Main [NL] 2001 - Xandra

[NL] 2001 - Xandra

0 / 0
How much do you like this book?
What’s the quality of the file?
Download the book for quality assessment
What’s the quality of the downloaded files?
Year:
2001
Language:
dutch
File:
EPUB, 167 KB
Download (epub, 167 KB)
0 comments
 

To post a review, please sign in or sign up
You can write a book review and share your experiences. Other readers will always be interested in your opinion of the books you've read. Whether you've loved the book or not, if you give your honest and detailed thoughts then people will find new books that are right for them.
1

Jasmijn

Language:
english
File:
EPUB, 199 KB
0 / 0
2

Amber Wilkins 2 - Een nieuwe toekomst

Year:
2008
Language:
dutch
File:
EPUB, 173 KB
0 / 0
Anita Verkerk

Xandra





2001

Xandra de Vries, een jonge aantrekkelijke vrouw, verliest al vroeg haar man; hun zoontje justin is net geboren. zij redt het alleen, maar na verloop van tijd begint zij een relatie met Steven Vandermeer, en hun verhouding wordt steeds inniger. Xandra, die filiaalhoudster van een kleine bank in Soest is, krijgt opeens te horen dat het kantoor wordt gesloten. Een nieuwe baan in Groningen lijkt weinig aanlokkelijk. Als zij Steven – die in een juwelierszaak van zijn vader werkt – opzoekt om bij hem haar beklag te doen, vindt daar een overval plaats met fatale gevolgen voor Stevens moeder. Deze gebeurtenis is het sein voor een serie verwikkelingen, waarbij de relatie tussen Xandra en Steven zwaar onder druk komt te staan.





1


“Groningen?” vroeg Xandra de Vries en er lag een verschrikte klank in haar stem. “U wilt me toch niet naar Groningen sturen?”

Haar chef aan de lage tafel tegenover haar knikte opgewekt. “Natuurlijk,” zei hij, “een prima plek. Een mooie promotie.” Hij kuchte langzaam en voegde er nog aan toe: “En verdiend, mevrouw De Vries. U hebt dit filiaal uitstekend geleid.”

Xandra snoof onhoorbaar. Directeur Hoogendoorn kon het altijd zo mooi zeggen. Een promotie noemde hij dit; terwijl ze in feite gewoon de zak kreeg. Want daar kwamen zijn mooie woorden op neer. Dit bankfiliaal, dat ze al jaren met veel plezier runde, werd zonder pardon gesloten. Ondanks het goede kwartaal dat ze hadden gedraaid.

En zij kon naar Groningen vertrekken.

Ze snoof opnieuw. Ze had waarschijnlijk nog geluk. Hoogendoorn had niks over haar twee medewerkers gezegd. Stonden die vanaf volgende maand gewoon op straat? Zonder op hem te letten, schudde ze haar hoofd.

Een mooie promotie…

Dit was weer typisch Hoogendoorn. Die man was een manipulator in hart en nieren. Het was haar al vaker opgevallen dat hij zelfs de meest vervelende vergaderingen met wat simpele gebaren naar zijn hand kon zetten.

Maar dan was hij bij haar mooi aan het verkeerde adres. Zij trapte heus niet in zijn fraaie kle; tspraatjes. Het was toch belachelijk!

“Het is je reinste onzin om dit filiaal te sluiten,” zei Xandra fel. “Onze bank maakt miljoenen winst. Is het dan nooit genoeg?”

Ze keek Hoogendoorn boos aan en zag hoe hij een wenkbrauw optrok. Daarna streek hij in een automatisch gebaar over zijn kruintje. Het was duidelijk dat hij elke ochtend fanatiek probeerde om het oprukkende kale plekje met zoveel mogelijk overgebleven haar te bedekken, maar dat lukte niet best meer. Binnen een jaar zou er van de nu nog energiek ogende zakenman weinig meer over zijn. Een kale, doorgerookte veertiger met een uitgezakte bierbuik en een dagelijks toenemende kans op een fataal hartinfarct.

Maar daar had ze nu natuurlijk niets aan, dacht Xandra wrang. Op dit moment was haar directeur nog springlevend en ze kon waarschijnlijk hoog en laag springen wat ze wou…het zou haar weinig helpen.

Ze zag hem zijn mond opendoen om iets terug te zeggen, maar ze gaf hem geen kans. “Ik ga absoluut niet naar Groningen. Ik pieker er niet over.”

“U bent een goede kracht, mevrouw De Vries,” ging Hoogendoorn soepeitjes in de tegenaanval. “Op onze laatste stafvergadering hebben we over uw capaciteiten gesproken en we waren het unaniem eens. U bent…”

“Ik ben een fantastische medewerker,” maakte Xandra de zin voor hem af, “en bij uitstek geschikt om in een of andere Groningse negorij carrière te maken.” Ze probeerde de cynische ondertoon in haar stem nog te verbergen, maar dat lukte niet.

Hoogendoorn keek haar onderzoekend aan en ze zag hem vaagjes glimlachen om haar uitval. Wat zou hij nou van haar denken? Vast dat ze zo sacherijnig deed, omdat ze ongesteld moest worden. Dat soort idiote ideeën scheen bij veel mannen populair te zijn.

Ze had zin om hem eens goed de waarheid te zeggen, maar daar zag ze op het nippertje toch maar van af. Dit was niet zomaar een man. Dit was haar chef.

“Uw nieuwe post is in de stad zelf, mevrouw De Vries. Midden in het centrum.”

Xandra’s militante stemming sloeg onverwacht om. Van het ene moment op het andere voelde ze zich doodmoe. Wat zeurde die vent ook? Ze werkte hard. Kon hij haar niet gewoon met rust laten?

“Ik voel niets voor de grote stad, meneer Hoogendoorn. Al die herrie en die stank.” Het kwam er zuchtend uit.

De directeur stond op. “Ik hou mijn aanbod nog even open,” zei hij luchtig, “en ik zal eens rondvragen of er op een van onze regiokantoren iets geschikts vrij komt. Maar deze tent gaat definitief dicht, mevrