan toch, man. Ticket!”

Maar de buschauffeur was onverbiddelijk. Hij stak zijn armen op een dramatische manier in de lucht en riep op pathetische toon: “Bus full. Full is full!”

Michael schoot in de lach. “Het lijkt wel een aflevering van Fawlty Towers hier. Die chauffeur speelt Manuel.”

Lianne beet op haar lip. Ze had ontzettende zin om het uit te proesten, maar ja…dat was best een beetje zielig voor die vrouw.

“Ik dien een klacht in,” bitste de vrouw woest, maar Wouter tikte op haar arm.

“Er zijn alleen zitplaatsen in deze bus, mevrouw. Staan is verboden.”

“Ja maar, hoe komen we dan ooit in Venetië?” vroeg de vrouw en er lag nu pure wanhoop in haar stem.

Wouter wees naar buiten, waar net een andere bus naast de hunne was gereden. “U neemt gewoon die bus daar.”

De vrouw tuurde met samengeknepen ogen uit het raam en liet de boodschap op zich inwerken. Al snelde klaarde haar gezicht op. “Benno, schiet op!” siste ze en ze begon aan haar echtgenoot te sjorren. “Loop nou door, anders hebben we straks weer geen plek.”

“Kalm nou, Martha, kalm nou,” kreunde de pantoffelheld en hij sjokte achter zijn vrouw aan de bus uit.

“Ik mag het niet zeggen,” zei Wouter, “maar dat is nou precies de reden waarom ik nooit zal trouwen.”

“Vrouwen zijn heus niet allemaal zo, hoor,” reageerde Lianne.

Wouter trok zijn mondhoeken op. “Het lijkt vaak allemaal heel leuk, maar na de trouwdag komt de ware aard naar boven. Ze dijen uit en hun arme echtgenoot heeft niks meer te vertellen.” Hij haalde diep adem. “Nee hoor, aan mijn lijf geen polonaise.”

Er kwamen grappige lachrimpeltjes naast zijn ogen en Lianne voelde onverwacht een verlangend steekje in haar buik.

Hij was leuk, die knappe piloot. En dat strakke uniform stond hem ontzettend goed. Hij zat vast zijn co-pilote Rozemarijn te jennen, maar die deed net of ze niks hoorde. Zou dat erg moeilijk zijn? Als vrouw in een mannenwereld?

De chauffeur klom achter het stuur en de bus reed zachtjes schommelend weg.

“Fly, like an eagle,” klonk het opeens van de overkant van de tafel, “Fly, fly!”

Rozemarijn viste een mobieltje uit de zak van haar uniformjasje.

“Ha, die mam,” zei ze in het toestel. “Wat zeg je? Nee, we zijn uitgeweken naar Treviso. Ik zit in de bus.” Ze luisterde ingespannen. “Ja, ik neem Wouter mee. Wat zeg je? Nee, we zijn nog steeds niet verloofd.”

Wouter kuchte.

“Nee mam,” vervolgde Rozemarijn, “Wouter gaat op de logeerkamer.”

“De logeerkamer,” reageerde Wouter quasi-geschrokken. “Het zit me vandaag ook allemaal tegen.”

“Ik bel je straks als ik weet welke boot we nemen. Groetjes aan pap.”

Rozemarijn stopte haar mobieltje weg.

“Misschien moest je toch wat meer naar je moeder luisteren,” bromde Wouter. “Die weet tenminste dat een man niet op een logeerkamer thuis hoort.”

Rozemarijn grinnikte. “Ja, mijn moeder heeft er altijd al vreemde ideeën op na gehouden.”

“Vreemde ideeën?” antwoordde Wouter met een triest gezicht, “het lijkt mij juist een heel verstandige vrouw.”

In Lianne werd de journaliste wakker en ze tikte Rozemarijn op haar mouw. “Is het niet heel moeilijk om je als vrouw staande te houden? In zo’n macho mannenwereld?”

“Macho?” riep Wouter lachend. “Ik macho?”

Lianne stak haar tong naar hem uit.

“Ik ben wel wat gewend,” antwoordde Rozemarijn. “Ik zit mijn hele leven al opgescheept met twee schatten van oudere broertjes. Daar is Wouter niks bij.”

“Ze heeft intussen haar op haar tanden gekweekt,” vulde Wouter aan en hij vertrok zijn gezicht tot een woeste grijns.

Lianne schoot in de lach en keek Rozemarijn aan. “Ik ben journaliste. Mag ik je eens interviewen?”

Rozemarijn schudde haar hoofd. “Nee, sorry, daar hou ik niet zo van.”

“Ik wel hoor.” Wouter knipoogde. “Je mag mij gerust alles vragen. Wat wij als arme mannen niet van al die stewardessen te verduren hebben…Dat wil je niet weten.”

“Dat is heel aardig van je,” pareerde Lianne en ze probeerde bewust niet in zijn lachende ogen te kijken. “Maar dat wil ik inderdaad niet weten. Ik interview alleen maar bijzondere mensen.”

“Wouw!” riep Michael uit. “Ze heeft mij wél gevraagd. Te gek zeg. Ik ben bijzonder!”

Ze barstten allemaal in lachen uit.

De rest van de rit verliep in een vrolijke stemming. Het was net of ze vier vrienden waren die elkaar al jaren kenden.

Ze kwamen bij de zee en de bus reed een lange, brede dijk op, die dwars door het water liep.

Rozemarijn wees. “We zijn er bijna. Daar aan het eind ligt Venetië.”

Lianne keek naar de torentjes en de huizen die in de verte uit het water omhoog leken te komen. “Ben je hier al vaker geweest?” vroeg ze.

“Ja, ik woon hier. Min of meer. Mijn ouders hebben hier tien jaar geleden een camping overgenomen. Venetië is mijn thuisbasis. Na Amsterdam natuurlijk. Daar heb ik een flat.”

De huisjes en torentjes werden groter en in de verte werd nu ook een kolossaal vierkant betonnen gebouw zichtbaar.

“De parkeergarage,” verklaarde Rozemarijn. “Venetië is autovrij.”

De bus draaide een gigantisch plein op, dat bijna helemaal uit busstations leek te bestaan. Het krioelde er van de touringcars, auto’s en mensen. Langs de rand van het plein waren talloze restaurantjes, winkeltjes en kleurige souvenirstalletjes.

Ze reden op een halte af waar een jonge vrouw met lange bruine krullen onder een geel ijzeren bordje ingespannen naar hun bus stond te turen.

De bus stopte en Michael stond op. “Ik haal de bagage vast. Tot zo.”

Lianne schoof uit het bankje en keek naar Rozemarijn en Wouter. “Het was leuk jullie ontmoet te hebben. Ik ben heel anders over piloten gaan denken.”

“Meen je dat nou?” vroeg Wouter. “In welk opzicht?”

“Ik dacht altijd dat jullie van die serieuze types waren,” bekende Lianne.

“Ach,” grinnikte Wouter, “wij houden wel van een lolletje op zijn tijd. Maar niet onder het vliegen.”

“En ik maar denken dat jullie een stel waren,” zei Rozemarijn. Lianne keek haar verbaasd aan, maar Rozemarijn tuurde naar buiten.

Lianne volgde haar blik en al het bloed trok uit haar gezicht weg. Daar stond Michael die vrouw met die bruine krullen te kussen! En niet zomaar een kuis smakkertje op haar wang. Nee, een echte tongzoen vol ingehouden passie. En die vrouw drukte zich tegen hem aan alsof ze hem nooit meer los wilde laten.

Haar maag verkrampte. Michael had een vriendin!

Wat ontzettend jammer.

Ze realiseerde zich dat Rozemarijn haar stond te observeren en zei haastig: “Michael zat naast me in het vliegtuig. Ik ken hem verder niet.”

Ze liep achter Wouter en Rozemarijn aan naar de uitgang van de bus en maakte zich zo klein mogelijk. Maar dat was totaal niet nodig, want het kussende stel onderaan het trapje had alleen oog voor elkaar.

Lianne zwaaide nog een keer naar de twee piloten, trok het handvat van haar knalrode koffer omhoog, zette haar handbagagetas erbovenop en liep zonder uit te kijken naar de overkant van het plein, waar ze bij een souvenirstalletje bleef staan.

Het stalletje was leuk ingericht. Langs de randen hingen kleurige porseleinen maskers in allerlei soorten en maten, die met lege ogen in het niets staarden. Er stonden grote manden met grillig gevormde schelpen en op de planken lagen allerlei hebbedingetjes van handgeblazen Venetiaans glas.

Maar Lianne had geen aandacht voor de glazen bruggetjes en ook niet voor de glazen duiven. Ze draaide zich om en staarde naar de bushalte waar Michael nog steeds het meisje stond te kussen.

In romannetjes bleek zo’n meisje aan het eind van het boek dan altijd het verloren gewaande zusje van de held te zijn, maar die vlieger ging in dit geval vast niet op. Zo kuste een man zijn zusje niet.

Ze richtte haar blik weer op het stalletje en zag ineens twee verdrietige blauwe oogjes naar haar staren. Er biggelde een doorzichtig traantje over een bol appelwangetje, waarop een felrood hartje was getekend.

Een harlekijntje.

Een schattig, treurig harlekijntje in een met gouden slingers afgezoomd rood fluwelen jasje boven een zwarte broek. Op het hoofdje prijkte een bijpassende muts waar een enorme vreemd gedraaide punt op zat, die eindigde in een gouden belletje.

“Vijf euro,” kraakte de stem van de verkoper in steenkolen Engels.

Vijf euro voor zo’n lief popje. Dat was geen geld.

Terwijl Lianne haar zakken doorzocht op zoek naar kleingeld, kwamen haar vingers ineens het papiertje tegen dat Michael haar in de bus had toegestopt. Het briefje met zijn telefoonnummer.

Ze snoof verdrietig. Ze was er zo blij mee geweest, maar het was ineens allemaal anders geworden. Ze had er geen enkele behoefte aan om Michael nog te zien.

Dus mikte ze het briefje, dat ze eerst zo had gekoesterd, met een boog in de prullenbak die naast het stalletje stond, viste’haar portemonnee uit haar handbagagetas en gaf de koopman vijf euro.

“Waar zijn de boten?” vroeg ze. “Ik moet naar Lido.”

De man gebaarde naar een paadje achter zich en met het popje dicht tegen zich aan geklemd, stapte Lianne in de aangewezen richting.

Het paadje liep omhoog door een parkje vol bomen en groene struiken. Overal zaten toeristen in het gras uit te rusten en veel jongeren lagen met hun hoofd bovenop hun uitpuilende rugzak te slapen. Het rook er naar bloemen, verschaald water en hondenpoep.

Het pad leidde vrijwel meteen weer naar beneden en Lianne kwam bij een stenen kade aan een breed kanaal. Aan haar rechterhand zag ze een witte stenen boogbrug, van het soort dat zo typerend is voor Venetië. Voor haar dreven gondels en aan de overkant rezen steile, witgekalkte muren uit het water op.

Ook hier prezen souvenirverkopers hun waren aan.

“Vaporetto?” vroeg Lianne aan een jonge vrouw die naast een kindje op een bankje naar het water zat te kijken.

Het was een mooi jongetje met heldere, blauwe oogjes. Blonde krulhaartjes omlijstten een door de zon gebruind gezichtje. De kleuter zat intens gelukkig aan een gifgroen ijsje te likken en hield een harlekijntje onder zijn andere arm geklemd.

Lianne glimlachte. Grappig, dat harlekijntje leek als twee druppels water op haar eigen popje.

De vrouw keek op. “Scusi?” vroeg ze.

“Vaporetto,” herhaalde Lianne.

De vrouw gebaarde vaagjes naast zich en richtte haar blik weer op het water.

Lianne keek in de aangewezen richting. Daar links was nergens een boot te zien, zelfs geen gondel. Maar de vrouw zou het wel weten.

Dus sleepte ze haar zware koffer over de hobbelige steentjes achter zich aan en kwam uiteindelijk bij het eind van de kade, die op die plek helemaal niet ophield, zoals ze had verwacht. Er leidde een smalle strook van bolle keitjes langs het water naar links. Lianne sloeg de hoek om en ontdekte een doorsteekje naar het grote plein waar ronkende bussen nog steeds af en aan reden.

Het rook er naar diesel en rotte vis.

Ze zette haar koffer rechtop en wreef over haar neus.

Zij weer hoor. Al dat gehobbel over die keien was helemaal niet nodig geweest, als ze hierlangs was gelopen. Maar dan had ze haar popje gemist.

Langzaam draaide ze haar ogen naar het brede kanaal, waarin de boten lagen.

Maar wat zagen die er raar uit!

Het waren vierkante, geel met zwarte gevaartes, die bij elke passerende boot heftig begonnen te schommelen en te deinen. Ze werd al zeeziek als ze ernaar keek!

Ze trok haar koffer mee en ontdekte dat de vreemde bakbeesten helemaal geen vaporetto’s waren, maar een soort drijvende wachtkamers met ruwhouten banken langs de zijkanten van de verder kale ruimte.

In het kanaal kwam er een boot voorbij over het in de zon glinsterende water en Lianne kneep haar ogen tot spleetjes. Dat zag ze toch niet goed?

Op de achterplecht van de boot stonden vier jonge mensen dicht naast elkaar over de reling naar het fraaie Palazzo aan de overkant te kijken. De twee piloten in hun donkerblauwe uniform naast Michael en het meisje. Michael had zijn arm beschermend om het wicht heengeslagen. Ze zagen haar niet.

Lianne perste haar lippen op elkaar om het niet uit te schreeuwen van jaloezie. Daar had zij moeten staan. Daar, in Michaels armen, op de plaats van die tuthola.

Maar zij stond hier balend op de kade met een lamme arm van die veel te zware koffer.

De boot gemist…

Dat was haar leven in drie woorden.





2


Het werd al donker toen Lianne eindelijk in Punta Sabbioni van de wiebelende boot stapte. Bijna twee uur had ze gevaren. Bijna twee uur. Het was wel duidelijk dat er van die folder geen bal klopte. Ze had toch heus gelezen dat het een krappe drie kwartier varen was van Venetië-stad naar dit schiereiland in de lagune. Nou ja, ze was er eindelijk, daar ging het om.

Ze liep met een grote groep passagiers mee de steiger af, passeerde een gangetje met een kaartjesloket en kwam op een plein. De meeste winkeltjes en eettentjes langs de rand van het plein waren juist aan het sluiten.

Lianne liep achter de anderen aan naar het busstationnetje en keek verlangend naar de bordjes. Volgens de brochure ging er elk halfuur een pendelbusje naar Camping Laguna di Venezia. Maar hoe ze ook zocht, er was geen bus te zien. Tenminste, er stonden bussen genoeg, maar er ging er geen één naar de camping. En het feit dat ze hooguit acht woorden Italiaans sprak, waarvan espresso en cappuccino er twee waren, werkte ook al niet in haar voordeel.

De chauffeurs van de bussen die ze in het Engels om hulp vroeg, haalden allemaal niet-begrijpend hun schouders op en staarden vervolgens weer verveeld een andere kant op.

De taxistandplaats was akelig leeg.

Lianne sloeg een paar hinderlijke muggen van zich af en liep terug naar het kaartjesloket bij de steiger. Maar in plaats van een behulpzame knappe Italiaan met opwindend gitzwarte ogen, was een neergelaten verschoten luxaflex alles wat ze te zien kreeg.

Aan de overkant van het plein brandde licht in de ijssalon. Lianne stak snel over en liep naar binnen.

Er klonk een waarschuwende kreet in het Italiaans, maar daar kon ze natuurlijk niks van verstaan.

“Buona sera,” zei ze, terwijl ze nog een paar flinke stappen naar voren deed.

En daar ging Lianne. Languit over de grote, rode emmer met schuimend modderig sop, die ze in haar haast over het hoofd had gezien.

Er klonken wilde Italiaanse kreten en Lianne prees zich gelukkig dat ze die niet kon verstaan. Want de vrouw met de piekerige zwarte haren en de helblauwe jasschort keek niet bepaald blij. Integendeel! Ze kwam met een opgeheven, druipende zwabber hevig scheldend op de arme Lianne af.

Help, die was boos!

Lianne schoot overeind, greep haar omgevallen koffer uit de bruine plas sop en maakte dat ze buiten kwam.

De deur van de ijssalon knalde met een ongastvrije klap achter haar dicht.

Ze sloeg zuchtend diverse muggen van haar natte broek en liep soppend weg.

Oké, dit werd een fantastisch artikel, dacht ze wrang. Dat was het goede nieuws. Maar het slechte was, dat ze nog niet wist hoe dit af ging lopen.

Verdraaid! Waarom had ze niet een leuk hotelletje in de stad Venetië geboekt? Dan had ze nu languit op bed tv liggen kijken. Of in een knus barretje van een glas zoete bubbeltjeswijn genoten.

Tja, de hotels in Venetië waren peperduur en bovendien…Hotels zaten vaak vol met mensen van middelbare leeftijd en je kon er als jonge-meid-op-zoek-naar-de-ware geen kant op.

Op een camping ging het er allemaal veel vrijer aan toe. Er was van alles te beleven en je kon zonder moeite bergen nieuwe mensen ontmoeten. Op de tennisbaan, in het zwembad, bij de disco…

Ja, ze vond een camping ideaal. En deze lag volgens de folder direct naast het goudgele strand. Ze had zich in gedachten al helemaal zien liggen, languit in de zon met een ruime keus aan knappe mannen om zich heen. Dat was nog eens werken!

Lianne bleef in gedachten nog even aan het zonnige strand liggen, maar ze werd ruw opgeschrikt door een venijnige prik in haar wang.

Alweer een mug! Het stikte hier van die beesten. En het werd steeds maar donkerder om haar heen. Wat moest ze nou toch doen?

Wat zou ze een gestrande lezeres in deze situatie aanraden? Huilend op een bankje gaan zitten en wachten tot er een spetter langs zou komen om haar te redden?

Datzelfde bankje gebruiken om de nacht op door te brengen?

De camping bellen? Ja, dat was een goeie. Waarom had ze daar niet eerder aan gedacht?

Ze spitte haar handbagage door op zoek naar het boekingsformulier met alle gegevens, tikte een nummer in op haar mobieltje en hield het ding vol verwachting tegen haar oor.

Ze hoorde een hoop gekraak en ergens heel in de verte ging de bel over. Klik, klonk het ineens en een ratelende vrouwenstem stortte een ware vloedgolf aan Italiaanse woorden over haar heen.

Help!

“Do you speak English?” vroeg ze benepen.

Tot haar verbazing hoorde ze een vaag ‘Yes’ als antwoord.

Mooi zo, dat was boffen.

Lianne legde in haar beste Engels haar probleem zo goed mogelijk uit en vroeg uiteindelijk naar de pendelbus.

“Boes?” vroeg de vrouw.

“Ja, de shuttlebus?”

“Boes fieniescht,” kwam het antwoord.

“Ja maar,” begon Lianne, “als de bus niet meer rijdt vanavond, kan iemand me dan misschien komen ophalen?”

“Boes fieniescht,” herhaalde de stem ongeduldig. “Ciao!”

Er volgde een hoop gekraak, een kordate klik en daarna een toeterende ingesprektoon.

Nou ja zeg, had dat mens zomaar opgehangen!

Klik klak, klik klak, klik klak…

Lianne schrok en draaide zich om alsof ze door een mug in haar billen werd gestoken. Wat was dat nou voor raar geluid?

Klik klak, klik klak, klik klak…

Oh gelukkig, het was alleen maar een fietser. Een meisje met lang zwart haar in een versleten spijkerbroek.

Dat kon ze wel wagen.

“Scusi!” riep Lianne.

Het meisje ging langzamer fietsen eri de klikkende herrie nam af.

“Camping Laguna di Venezia?” vroeg Lianne.

Het meisje stopte en zei iets in het Italiaans.

Lianne lachte een beetje schaapachtig. “Do you speak English?” vroeg ze.

Het meisje schudde haar hoofd.

“Camping Laguna di Venezia?” herhaalde Lianne en ze haalde hulpzoekend haar schouders op. “Waar is dat?”

Het meisje hield haar fiets met haar benen in evenwicht en wees vooruit. “Sempre diritto.”

Lianne wees in dezelfde richting. “Rechtdoor?”

“Si, allora…” Het meisje begon heftig naar rechts te wijzen. “A destra.”

“Oké, dat is duidelijk,” mompelde Lianne in zichzelf en ze wees opnieuw de richting aan. “Eerst rechtdoor en dan…” Ze gebaarde naar rechts. “Dan rechtsaf.”

Het meisje knikte en stapte weer op haar fiets.

“Grazie,” zei Lianne.

Het meisje zwaaide vrolijk en fietste luid klikkend weg.

Lianne keek spijtig naar de in de verte verdwijnende bagagedrager van de fiets. Wat ontzettend jammer dat ze geen Italiaans sprak. Dan had ze misschien kunnen vragen of ze achterop had gemogen.

Hoewel…dat zou met die zware bagage waarschijnlijk ook geen optie zijn geweest.

Ze greep het handvat van haar koffer en stapte dapper in de door het meisje aangewezen richting.

Vervelend dat ze ook niet had kunnen informeren hoe ver het nog lopen was. Dit was niet bepaald een pretje met die soppende schoenen.

Lianne liep een paar minuten stevig door en ontdekte naast een uitgestorven parkeerplaats een levensmiddelenwinkeltje dat nog open was.

Ook daar sprak niemand Engels, maar ze kon wat oudbakken koeken kopen en ze kreeg dezelfde aanwijzingen om bij de camping te komen. Eerst rechtdoor en dan bij de kruising rechts.

Kauwend ging ze verder over een donker fietspad langs een al even donkere weg. Haar schoenen maakten een vreemd ploppend geluidje bij iedere stap.

Na tien minuten kwam ze zowaar bij een zijweg, waar een enorm bord met schreeuwerige letters aangaf dat je voor Camping Laguna di Venezia hier rechts moest afslaan.

Gelukkig, ze had het niet verkeerd begrepen. Maar deze weg was nog donkerder en liep zo te zien dwars door een bos.

Lianne aarzelde even, maar stak daarna toch de straat over en sloeg de zijweg in. Een andere keus was er immers niet.

Ze sjokte op haar natte schoenen de eindeloos lange weg af en met iedere stap die ze deed, werd het lege gevoel binnenin haar intenser. Ze was op weg naar het einde van de wereld en omdat ze vroeger haar bord nooit had leeggegeten, zou ze daar nimmer aankomen. Ze was gedoemd om tot in lengte van jaren in deze eenzame duisternis door te sjokken, met voeten vol blaren en een door de muggen lek geprikt lijf.

In de verte zag ze ineens felle koplampen oplichten en het ronkende geluid van een naderbij razende auto vulde de stille nacht.

De lichten werden snel groter en met gierende banden stopte er een gitzwarte Mercedes vlak voor Lianne.

De bestuurder gooide het autoportier wijdopen en in het schijnsel van de binnenverlichting zag Lianne twee wat oudere, bebaarde mannen zitten, die van alles naar haar begonnen te roepen, terwijl ze uitnodigend naar de achterbank wezen. Hoewel ze er niks van kon verstaan, was de boodschap duidelijk. De kerels boden haar een lift aan. Weliswaar de verkeerde kant op, maar toch…

Heel even worstelde Lianne met het aantrekkelijke idee om haar natte schoenen uit te schoppen en in te stappen. Maar haar gezonde verstand won de strijd en ze schudde heftig haar hoofd.

“No, grazie!” riep ze en ze wilde snel doorlopen, voorzover dat natuurlijk met een zware koffer lukt.

Maar de kerels waren niet tevreden met haar afwijzende reactie. Ze stapten uit en liepen hinderlijk op Lianne af. De ene vent had een grijze baard en de andere een stekelige bruine. Ze hadden allebei een uitpuilende ouwe-mannen-bier-buik boven een veel te strakke broekriem.

“Ga weg! Laat me met rust!” snauwde ze kwaad, maar de boodschap kwam niet over.

Grijsbaard pakte haar hand vast en Lianne besefte dat ze er met woorden alleen niet kwam.

Ze had ooit judolessen gevolgd en in een reflex schopte ze haar belager tegen zijn scheenbeen. De punt van de sportieve gymschoen kwam lelijk aan. De man gilde van de pijn en sprong achteruit.

Maar dat was voor meneer Bruinbaard het sein om zijn kameraad te hulp te komen. Met een woeste kreet schoot hij op Lianne af en pakte haar bovenarm in een ijzeren greep.

Lianne liet haar koffer los en gaf de man een knietje.

Bruinbaard greep kreunend naar zijn getroffen edele delen, maar intussen was Grijsbaard alweer voldoende hersteld en die ging opnieuw in de aanval.

Twee kerels. Twee sterke, zware kerels die niet van opgeven wilden weten.

Wat had haar judoleraar ook alweer gezegd?

Als je wordt aangevallen door meerdere mannen tegelijk, is hard weglopen je beste kans.

Maar ja, dan was ze haar koffer kwijt. En haar dure laptop.

Veel lawaai maken helpt ook.

“Help!” gilde Lianne, maar ze besefte intussen maar al te goed dat hard gillen weinig uitmaakte op zo’n eenzame weg. En als ze moest kiezen tussen haar laptop en haar leven…

Ze gaf de aanstormende Grijsbaard nog een enorme schop tegen zijn knie en rende keihard weg.

∗

“Een biertje, meneer de piloot?” vroeg Rozemarijns vader aan Wouter, die net in vrijetijdskleren en met natte haren de knusse huiskamer van de familie Veninga kwam binnengelopen.

Wouter glimlachte dankbaar. “Nou, dat sla ik niet af, meneer Veninga.”

In haar leunstoel bij het raam kon Rozemarijn een ondeugende grijns niet onderdrukken. Wouter had zin in bier. Maar dat ging mooi niet door!

Ze sprong overeind en wees losjes op haar felblauwe joggingpak, dat ontzettend goed bij haar glanzend blonde haren kleurde. “Wouter neemt dat biertje straks wel, pap.”

Wouter keek haar met een bewonderende blik aan en daarna zag ze hem moeizaam slikken. “Eh, hoezo straks?” vroeg hij. Uit zijn stem droop het wantrouwen.

“Wij gaan eerst een paar circuitjes vliegen, meneer de captain,” verklaarde Rozemarijn op besliste toon.

“Je wilt gaan joggen? Zo laat nog? Dat meen je niet,” sputterde Wouter op gekwelde toon. “Ik heb een drukke dag gehad. En trouwens, ik ben net wezen douchen en ik heb ontzettende zin in een ijskoud biertje.”

“Bier moet je eerst verdienen.”

Rozemarijn stapte op Wouter af en legde haar hand lichtjes op zijn buik. “Allemaal biervet,” zei ze gespeeld verwijtend, “als jij zo doordrinkt, pas je straks niet meer in je vliegtuigstoel.”

Onder haar vingers voelde ze zijn buikspieren aanspannen. Het was eigenlijk niet eerlijk wat ze deed. Er was met Wouters lichaam niks mis. Integendeel, hij was knap en sportief. En hij rook lekker naar aftershave en douchegel.

Ze had ineens ontzettende zin om heel dicht tegen hem aan te gaan staan. Ze wilde zich koesteren in de warme kracht van zijn gespierde lijf, met haar vingers door zijn natte bruine haren strijken, zijn lippen zoeken en hem kussen tot ze allebei totaal buiten adem waren.

Ach onzin. Wouter was leuk, maar hij was ook een collega.

Handen af van je collega’s, Rozemarijn. Dat levert alleen maar ellende op!

Wouter trok een gezicht en keek hulpzoekend naar haar vader.

Meneer Veninga grinnikte meelevend. “Ik zou maar meegaan, jongen. Als Roosje iets in haar kop heeft, heeft ze het niet in haar k…”

“Ja, zo kan die wel weer, pap,” viel Rozemarijn hem in de rede. “Kom Boy! We gaan UIT!”

In de hoek bij de open haard sprong een grote zwarte labrador overeind. Het beest rende blaffend naar de deur, waar hij kwispelstaartend tegen de klink begon op te springen.

“Geef me een minuutje,” bromde Wouter, “dan trek ik even wat uit.”

“Als je daarna maar wel weer wat aandoet,” pareerde Rozemarijn. “Ik ga niet met een blote vent over straat rennen.”

Wouter stak zijn tong naar haar uit. “Blote vent? Dat mocht je willen, Rozemarijntje.”

Ze zag hem met soepele passen de trap op gaan en uit het zicht verdwijnen.

“Leuke man,” zei haar vader. “Ik vind hem stukken aardiger dan die kwast die je de vorige keer bij je had.”

“Je bedoelt Maarten? Ja, dat is mijn type ook niet.”

“Maar Wouter is je type duidelijk wel,” antwoordde haar vader. “Geef hem een kans, Roos.”

Rozemarijn voelde de ergernis in zich naar boven borrelen. Daar gingen ze weer hoor. Haar ouders wilden dat ze trouwde. Of beter, haar bazige Italiaanse grootmoeder, door de hele familie liefkozend La Mama genoemd, vond dat absoluut noodzakelijk en ze probeerde met alle mogelijke middelen haar zin door te drijven.

“Alle nette meisjes trouwen, Rosmarina. Dat hoort zo.”

Zij, Rozemarijn, dacht daar heel anders over. Ze had het prima zo. Ze had helemaal geen echtgenoot nodig. Ze wilde carrière maken, als captain de hele wereld over vliegen.

Trouwens, wie zat er nou op haar te wachten? Een beetje vent wilde een echte vrouw, iemand die kinderen kon krijgen. En zij mocht er dan vanbuiten als vrouw uitzien, vanbinnen was ze een uitgedroogd Miepje, waar ze met grof geweld een ontstoken baarmoeder uit hadden gesloopt. Een bikini kon ze nooit meer aan.

“Je moet gewoon een beetje meer je best doen om een man te krijgen,” onderbrak haar vader Rozemarijns overpeinzingen.

“Pap, hou nou eens op! Ik heb geen zin om me te binden, dat weet je best.”

“Kindje, je hoeft je toch nergens voor te schamen? Jij kunt er toch niks aan doen dat je ziek bent geworden?”

“Pap! Straks hoort Wouter je nog,” brieste Rozemarijn waarschuwend.

Maar het was al te laat.

“Je vader komt hier inderdaad luid en duidelijk binnen,” verklaarde Wouter vanuit de deuropening. “Jij bent ziek en daarom hoef ik gelukkig niet te joggen. Laat het bier maar doorkomen graag.” Zijn stem klonk hoopvol.

Rozemarijn haalde opgelucht adem. Gelukkig, Wouter had niet begrepen waar het echt over ging.

“Pech voor je, jongen,” zei ze met een gespeeld ondeugende grijns. “Mijn vader is degene die niet lekker is. Kom op, we gaan.”

Wouter slaakte een hoorbare, diepe zucht en terwijl hij met een enthousiaste hond op zijn hielen de deur uit draafde, kon je hem duidelijk “Vrouwen!” horen mompelen.

Rozemarijn ging hem grinnikend na.

Ze renden door de naar bloeiende lavendel geurende rotstuin van het grote in Romeinse stijl gebouwde huis en kwamen via een keurig geschilderd hekje op het campingterrein.

“Naar Punta Sabbioni heen en weer?” stelde Rozemarijn voor.

“Dat is ruim zes kilometer,” riep Wouter geschrokken. “Je moet het niet overdrijven, Roosje.”

“Op Punta Sabbioni mag je me kussen,” grapte Rozemarijn, “een klein kusje op mijn wang.”

Ze draafde lachend van hem vandaan, de camping af, naar het fietspad van de grote weg.

“Daar doe ik het niet voor!” riep Wouter achter haar. “Ik wil minstens een tongzoen voor het geleden ongemak.”

“Dat kun je wel vergeten!” riep Rozemarijn terug en ze versnelde haar tempo.

Wouter deed hetzelfde én omdat hij beduidend langere benen had, kwam hij al snel naast haar rennen.

In een wat rustiger tempo draafden ze naast elkaar over het donkere fietspad. De hond bleef af en toe achter om ergens te snuffelen en een geurvlag te plaatsen, maar volgde hen trouw.

In de verte zagen ze de rode achterlichten van een auto midden op de weg.

“Het lijkt wel of hij stilstaat. Dat is ook gevaarlijk, ze rijden hier best hard,” hijgde Rozemarijn.

“Misschien is de bestuurder niet goed geworden. Of ze staan een potje te vrijen,” hijgde Wouter terug.

“Midden op de weg? Zo stom is toch niemand?”

“Spaar je adem maar. We zijn er bijna.”

“Volgens mij komt er een jogger aan,” riep Rozemarijn. “Even rechts houden, Wouter.”

“Help! Help!” schreeuwde een vrouwenstem.

Rozemarijn bleef hijgend staan. Riep daar iemand om hulp? Die jogger die daar zo hard aan kwam rennen?

Er liepen nog meer mensen achter. Minstens twee.

“Help!” gilde de stem.

De maan brak door de wolken heen en in het schijnsel kreeg Rozemarijn een goed beeld van de situatie.

Het was helemaal geen jogger. Een vrouw in een veel te korte spijkerbroek op gympen. En die was duidelijk in nood.

Naast haar kwam Wouter tot dezelfde conclusie. “Ze zitten haar achterna. Roep je hond. Je weet maar nooit.”

“Boy! Hier!”

Luid blaffend kwam Boy uit de struiken springen.

“Oké, eropaf dan maar,” zei Wouter. “Voorzichtig. Misschien zijn ze gewapend.”

De vrouw rende zwaar hijgend naar hen toe, maar haar achtervolgers bleven staan.

“Wegwezen! Een hond!” schreeuwde een mannenstem in het Italiaans. De kerels draaiden zich om en sjeesden weg.

Boy hield wel van een spelletje. Voor Rozemarijn hem kon tegenhouden, spurtte hij het stel luid blaffend achterna.

“Boy hier!” riep Rozemarijn. Ze stak haar vingers in haar mond en gaf een scherp fluitsignaal.

Boy bleef luid blaffend staan. Hij was duidelijk in tweestrijd. Moest hij naar het vrouwtje luisteren of kon hij beter met die twee leuke baasjes gaan spelen?

De leuke baasjes wachtten zijn beslissing niet af. Ze sprongen in de Mercedes en de wagen schoot met gierende banden weg.

Boy racete er nog luid blaffend achteraan, maar de snelle kar was geen partij voor hem.

“Rozemarijn?” hijgde de vrouw. “Wouter? Wat ben ik blij om jullie te zien.”

“Lianne?” vroeg Rozemarijn verbaasd. “Wat doe jij nou hier?”

“Ik zoek camping Laguna di Venezia.” Lianne snakte naar adem.

“Je zoekt de camping? Je bedoelt toch niet dat je dat hele eind bent komen lopen?”

Lianne knikte.

“Is dat jouw bagage?” vroeg Wouter en hij gebaarde in de verte.

“Ja, ik heb hem laten staan, want die kerels…Ik ga hem gauw halen.”

“Doe ik wel voor je,” bood Wouter aan en hij zette een soepel sprintje in.

“Ik snap hier niks van,” zei Rozemarijn. “Ben je zo lang in Venetië gebleven?”

“Nee, ik ben gelijk op de boot gestapt, maar er klopt geen hout van die folder.”

“Welke folder?”

“Die van de camping. Daar staat in dat het maar een halfuur varen is.”

“Dat is het ook.”

Lianne keek Rozemarijn met gezwollen ogen aan. “Maar ik heb er wel twee uur over gedaan.”

Rozemarijn haalde haar schouders op. “Jij bent gewoon op de verkeerde boot gestapt. Die naar Punta Sabbioni.”

“Ja, die lag daar en ik dacht: daar moet ik heen. Dus…”

“Die boot is leuk voor een rondvaart door de lagune. Murano, Burano, Torcello…Je kunt het zo gek niet bedenken of hij legt er aan. Als je hier snel heen wilt, moet je naar Lido en daar overstappen.”

“Zo, ik heb je koffer,” verklaarde Wouter achter hen. “En eh…Is dit van jou?” Hij hield het huilende harlekijntje omhoog.

Lianne knikte en stak haar hand uit om het popje aan te pakken.

“Er zit kwijl op,” waarschuwde Wouter. “Boy liep ermee rond.”

Liannes hand bleef aarzelend in de lucht hangen.

“Ik stop hem wel in mijn zak,” bood Wouter hulpvaardig aan en hij voegde de daad bij het woord. “Dan halen we hem straks eerst door een schuimend sopje voor hij weer bij je in bed mag.”

“Ik heb mijn buik vol van schuimende sopjes,” verklaarde Lianne en terwijl ze over haar ervaringen in de ijssalon vertelde, liepen ze met een vrolijk rondspringende Boy naast zich in de richting van de camping.

Wouter had Liannes bagage op sleeptouw. “Ik snap niet waarom je in je eentje langs zo’n eenzame weg bent gaan lopen,” merkte hij op. “Dat is vragen om problemen.”

“Ja,” viel Rozemarijn hem bij, “waarom heb je niet even naar de camping gebeld? Dan had iemand je opgehaald.”

“Maar dat héb ik gedaan! En die vrouw zei van ‘boes fieniescht’ en toen legde ze de telefoon neer.”

“Meen je dat nou? Dat ga ik straks gelijk uitzoeken. Dat kan toch niet?”

“Ik denk dat Lianne meer behoefte heeft aan een ijskoud biertje op een rustig terrasje,” vond Wouter.

“Jij bent daar goed in, hè,” pareerde Rozemarijn lachend. “Je eigen verlangens op een ander projecteren.”

“Nou ja, ik dacht…”

“Misschien trapt Rozemarijn er wel in,” maakte Rozemarijn de zin voor hem af. “Maar dat gaat mooi niet door. We zetten Lianne op dat terrasje en dan gaan wij nog even stevig joggen.”

“Bewaar me!” riep Wouter zo pathetisch, dat Lianne in lachen uitbarstte. Ze zag er op slag weer veel beter uit.

“Jullie zijn een mooi stel met zijn tweeën,” grinnikte Lianne.

“Als dat zou kunnen,” bromde Wouter.

“Wat?” vroeg Lianne onschuldig.

“Dat wij een stel waren.” Wouter keek verlangend naar Rozemarijn.

Er ging een vreemd steekje door Rozemarijns buik toen ze in die prachtige ogen keek, maar ze duwde het opwindende gevoel meteen weer weg. Wouter vond haar leuk, maar dat kwam alleen omdat hij niet wist wat voor soort vrouw ze werkelijk was. Als ze hem ging vertellen dat ze onvruchtbaar was, zou hij vast niet weten hoe snel hij moest wegwezen. En ze wilde hem niet kwijt. Als vriend dan, hè. Ze wilde hem als goede vriend niet missen.

∗

Het was gezellig druk op het overdekte terrasje van camping Laguna di Venezia. De lome hitte van de dag had plaatsgemaakt voor een heerlijke zwoele avond en overal zaten er campinggasten aan de witte stenen tafeltjes, die werden opgesierd door brandende kaarsjes en geurige bloemstukjes. Anderen hadden een plekje gevonden op een roodleren, metalen kruk bij de knusse bar, waar grote borden aangaven dat de inwendige mens hier niets tekort zou komen.

Er groeiden honderden kleurige vlijtige liesjes in de bloembakken langs de randen en overal walmden er vurige toortsen om de muggen te weren. Ze verspreidden een zoetige citroengeur.

Lianne zat aan een van de tafeltjes met een enorme ananaschampignon pizza voor haar neus. Naast haar bord stond een groot glas rode wijn, waarin fonkelende belletjes omhoog borrelden.

Ze had in haar gehuurde stacaravan een lekkere warme douche genomen en droge kleren aangetrokken. Ze voelde zich weer helemaal mens.

“Eet ze,” wenste Wouter.

Ze keek hem stralend aan. “Dankjewel. En jij hebt eindelijk je bier. Proost.”

Wouter zag er erg goed uit in zijn rode poloshirt met die twee openstaande knoopjes. Het stond hem bijna nog beter dan zijn pilotenuniform. Er weerkaatsten kaarsvlammetjes in zijn bruine ogen en hij lachte vrolijk naar haar. “Ik was er hard aan toe. Rozemarijntje is af en toe net een slavendrijver.”

“Dat durf je alleen maar te zeggen omdat ze er niet is,” grinnikte Lianne. “Wil je ook een stukje pizza?”

Ze wist best wel dat Wouter Rozemarijn heel erg zag zitten, maar het leek erop dat de liefde maar van één kant kwam. En dan kon het absoluut geen kwaad als zij een kansje waagde bij deze spetter. Toch?

“Een puntje gaat er wel in,” knikte Wouter opgewekt.

Ze sneed een ruime punt voor hem af en hield die voor zijn mond.

Hij hapte. Letterlijk.

In een flits zag Lianne zichzelf over het middenpad van een grote kerk lopen. In een schitterende, roomwitte bruidsjurk met opgenaaide bloeiende roosjes van zijde. Haar prachtige lange sleep werd door zes schattige bruidsmeisjes in toom gehouden. Aan het einde van het pad stond haar knappe bruidegom te wachten in een perfect passend trouwkostuum, waarin zijn goedgebouwde lichaam nog mannelijker leek.

Wouter nam nog een hap en door de beweging glibberde de pizzapunt uit haar hand. Met een snelle greep probeerde ze de vette hap te vangen voor die op zijn smetteloze polo-shirt zou landen, maar al graaiend stootte ze met haar arm tegen haar wijnglas. Dat viel kletterend op de stenen tafel en spatte uit elkaar in een waas van rode wijn en duizenden glanzende splintertjes, die tot in de verre omtrek neer regenden.

Wouter schudde met zijn hoofd als een hond die onverwacht een emmer water over zich heen krijgt, maar vervolgens stak hij onbekommerd zijn hand in de lucht.

“Mark, eenmaal vaatdoek graag,” riep hij in het Nederlands naar de barman.

Zijn blik gleed over Liannes pizza die in een rode, glinsterende waas was gehuld. “En bak ook maar een verse pizza,” voegde hij er droogjes aan toe.

Lianne begon zenuwachtig te giechelen. “Het spijt me vreselijk,” hikte ze gegeneerd. “Ik weet niet hoe dat nou kon.”

“Omdat je aan wat anders zat te denken,” antwoordde hij tot haar schrik. “Je kreeg zo’n dromerige blik in je ogen en toen begon je met het eten te smijten.” Hij keek haar indringend aan en grapte: “Als je wat tegen me hebt, kun je dat ook wel gewoon vertellen, hoor. Dan blijf ik tenminste schoon.”

Lianne wist niet meer wat ze zeggen moest en dat overkwam haar niet vaak.

Gelukkig kwam de barman aanrennen met een doekje en een emmer sop en Lianne keek met een rood hoofd de andere kant op.

“Geeft niks hoor,” zei Wouter troostend, “dit shirt heeft me in New York maar 200 dollar gekost. Ik haal volgende maand wel een nieuwe.”

“Laat me raden,” klonk Rozemarijns vrolijke stem aan de ingang van het terras. “De derde wereldoorlog is uitgebroken. Of is er iemand ontploft?”

Ze gaf de barman een speelse tik tegen zijn achterste, pakte het vaatdoekje van hem af en begon geroutineerd de tafel te soppen.

De barman wilde haar een duwtje terug geven, maar Rozemarijn ontweek dat soepeitjes. Ze duwde hem het bord met de geruïneerde pizza in zijn handen. “Tre pizze funghi con ananas, Illustre Signore.”

De barman trok een gezicht en maakte een overdreven diepe buiging. “Prego, Gentile Signora,” antwoordde hij stralend en hij haastte zich terug naar zijn toog.

Lianne zat het tafereeltje met verbaasde ogen aan te zien.

“Ze is niet zo’n mannenverslindster als jij nou denkt, hoor,” verklaarde Wouter met een grijns. “Mark is haar broer. Getrouwd, drie kinderen.”

“Oh, waarom praten ze dan Italiaans tegen elkaar?” mompelde Lianne wat verward.

Rozemarijn kuchte. “Grapje. Wij zijn tweetalig opgevoed. Mijn moeder komt uit deze streek.” Ze duwde een blonde lok uit haar ogen en praatte door: “Over Italiaans gesproken: onze receptioniste dacht daarstraks dat je alleen inlichtingen over de pendelbus wilde toen je opbelde. Haar Engels is niet geweldig. En het was druk.”

Lianne knikte wat zuurtjes. “Nou ja, dat kan gebeuren. Pech gehad.”

“Ik wil het graag een beetje goed maken,” bood Rozemarijn aan. “Daarom mag je bestellen wat je wilt. Het is allemaal van het huis vanavond.”

“Je hoort het,” was Wouters reactie. “Je kunt gerust nog een consumptie over me heen gooien. Allemaal gratis.”

“Dat geldt absoluut niet voor jou, meneer de captain,” verklaarde Rozemarijn grinnikend. Ze veegde intussen ontspannen over Wouters shirt, maar toen haar hand lager zakte, greep hij haar pols.

“Daar mag je gerust nog even mee doorgaan, Rozemarijntje,” moedigde hij haar aan en Lianne zag de ondeugende glans in zijn ogen. “En ga vooral nog wat lager. Maar niet in gezelschap graag. Mijn broek ziet er al niet meer uit.”

“Sorry,” mompelde Rozemarijn en Lianne zag tot haar verbazing dat ze…bloosde?

Wel verdraaid, dacht Lianne. Speelde Rozemarijn een spelletje met Wouter? Hard to get, zoals dat in de bladen zo mooi heette? Vond ze hem in het echt veel leuker dan ze iedereen wilde laten geloven? En Wouter merkte dat niet?

Ongelofelijk eigenlijk. Zo’n knappe vent hoefde toch niet als een slaafs hondje achter Rozemarijn aan te lopen? De rest van de vrouwelijke wereldbevolking stond te springen om iets met hem te beginnen. Met haar, Lianne, vooraan in de rij van gegadigden. Ontzettend jammer dat hij alleen maar oog voor Rozemarijn had.

De tafel en de vloer eromheen waren weer toonbaar en Rozemarijn kwam bij hen zitten. Ze zette twee glazen bier neer en schoof een glas rode bubbeltjeswijn naar Lianne toe.

“De pizza’s zijn dadelijk klaar,” zei ze met een blik op Wouter. “En dan mag Woutertje helemaal zelf proberen te eten.” Ze gaf hem een speels tikje tegen zijn maag. “Hè, grote jongen van me?”

Wouter verslikte zich in zijn bier en Lianne voelde het schaamrood naar haar kaken stijgen. Help! Rozemarijn had gezien dat ze Wouter haar pizza had zitten opvoeren. Wat zou ze wel niet van haar denken? Dat moest haar natuurlijk weer gebeuren. Daar ging ze weer compleet af in het bijzijn van zo’n leuke vent.

De leuke vent stond onverwacht op, gaf Rozemarijn een teder kusje op haar wang en ging weer zitten.

Rozemarijn staarde hem met open mond aan. “Voel jij je wel lekker?” vroeg ze bits.

“Ik heb me nooit beter gevoeld,” knikte Wouter. “En die kus had ik nog van je te goed. Van dat vreselijke joggen.”

“Hmmm,” bromde Rozemarijn. “Ik had toch gezegd dat je pas bij Punta Sabbioni…”

“Wat kan ik er nou aan doen dat we daar niet gekomen zijn?” Hij keek Rozemarijn verliefd aan en Lianne draaide haar hoofd van hen af. Zij wilde zo graag verkering en iedere keer liep het op niks uit. En Rozemarijn wond Wouter om haar vinger. Hoe deed ze dat toch?

Bah, zij had het helemaal gehad voor vandaag. Ontmoette ze twee leuke mannen, zagen die haar niet staan. Zij was blijkbaar alleen maar interessant voor rare baardapen in zwarte auto’s.

“Heb je de politie al gebeld over die opdringerige kerels die mij achternazaten?” vroeg ze.

Rozemarijn maakte haar ogen met duidelijke moeite los van Wouter en knikte. “Ja, dat vergat ik te zeggen.”

“En?” vroeg Lianne. “Wat zei de politie ervan?”

Rozemarijn haalde haar schouders op. “Het interesseerde ze volgens mij geen biet. Je mag morgen persoonlijk officieel aangifte gaan doen, als je wilt. Maar of dat veel gaat uitmaken…We hebben het nummerbord niet eens kunnen lezen.”

“Dat kwam omdat de verlichting het niet deed,” vulde Wouter aan. “Alle lampen van die auto brandden perfect, behalve het lichtje bij de nummerplaat. Best kans dat de heren Baardmans van alles op hun kerfstok hebben.”

Rozemarijn knikte. “Ja, dat heb ik erbij gezegd, maar het maakte weinig indruk op die agent. Ze waren vooral erg druk met die kidnapping van vanmiddag.”

“Alweer?” vroeg Wouter. “Dat is hier schering en inslag met die ontvoeringen. We hebben ze dit keer te pakken?”

“Het zoontje van een of andere krantentycoon. Ze willen drie miljoen euro voor het arme kind.”

Wouter floot. “Drie miljoen. Daar moeten wij heel wat uurtjes voor vliegen.”

Rozemarijn wees naar een televisietoestel dat aan de rand van het terras tussen groene klimopbladeren tegen een ijzeren paal hing. “Het is onderhand elke vijf minuten op het nieuws. Kijk maar.”

Lianne keek om. Op de televisie was een foto in beeld. Er stond een jongetje op met heldere, blauwe oogjes. Blonde krulhaartjes omlijstten een door de zon gebruind gezichtje. Hij hield een roodgemutst harlekijntje in zijn knuistje geklemd.

Lianne kneep haar ogen dicht om het beter te kunnen zien. Die kleuter kwam haar wel heel bekend voor.

“Die heb ik vanmiddag nog gezien,” zei ze en ze hoorde zelf hoe verbaasd haar stem klonk. “Bij het water op een bankje. Met een…”

Het televisiebeeld vervaagde en er verscheen een andere foto op het scherm. Het was de vrouw aan wie ze die middag de weg naar de boten had gevraagd.

Lianne wees. “Die vrouw zat naast dat jongetje!” Ze was even stil om op een reactie van de anderen te wachten, maar die bleef uit. “Wanneer is hij ontvoerd?” praatte ze verder.

“Vanmiddag. Weet je zeker dat je ze gezien hebt? Kinderen lijken nogal op elkaar.”

“Ja hoor, absoluut. Ik ben heel goed met gezichten. Is die vrouw zijn moeder?”

“Nee, het kindermeisje. Waar heb je ze precies gezien?”

“Dat zeg ik toch net. Naast het plein bij de bussen. Bij het water.”

“Kan kloppen,” was Rozemarijns reactie. “De nieuwslezer had het over het Piazale Roma. Ze zaten op een gondel te wachten die ze naar huis zou brengen. Hij was op een feestje geweest.”

Lianne wreef over haar neus. Daar zat een felrode muggenbult. “Moet ik aan de politie gaan vertellen dat ik ze heb gezien?”

“Is je iets speciaals opgevallen dan?” mengde Wouter zich in het gesprek. “Kerels met revolvers in de struiken of zo? Gemaskerde duikers in het kanaal? Een geblindeerde gondel misschien? Een verdachte helikopter boven het parkje? Of Sinterklaas met een shot gun in zijn staf?”

Rozemarijn gaf Wouter een stomp. “Doe eens even normaal, alsjeblieft.”

Terwijl Wouter verdedigend riep dat hij altijd zo deed, haalde Lianne haar schouders op. “Hij zat een ijsje te eten. Een groen ijsje. En die vrouw staarde naar het water. Ik heb verder niks geks gezien. Ik ben eigenlijk meteen naar de boten gelopen.”

En toen was die vaporetto langs komen varen. Met die vier gelukkig lachende jonge mensen aan boord, terwijl zij daar in haar eentje aan de kant stond.

“Nou, groene ijsjes lijken me geen wereldnieuws,” onderbrak de kalme stem van Wouter haar gedachten. “Maar als je morgen toch aangifte van die lastige kerels gaat doen, kun je het er best even over hebben.”

Mark zette drie grote borden met heerlijk ruikende pizza’s neer en vulde de glazen nog eens bij.

Wouter pakte grinnikend zijn bestek. “Dan krijgen we nu les twee in de categorie ‘Hoe consumeer ik een Pizza’. Ik hoop dat we het deze keer droog houden. Eet ze, meiden.”





3


Het was warm in de tent, maar Iris had daar geen last van. Ze lag dicht tegen Michael aan en luisterde naar zijn rustige ademhaling in de stilte van de nacht.

Het was zo heerlijk dat hij weer bij haar was! Ze besefte nu pas hoe vreselijk ze hem had gemist. Hem en zijn fantastische lichaam waar ze vanavond zoveel plezier aan had beleefd.

Michael was de beste minnaar die ze ooit had gehad. Niet dat ze veel mannen had versleten, maar als ze Michael vergeleek met een paar eerdere vriendjes, dan was hij het gewoon helemaal.

Die paar maanden van scheiding waren best nuttig geweest, want ze wist ineens precies wat ze wilde: een man die elke nacht naast haar lag, een ontbijtje voor haar maakte en met haar vrijde tot ze niet meer kon. Kortom: Michael.

Ze schoof onrustig heen en weer onder de opengeritste slaapzak die ze met z’n tweeën deelden.

Ja, ze wilde Michael, maar ze wilde ook carrière maken.

En dat ging voorlopig niet samen.

Over twee weken zou Michael terugvliegen naar Nederland. En dan zou ze weer eenzaam zijn. Nou ja, eenzaam…Ze had genoeg te doen en het stikte hier van de mensen, maar toch. Ze hield ontzettend veel van Michael en de gedachte aan een nieuwe scheiding was bijna onverdraaglijk.

Maar zij móest hier wel blijven. Haar toekomst lag hier. Alle kennis die ze nodig had om een briljant proefschrift te schrijven over de Schilderkunst in het Dogenpaleis, was hier in Venetië te vinden. In de bibliotheek, in het Dogenpaleis, in de musea…

Doctoranda Iris Martens zou Doctor Martens worden en dan lag de hele universitaire wereld voor haar open. Pap en mam zouden ongelofelijk trots op haar zijn en dan kon ze hun ook eindelijk vertellen dat ze voor Michael had gekozen.

Voor Michael en niet voor die ongelofelijk saaie professor Harmen Reimers waar haar ouders zo vol van waren.

Ja, ze had er alles voor over om haar proefschrift zo snel mogelijk af te maken.

Alles?

Gold dat ook voor haar relatie met Michael? Durfde ze die op het spel te zetten voor haar carrière?

Er klonk geritsel achter in de tent, maar Iris was zo in gedachten verzonken dat ze het niet hoorde.

Al die lange maanden zonder Michael had ze het ontzettend moeilijk gehad. Ze miste hem zo vreselijk. Michael was een supervent. Er waren ongetwijfeld meer meiden die wat met hem wilden. Haar oma had haar bezworen dat een goede relatie daar wel tegen kon, maar was dat ook zo? Was hij bestand tegen al die verleiding? Straks was ze hem kwijt.

Er klonk opnieuw een vreemd getik en geschuifel, maar Iris lette daar niet op. Ze draaide zich om, deed haar ogen dicht en probeerde te slapen. Maar de gedachten bleven door haar hoofd malen en tot overmaat van ramp begon er ineens van alles te kriebelen. Het jeukte in haar nek en nadat ze daar voorzichtig gekrabd had, begon haar kuit te kriebelen.

Daarna deed haar neus ook mee. Eerst vanbuiten en toen vanbinnen.

“Hatsjie!”

Ze kwam voorzichtig overeind en graaide rond naar een zakdoek, maar die was natuurlijk nergens te vinden.

“Hatsjoe! Hatsjoe!”

Hoe kon dat nou ineens? Zo’n niesbui! Haar hele neus begon ervan te druipen. Bah, wat vies.

“Hatsjie!”

Ze kroop op haar knieën door de tent op zoek naar haar tas en bevroor in de beweging.

Waren dat ogen? Twee wazige gifgroene oogjes die haar intens gemeen aankeken?

Een rat misschien? Een vleermuis?

Hè, contactlenzen waren ideale dingen, maar als je ze uit deed, zag je niks meer.

Ze snoof heftig. Onzin natuurlijk. Als je een bril afzette, zag je immers ook niet veel. Maar die had je wel wat sneller weer in functie dan die lenzen.

“Hatsjoe! Hatsjoe!”

Ze veegde langs haar neus, maar het gekriebel bleef doorgaan. “Michael! Kom eens helpen. Er zit iets raars in de tent.”

Maar haar stoere ridder sliep lekker verder.

Ach wat. Zo’n stumper was ze toch niet? Ze kon dit best alleen oplossen.

Met haar blik stijf op de ogen van het enge beest gericht kroop Iris strategisch achteruit tot ze bij het campingtafeltje kwam.

“Hatsjie! Hatsjie!”

Haar handen graaiden over het gladde formica en vonden de zaklantaarn die ze daar achteloos had laten liggen. Klik. Heftig knipperend in het plotselinge licht liet Iris de lichtbundel door de tent dwalen tot ze een wazig, harig hoopje ontdekte, dat rillend in een hoekje kroop. Ze kneep haar ogen tot spleetjes om beter zicht te krijgen, maar dat bood geen soelaas. En een bril had ze niet.

“Hatsjie!”

Michael kreunde en kwam overeind op één elleboog. “Is er wat?” vroeg hij slaperig. “Wat moet die kat hier?”

“Kat?” zei Iris verbaasd. “Is het een kat? Oh, gelukkig. Wil jij hem even buiten zetten?”

Michael begon te grinniken. “Heerlijk, zo’n geëmancipeerde vrouw. Als er bijtgevaar dreigt, moeten wij mannen er weer aan te pas komen.” Maar hij kwam gehoorzaam overeind en terwijl Iris hem bijlichtte, pakte hij het beestje voorzichtig van het grondzeil.

“Sssss…Sssss,” deed het harige bundeltje en het begon met een stel vlijmscherpe nageltjes van zich af te slaan.

“Rustig maar, poes. Ik doe je niks hoor,” bromde Michael. Hij nam de kat geroutineerd in zijn armen en aaide over het gevlekte kopje. “Hoe kom jij nou binnen, beestje?”

Het lapjeskatje begon luidruchtig te spinnen, maar veel informatie leverde dat natuurlijk niet op.

Iris wees. “Er zit daar een scheur in het canvas. Al weken.” Ze nieste uitbundig. “Hij heeft trouwens alle eieren op de grond gegooid. En de rosbief gepikt.”

“Klein rovertje,” zei Michael met een grijns. “Je bent vast een zwerfkat. Maar ik kan je hier niet houden, joh. Het vrouwtje niest zich een beroerte.”

Hij gooide de tentflap omhoog en zette de kat resoluut buiten.

“Komt hij wel vaker langs?” vroeg hij.

Ze schudde haar hoofd. “Nee, ik heb hem nog niet eerder gezien. Er lopen hier wel vaker zwerfkatten rond. Er is altijd wel iemand die ze wat te eten geeft.”

Ze had eindelijk een zakdoek gevonden en snoot uitvoerig haar neus. “Oh, daar is hij alweer. Die raken we niet meer kwijt.”

Michael pakte de kat op. “Ik haal morgen kattenbrokken voor je, maar nu ga je lekker buiten slapen. Vooruit met jou.”

Hij zette op het terras met één hand een tuinstoeltje overeind, legde er een stoelkussen in en zette daar het katje bovenop. Daarna ging hij op een holletje terug de tent in, ritste die stevig dicht en zette ten slotte zijn weekendtas voor de scheur.

Terwijl het katje buiten klagelijk begon te miauwen en aan het tentdoek krabde, ging Michael weer liggen en hield de slaapzak uitnodigend voor Iris omhoog.

Ze schoof naast hem en hij trok haar in zijn armen. “Zo te horen kunnen we slapen voorlopig wel vergeten, maar ik weet nog wel iets leuks om de tijd door te komen. Wat denk je: zullen we met een kusje beginnen?”

Iris lachte gelukkig en kroop nog dichter tegen hem aan. “Daarom hou ik nou zoveel van je,” fluisterde ze. “Jij hebt altijd van die goeie ideeën.”

∗

De volgende morgen huurde Lianne al vroeg een fiets en met haar fotocamera en een pak brood in haar rugzakje ging ze op weg naar de aanlegsteiger van de boot.

Het was een stralende, warme zomerochtend en de lange, eindeloze weg, waar ze gisteravond zoveel narigheid had beleefd, leek op de fiets een heel stuk gezelliger.

Ze peddelde langs maïsvelden, bloeiende tomatenstruiken en kleurige groentestalletjes en genoot met volle teugen van de omgeving.

Voor haar liepen twee joggers op het fietspad en ze belde om ze even te waarschuwen dat ze erlangs wilde.

De joggers gingen langzamer lopen en keken om.

“Hoi Wouter!” riep Lianne vrolijk. “En Rozemarijn. Zo vroeg al aan het rennen?”

“Ja, we moeten de pizza’s van gisteravond weer kwijt,” riep Rozemarijn hijgend terug.

“En de boot halen,” vulde Wouter droogjes aan.

“Je mag wel meerijden,” flapte Lianne eruit, maar ze had meteen spijt van haar woorden. Wouter paste wel achterop, maar voor Rozemarijn had ze natuurlijk geen plaats.

“Bedankt voor het aanbod, maar dat krijg ik nooit van moeder overste gedaan,” zei Wouter.

“Als je dat maar weet,” pareerde Rozemarijn meteen. “Kom op, rennen. Doei, Lianne!”

Ze gingen voor haar aan de kant en Lianne fietste wat gegeneerd verder. Als er nog eens een wedstrijd ‘Suffe Opmerkingen Maken’ gehouden werd, moest ze beslist meedoen, die ging ze geheid winnen.

Ze kwam bij de hoek, sloeg linksaf en zette even later haar ijzeren ros aan de rand van het plein in een fietsenrek.

Het plein zag er veel aantrekkelijker uit dan de vorige avond. De winkels waren open en overal stonden rekken met T-shirts en bakken met souvenirs op de stoep.

Toen ze wilde oversteken, kwam er net een touringcar vol mensen voorbij. Shuttlebus Camping Laguna di Venezia stond er met zakelijke letters op de voorruit.

Lianne haalde een kaartje, sloot aan in de rij wachtenden en liep via de controle naar de schommelende boot, die juist aanlegde. Een bootsman in een donker uniform sloeg een ruw touw om een enorme bos in het water staande dikke boomstammen heen en klapte een brede ijzeren plaat uit, die als opstapje dienstdeed. De gigantische palen kraakten en knarsten in hevig protest, en Lianne zag enorme scheuren in het verweerde hout, maar ze hielden dapper stand.

Ze liep met de massa mensen mee aan boord, klom een trap op naar het zonnedek en vond een plekje aan de reling, op een pastelblauw houten bankje. Er stond een stevige bries, die een natte geur van water en dieselolie met zich meevoerde.

Vanaf haar hoge plaats had Lianne een mooi uitzicht op de kade, waar een geüniformeerde man een koord met vlaggetjes over de toegang naar het schip spande. De signaalhoorn van de boot toeterde luid ten teken van vertrek en de bootsman begon het touw van de palen los te wikkelen.

Terwijl het opstapje werd ingehaald, renden twee mensen de kade op. Ze droegen joggingpakken en hadden hun capuchon een flink eind over hun voorhoofd hangen. Zonder op de protesten van de controleur te letten, sprongen ze soepel over de vlaggetjes en schoten aan boord, terwijl het schip toeterend van de kant weggleed.

Lianne schudde haar hoofd. Dat waren Wouter en Rozemarijn. Wie anders? Piloten waren toch een speciaal soort mensen. Ze haalden alles uit het leven wat er inzat en je kon een hoop lol met ze hebben.

De boot voer achteruit van de kade weg, draaide en ging toen op volle kracht vooruit.

“Hè, hè, was me dat rennen!” hijgde een bekende stem en Wouter plofte ongegeneerd op het bankje tegenover Lianne. Hij trok zijn jasje uit, schoof dat samen met een felgele See-Buy-Fly plastic tas in ijltempo onder het bankje en ging vervolgens onschuldig over de reling zitten staren.

Met stampende passen en hoog opgetrokken schouders kwam de bootsman langs banjeren. Hij keek als een jager die zijn aangeschoten hert niet meer kan vinden en zijn norse gezicht draaide zoekend alle kanten op. Ineens bleef hij staan en zijn indringende ogen gleden bijna hongerig over een jonge man die in de verte wel wat op Wouter leek.

De jongeman glimlachte en zei iets in het Italiaans. De schouders van de bootsman zakten af en met een getergde blik in zijn ogen beende hij verder. Hij bonkte de trap af en terwijl zijn kuifje uit het zicht verdween, schoof Rozemarijn naast Lianne op het bankje. “Dat scheelde niet veel,” pufte ze.

“Op het randje,” knikte Wouter ontspannen. “Maar we zijn hem nou wel kwijt.”

Rozemarijn rekte zich uit als een lome kat na een middagdutje en ze hield haar gezicht wat scheef om een zonnestraal te vangen. “Lekker is dat, hè Lianne? Vakantie in de zon.”

Lianne grinnikte. “Ik heb maar half vakantie. De rest van de tijd moet ik werken.”

Ze keken haar verbaasd aan. “Werken?”

“Ja, ik heb toch gezegd dat ik journaliste ben? Ik moet wat artikelen schrijven over de omgeving en de campings.”

“Oeps,” zei Rozemarijn. “Dan komen wij er vast erg slecht af na die narigheid die je gister had.”

Lianne lachte. “Valt wel mee hoor. Ik zag de pendelbus net nog rijden en…”

“Ik heb er nog nooit ingezeten,” viel Wouter haar met een gespeeld zuur lachje in de rede. “Maar hij schijnt echt te bestaan.”

“Heb je soms zin om morgenmiddag mee te vliegen?” vroeg Rozemarijn. “Dan kun je Venetië eens van boven zien.”

Het woordje vliegen bezorgde Lianne bijna een lekke hartklep. “Vliegen? Hoezo?” stotterde ze.

“Ik doe rondvluchtjes met toeristen. Je mag gratis mee als je wat aardigs over onze camping schrijft.”

Wouter begon te lachen. “Rozemarijntje toch. Hoe kun je nou zoiets doms zeggen? Nou gaat Lianne een artikel schrijven over corruptie en omkoperij op Italiaanse campings.”

Rozemarijn keek hem verbaasd aan. “Oh, misschien heb je wel gelijk. Lianne, deze scène doen we nog een keertje over.”

“Hoeft niet,” zei Lianne. “Ik ben niet zo dol op vliegen enne…ik vind jullie camping zo al leuk genoeg.”

Rozemarijn en Wouter staarden haar aan alsof ze ter plekke in het monster van Loch Ness veranderd was.

“Je houdt niet van vliegen?” vroegen ze allebei tegelijk en het onbegrip droop uit hun woorden.

“Nee,” zei Lianne dapper, want ze besefte best dat haar antwoord bij haar gesprekspartners niet in de smaak zou vallen, “als het niet hoeft, liever niet.”

“Maar het is het heerlijkste wat er op de wereld is,” riep Rozemarijn en haar hele gezicht begon te stralen. “Die vrijheid, die intens blauwe lucht, die stralende zon op de wolken…Het is zo onbeschrijfelijk mooi!”

“Ik vind het eng, sorry.”

“Eng? Wat is er in vredesnaam eng aan?”

“Nou, je zit zo hoog en je kunt neerstorten. Ik vind het altijd weer een wonder als zo’n enorm zwaar bakbeest van de grond komt.”

“Zo’n toestel gaat vanzelf omhoog, hoor,” zei Wouter, “Daar hoeven we weinig moeite voor te doen. Dat zijn de wetten van de aërodynamica. En neerstorten doen ze ook maar heel zelden. Weet je wel hoeveel auto-ongelukken er gebeuren? Dat is pas echt griezelig.”

Lianne zuchtte. “Mijn studievriendin Ida beweerde precies hetzelfde op die cursus tegen vliegangst, maar eigenlijk…”

“Maar eigenlijk geloof je haar niet,” concludeerde Wouter. “Maar wees nou even eerlijk, Lianne. Je zit toch ook op deze boot? Vind je dat niet eng dan?”

Lianne schudde haar hoofd. “Nee, niet echt, nee.”

Wouter begon ondeugend te lachen. “Ik zal je maar niet plagen, want dat is vast niet bevorderlijk voor een mooi artikel over Rozemarijns camping, maar ik kan je bergen verhalen vertellen over zinkende oceaanstomers. Wat zeg ik je, hele films zijn er over al die ellende gemaakt.”

Lianne schoof onrustig heen en weer. Ze vond Wouter heel leuk. Maar ze hoefde niet met hem mee te praten, terwijl ze er totaal anders over dacht. “Ik was gister hartstikke bang, dat mag je gerust weten. Het schudde en het bonkte en ik dacht dat we elk moment uit de lucht konden vallen.”

Als Michael er niet geweest was, had ze vast een regelrechte paniekaanval gekregen.

Er ging een verlangend steekje door haar hart. Michael…Michael was zo’n leuke vent, net zo leuk als Wouter.

“Kom nou, Lianne,” troostte Rozemarijn haar, “het was gewoon een beetje onrustig in de lucht. Dat is toch niks bijzonders? Als je in een bus over een hobbelige weg rijdt, dan maak je je toch ook niet druk?”

Lianne schudde haar hoofd. “Nee, maar dat is normaal.”

“Hobbelige luchtwegen zijn ook normaal. Geen enkel probleem. Het schudt misschien een beetje. Nou ja, so what?”

De boot ging langzamer varen en begon heftig te schommelen, alsof hij het gesprek had gevolgd en Rozemarijn helemaal gelijk gaf.

“Help, wat wiebelt die boot!” Wouter lachte plagend. “We zinken!”

Lianne wapperde met haar armen alsof ze een opstijgende vogel was. “Mij praat je niet om. Ik kan goed zwemmen, maar vliegen lukt me voor geen meter.”

“We zijn bij Lido, mensen.” Rozemarijn tikte Lianne op haar arm. “Als je daar nou tussendoor kijkt, daar tussen die twee stukken land door…dat is Venetië.”

“Maar we zijn net vertrokken.” Lianne keek verbaasd. “Wat gaat dat snel.” Ze schudde haar hoofd. “Dan had ik gister echt de verkeerde boot.”

Rozemarijn knikte bevestigend. “We leggen in Lido aan en dan steken we over. Een kwartiertje nog.”

En inderdaad, nog geen kwartier later voeren ze de baai van Venetië in. De omtrekken van het robuuste Dogenpaleis dat op speelse, gotische zuilenboogjes rustte, werden scherper en daarachter was de spitste Campaniletoren te zien.

De boot voer toeterend tussen allerlei gondels en kleine bootjes door en legde aan.

“Loop je met ons mee?” vroeg Rozemarijn. “We hebben de Rialtobrug op het programma staan.”

“En hoe,” bromde Wouter.

Lianne knikte opgewekt. “Graag. Venetië is helemaal nieuw voor mij en jullie kunnen me mooi de spannendste barretjes en de leukste winkeltjes laten zien.” Ze lachte stralend naar Wouter. “Voor mijn artikel, hè?” voegde ze er snel aan toe.

“Komt helemaal voor elkaar, mevrouw.” Wouter keek haar indringend aan en Lianne voelde haar knieën in slappe kauwgom veranderen.

Ze stapte wat bibberig achter de piloten aan de boot af en kwam op een brede boulevard, die langs de baai liep. Daar bleef ze staan en keek met open mond naar de gigantische drukte op de kade.

Honderden mensen van allerlei slag krioelden als rode bosmieren tussen de bonte souvenirstalletjes door. Er waren straatmuzikanten in historische kleding met enorme, witte pruiken op hun zwetende hoofden, karretjes waar flesjes frisdrank in enorme bergen versplinterd ijs werden gekoeld en levende standbeelden, waar je voor een paar euro mee op de foto mocht.

“Denk om je tas, hè,” waarschuwde Rozemarijn, “Venetië is een paradijs voor zakkenrollers.” Ze wees op een ontzettend smal steegje dat tussen de huizen leek te verdwijnen. “Dat is de kortste weg naar de Rialtobrug. Kom op.”

“De kortste weg?” vroeg Lianne. “Hebben jullie haast of zo?”

Maar Rozemarijn hoorde haar niet, ze liep in hoog tempo het steegje in. Wouter greep Liannes hand en trok haar mee. “Kom, opschieten, anders is ze zo uit het zicht verdwenen.”

Lianne draafde stomverbaasd met Wouter mee. Het steegje was zo smal, dat ze half achter hem moest lopen om niet tegen de metershoge muren te botsen. Af en toe kwamen ze langs een geblindeerd raam of een scheve deur, maar het was duidelijk een achterafstraatje, waar ook nog een vage pieslucht hing.

Nou, dit stuk van Venetië kon ze haar lezers maar beter afraden.

De steeg mondde uit bij een boogbrugje dat over een smal kanaaltje liep en werd daarna een heel stuk breder.

Rozemarijn ging steeds sneller lopen en ook Wouter versnelde zijn tempo.

De arme Lianne kon het bijna niet meer bijhouden, maar ze draafde dapper mee door een doolhof van straatjes, langs honderden winkeltjes en over tientallen bruggetjes tot Rozemarijn het opeens op een rennen zette.

Maar dat zat haar niet glad. Wouter schoot haar direct achterna en had haar bij de volgende hoek te pakken.

“Jij valsspeelster!” baste hij net toen Lianne zich weer hijgend bij hen aansloot. “Je weet best dat ik hier de weg niet weet. Dus zo telt het niet.”

“Wat telt niet?” vroeg Lianne puffend, maar ze kreeg geen antwoord. Rozemarijn en Wouter stonden elkaar taxerend aan te kijken als twee boksers aan het begin van de beslissende finalewedstrijd.

“We zijn er bijna,” verklaarde Rozemarijn en ze wees naar links. “Het is daar om de hoek.” Het klonk uitnodigend en ze ging opzij om hem langs te laten.

“Ja, ja,” bromde Wouter, “daar trap ik niet in kruidje-roer-me-niet. Het zal wel rechts zijn.” Hij pakte Rozemarijns pols in een ijzeren greep. “Lianne, geef je kaart eens?”

Lianne snapte er niks meer van. Waar waren die twee in vredesnaam mee bezig? “Kaart?” mompelde ze verward.

“Ja, de plattegrond van de stad. Die heb jij toch?”

“Laat maar,” zei Rozemarijn, “het is inderdaad rechtsaf daar.” Ze probeerde zich uit Wouters greep los te maken, maar dat lukte haar niet. “Laat me eens los, Wouter. Anders ga ik je schoppen. Maar ik wil je geen pijn doen.”

“Dat is nobel van je,” bromde Wouter, “maar ik laat je pas los als we bij die brug zijn. Met of zonder schoppen.” Hij kuchte en voegde er droogjes aan toe: “Liever zonder natuurlijk.”

“Wat is dat toch met die brug?” probeerde Lianne het opnieuw.

Rozemarijn glimlachte. “Daar stroomt het Canal Grande onderdoor. Het beroemdste kanaal van Venetië.”

“Oh en?”

“Dat merk je zo wel.” Wouter lachte geheimzinnig. “Kom maar.”

Hij duwde Lianne zijn gele plastic tas in haar handen en terwijl hij Rozemarijn in een stevige houdgreep hield, liepen ze verder door de wirwar van smalle straatjes. De huizen waren zo hoog, dat de zonnestralen moeite moesten doen om de klinkersteentjes te bereiken.

Uiteindelijk kwamen ze aan de voet van een brede, witte, stenen boogjesbrug die over een enorm kanaal was gebouwd. Op de brug wemelde het van de mensen en in het kanaal was het ook een enorme drukte met af en aan varende vaporetto‘s, kleine bootjes en gondels.

Wouter liet Rozemarijn los. “De beroemde Rialtobrug,” zei hij.

“Je moet wel uitkijken, hè.” Rozemarijn wreef met een pijnlijk gezicht over haar pols. “Het is niet echt diep hier. Breek je benen niet.”

Ze duwde haar plastic tas ook in Liannes handen en riep: “Klaar? Af!”

Terwijl Lianne stomverbaasd met ze mee rende, spurtten de beide piloten de witte stenen trap op, schoten onder een boogje door naar rechts, sloegen bijna tegelijkertijd hun benen over de brede stenen brugleuning en verdwenen onder de ontzette blikken van massa’s geschrokken toeristen in de diepte.

Lianne wrong zich door de mensen heen, liep naar de leuning en keek naar beneden. Daar dobberden Rozemarijn en Wouter gierend van de lach tussen de gondels in het niet al te schone water rond.

“En?” riep Rozemarijn naar boven. “Ik was het eerst in het water, hè Lianne? Ik heb recht op mijn etentje.”

“Nietes,” brulde Wouter meteen. “Ik was het eerst. Die tongzoen heb ik helemaal verdiend.”

Hij dook schielijk aan de kant om een luid toeterende vaporetto langs te laten.

Lianne blies haar wangen bol en liet de lucht weer ontsnappen. Verdraaid, dit hele gedoe was als weddenschap bedoeld! Hadden die twee nou niks beters te doen?

“Jullie zijn compleet geschift,” riep Lianne naar beneden, “Geloof maar niet dat ik ooit nog bij jullie in een vliegtuig stap.”

“En waarom dan wel niet? Dat zijn twee prima piloten hoor,” klonk een donkere mannenstem onverwacht naast haar.

Ze keek verbaasd opzij. Daar stond een man grinnikend naar het water te kijken. Hij had een lekker lichaam, kortgeknipte zwarte haren en fonkelende bruine ogen in een knap gezicht. Hij had zich die ochtend nog niet geschoren en dat gaf hem een opwindend mannelijke uitstraling.

“Hé kruidje-roer-me-niet!” riep hij naar beneden. “Prince Charming! Hoe is het water?”

“Ha, die Casanova! Het is super. Kom erbij!” riep Rozemarijn terug. “Jij ook, Lianne!”

“Ik kijk wel uit,” riep Lianne terug. “Aan die idioterie doe ik niet mee!”

“Idioterie?” zei de knappe Casanova naast haar lachend. “Daar heb je ons toch stevig mee beledigd, jongedame. En daarvoor kennen wij maar één straf.”

Hij trok de plastic tassen geroutineerd uit Liannes handen, zette ze tegen de brugleuning en tilde haar van de grond alsof ze een veertje was.

Om hen heen klikten tientallen fototoestellen van op sensatie beluste toeristen.

“Nee,” schreeuwde Lianne. “Ben jij nou gek, Casanova? Wat denk je wel niet?” Ze probeerde hem te schoppen, maar omdat ze zo los in de lucht bungelde, kwam daar niks van terecht.

“Frank is de naam,” zei de man. “Casanova is mijn nick van de vliegschool.”

“Je wat?”

“Mijn bijnaam. We hadden allemaal een bijnaam op de vliegschool.”

Hij liet haar boven de leuning zakken totdat haar achterste de koude stenen raakte. Lianne worstelde om aan de goede kant van het muurtje te komen, maar hij hield haar gewoon vast. En hij lachte er ook nog bij.

“Kun je zwemmen?” vroeg hij.

“Ja, natuurlijk kan ik zwemmen,” bitste ze. “Maar daarom heb ik nog geen zin om…”

“Stel je nou je volgende feestje eens voor,” zei Frank, “jij wordt het stralende middelpunt, omdat jij van de Rialtobrug durfde te springen. Zeg nou zelf, dat is toch bijzonder?”

“Maar ik wil helemaal niet bijzonder zijn,” protesteerde Lianne en ze keek scheef naar beneden, waar Rozemarijn en Wouter elkaar aan het nat gooien waren. Af en toe zwommen ze haastig opzij om een boot langs te laten. Ze hadden lol, dat moest gezegd worden, maar daarom hoefde zij die viezigheid nog niet in!

“Laat haar maar met rust, Frank,” riep Wouter naar boven. “Ze is journaliste. En er komt daarginds een vaporetto aan.”

“Dat haalt ze nog wel,” reageerde Frank tot haar schrik.

“Je durft het niet! Waag het eens!” snauwde Lianne en een paar tellen dacht ze dat haar woorden indruk hadden gemaakt, want Frank liet haar los.

Maar toen ze haar benen optrok om zichzelf in veiligheid te brengen, klikte hij de band van haar rugzak open en gaf haar een zetje. “Happy landing!”

Onder luid applaus van de omstanders tuimelde Lianne in vrije val naar beneden.

Het vluchtje duurde maar een paar seconden. Ze plonsde het warme water van het Canal Grande in en ging kopje onder.

Een sterke arm trok haar omhoog en terwijl ze het water uit haar ogen veegde, voelde ze Wouters lippen op haar wang. “Welkom bij de club.”

Er flitste een warme golf van emotie door Lianne heen, maar het moment van Wouters aanraking was zo kort geweest, dat ze zich vrijwel meteen afvroeg of ze het zich had ingebeeld.

“Hup Frank, d’r in,” moedigde Rozemarijn intussen Frank aan.

“This is your captain speaking,” antwoordde Frank van boven. “In verband met naderende carabinieri moet u rekening houden met enige turbulentie. Klappen met wapenstokken niet uitgesloten.”

“Politie?” vroeg Rozemarijn verschrikt. “Waar?”

“Op drie uur,” riep Frank. Hij greep de plastic tassen en Liannes rugzak en maakte dat hij weg kwam.

“Hup, Lianne. Wegwezen!” zei Wouter en hij trok haar mee in de richting van de kant.

Lianne kon prima zwemmen en het was al snel duidelijk dat dit ook voor de twee piloten gold.

In een razend tempo crawlden ze tussen de boten door naar de kant, waar Frank met hun spullen klaarstond om ze uit het water te trekken.

De agenten kwamen intussen over de brug aanstuiven, maar ze werden in hun voortgang ernstig gehinderd door de toeristen, die hen – al dan niet expres – lelijk voor de voeten liepen.

Al snel stonden ze alledrie als een stel kletsnatte zeehonden veilig op de kant, maar veel tijd om uit te druipen was er niet, want de agenten waren bijna onderaan de brug.

“Oké hutjes, ren voor je leven!” grapte Rozemarijn en op soppende gympen spurtte ze voor iedereen uit een steegje in. Ze renden haar achterna het straatje in, over een brugje heen een hoek om en vervolgens nog een hoek om.

“Tempo, Lianne,” zei Frank en hij pakte haar hand.

Maar Lianne rukte zich los. “Ik krijg jou nog wel, mannetje,” hijgde ze wraakzuchtig. “Reken daar maar op.”

“Ach, kom nou,” reageerde Frank. “Dat beetje water. Dat droogt wel weer. Het is hoogzomer.”

Lianne bleef staan. “Het stinkt. We stinken een uur in de wind.”

Frank snufte overdreven en trok een vies gezicht. “Ja, nou je het zegt, jullie mogen inderdaad weleens douchen.”

“Zijn we de Hermandad al kwijt?” informeerde Wouter ontspannen.

“Volgens mij wel,” antwoordde Rozemarijn en ze keek Frank aan. “Kunnen we bij jou douchen en droge kleren aantrekken?”

Frank knikte. “Ja, mijn hotel is vlakbij.”

“Dus dat zit er in die tasjes,” bromde Lianne zuur. “Droge kleren. En wat moet ik nou aan? Ik heb niks bij me.”

“Je mag mijn douchegordijn wel lenen,” grapte Frank. “Dat staat je vast geweldig. Allemaal bloemetjes.”

“We verzinnen wel wat,” zei Rozemarijn, “Kom, doorlopen, want je weet maar nooit.”

Ze liepen in hoog tempo naar Franks hotel, waar ze gelukkig via een achterdeurtje naar binnen konden glippen.

Rozemarijn schoot als eerste onder de douche en Frank zorgde intussen voor koffie.

Lianne zat op een piepklein balkonnetje met Wouter te doen wie de grootste natte plekken op de plavuizen kon maken tot het Wouters beurt was om te douchen.

“Tot zo,” zei Wouter. Hij gaf haar een knipoog en stapte soppend de kamer in.

Lianne keek om zich heen. Het was een mooi hotel aan een klein kanaal, maar veel uitzicht had ze niet. Ze keek recht tegen de kale, hoge zijkant van een palazzo aan, dat er aan de voorkant ongetwijfeld schitterend uitzag.

“Jouw beurt voor de douche, Lianne,” kondigde Frank een tijdje later aan. “Rozemarijn is beneden droge kleren voor je regelen en d’r hangt een handdoek voor je.”

Het klonk heel aardig, maar Lianne had geen zin om aardig terug te doen. Ze stond op, duwde hem haar lege koffiekop in handen en liep door naar de douche, waar ze zich snel uitkleedde en haar stinkende kleren op een hoopje mikte.

Het warme water en de heerlijk geurende zeep deden haar goed, en haar humeur knapte zienderogen op.

Terwijl ze zich stond af te drogen, werd er op de badkamerdeur geklopt. “Ik heb een jurk voor je geregeld,” riep Rozemarijn. “Een spijkerbroek hadden ze niet.”

Lianne wikkelde zich in haar baddoek, deed de deur een klein kiertje open en vroeg: “Is hij wel schoon? Ik heb geen zin om vlooien te krijgen.”

“Nee joh, deze is van de verhuurservice van het hotel. Die kun je gerust aantrekken, het merkje van de stomerij zit er nog op. Er is alleen geen ondergoed bij, maar dat hadden ze in de Middeleeuwen ook niet aan.”

“Middeleeuwen?” mompelde Lianne verbaasd, terwijl ze de zware plastic kledinghoes aanpakte.

Ze deed de deur weer op slot, legde de hoes op een krukje en ritste hem open.

Er zat een jurk in de hoes. Een lange jurk van glanzend, goudgeel fluweel met korte pofmouwtjes. De lage halslijn en de zomen waren afgezet met kanten rushes en tientallen nep-pareltjes. Onderin de zak vond ze een enorme pruik van kastanjebruine pijpenkrullen en een gitzwart masker.

“Rozemarijn!” riep ze geschrokken. “Dit is een carnavalskostuum. Dat kan ik toch niet aan?”

“Ze hebben ook een clownspak als je dat liever hebt,” riep Frank door de deur, “die rode neus kleurt vast leuk bij je haren.”

Lianne staarde naar de jurk. Tja, die leek haar toch een stuk aantrekkelijker dan een clownspak.

“Schiet je op?” riep Frank. “Ik wil me nog scheren en ik moet zo weg.”

Frank moest zo weg. En daar zag ze zowaar een lege emmer onder de wastafel staan. Met een wraakzuchtig lachje om haar mondhoeken vulde Lianne de emmer zodanig dat ze hem nog makkelijk kon tillen en verstopte die achter het douchegordijn.

Als ze even de kans kreeg, zette ze het hem betaald!

Ze trok de jurk aan en merkte tot haar schrik dat er een ingenaaide push-up bh in zat, die haar borsten zo hoog opduwde dat ze er bijna uitvielen. Maar ja, wat moest ze? Het was óf deze jurk, óf die vieze, stinkende troep weer aantrekken.

Ze klikte de badkamerdeur van het slot en liep in vol ornaat de kamer in. Drie paar ogen draaiden zich naar haar om.

“Wouw,” zeiden de twee mannen allebei tegelijk en ze floten bewonderend.

“Staat je goed, zeg,” vond Rozemarijn. “Je hebt er precies de taille voor. Nu die pruik er nog bij op en je kunt zo voor de Dogaressa doorgaan.”

Lianne liep naar de hoge spiegel die op een kastdeur zat en staarde stomverbaasd naar de elegante vrouw die haar vrolijk lachend aankeek. Ze moest alleen haar haren nog kammen.

“Hè verdraaid, mijn oorbel is weg.”

“Had je twee van die hartjes?” vroeg Frank. “Ik dacht nog wel dat je er heel hip maar eentje droeg.”

“Nee, ik had er heus twee. Maar eigenlijk is er niet zoveel aan verloren. Het waren krijgertjes.”

“Ik ga me even scheren,” kondigde Frank aan en hij liep met een stapel kleren onder zijn arm de badkamer in.

“Zonde,” zei Rozemarijn. “Waren ze duur?”

“Geen idee. Ik heb ze ooit van mijn ex voor mijn verjaardag gekregen. Ik droeg ze alleen nog maar omdat ik ze leuk vond. Maar eigenlijk vind ik goud stukken makkelijker dan zilver. Dat hoefje niet te poetsen.”

Ze haakte het andere zilveren hartje voorzichtig uit haar oor en mikte het met een grote boog de prullenbak in.

Het voelde goed. Alsof er ineens een periode werd afgesloten. Het was vanaf nu afgelopen met dat stiekeme gedroom dat Arjan ooit spijt zou krijgen van zijn beslissing om haar twee maanden voor hun bruiloft als een stinkende zak vuilnis te dumpen. Verdraaid, had ze nou echt gedacht dat hij weer bij haar terug zou komen?

Hele verhalen had ze om die geweldige gebeurtenis heen gefantaseerd. Arjan zou op zijn knieën voor haar neervallen en met tranen in zijn ogen gesmoord bekennen dat hij haar zo gemist had. “Ik verlang naar je, Lianne. Wil je alsjeblieft alsnog met me trouwen?” En dan zou zij zielsgelukkig in zijn armen kruipen en fluisteren dat ze zijn oorbelletjes al die lange maanden gekoesterd had.

Ze schudde haar natte haren met een woeste beweging naar achter. Over en uit. Arjan was definitief verleden tijd. En die pijnlijke maanden van heen en weer slingeren tussen hoop en verdriet, waren vanaf nu voorgoed vergeten.

De badkamerdeur ging open en Frank stapte naar buiten. Hij droeg een donkerblauw pilotenuniform met vier smalle gouden strepen op zijn mouw.

Captain Frank Meier.

“Ik moet ervandoor,” kondigde Frank aan. Hij boog zich naar Wouter en begon een technisch praatje over het weer.

Lianne trok haar rokken op, glipte achter hem langs naar de badkamer, pakte de volle emmer achter het douchegordijn vandaan en sloop op haar tenen terug.

“Captain Frank Meier!” riep ze keihard.

Frank draaide zich verbaasd om. Lianne haalde uit en smeet de volle emmer water pardoes over hem heen. De nattigheid spatte alle kanten op en Frank sprong van schrik naar achteren. Maar het kwaad was al geschied, het water droop hem van zijn donkerblauwe pet.

“Dat had je nog van me te goed.” Lianne zuchtte voldaan, zette de lege emmer neer en wachtte met over elkaar geslagen armen op zijn reactie.

“Ik moet zo vliegen,” stotterde Frank ontzet. “Ik ben kletsnat!”

“Ach, kom nou.” Lianne deed haar best om zijn donkere mannenstem te imiteren. “Dat beetje water droogt wel weer. Het is hoogzomer.”

“Die zit,” riep Wouter lachend. “Dames en heren. De stand is één – één.”

“Maar ik heb maar één uniform bij me,” klaagde Frank en zijn gezicht sloeg op zwaar weer. “Ik kan toch zo de cockpit niet in?”

“Ze hadden hier beneden toch nog een clownspak hangen?” vroeg Lianne liefjes. “Dan trek je dat toch aan?”

Wouter en Rozemarijn hadden het niet meer. “Ladies and gentlemen, de stand is twee – één!” proestte Rozemarijn.

Frank staarde Lianne met open mond aan en er trok een bewonderende glans over zijn gezicht. “Je bent me d’r eentje,” zei hij met een wrang lachje en hij liet er bijna fluisterend op volgen: “Je ziet er ook nog helemaal te gek uit, weet je dat?”

Vervolgens griste hij een handdoek van het bed en begon verwoed zijn uniform te deppen. Maar dat hielp niet veel en hij staakte zijn vergeefse pogingen al snel.

“Leveren jullie de sleutel voor me in?” vroeg hij zuchtend. “Ik moet echt weg.” Hij keek Lianne aan. “Maar ik ben over een paar dagen weer terug. Reken erop dat ik revanche neem.”

Lianne hield haar hoofd een beetje schuin en keek hem uitdagend aan. “Je komt maar op,” zei ze strijdlustig. “Ik lust je rauw.”

Frank maakte een speelse buiging. “Daar hou ik je aan, edele jonkvrouw.” Hij greep zijn bagage en haastte zich de kamer uit. “Happy landing, captain,” riep Lianne hem plagend na.

∗

Ze ruimden met hun drieën nagrinnikend Franks hotelkamer keurig op.

“Waarom noemen ze Frank eigenlijk Casanova?” vroeg Lianne.

“Val je op hem?” kwam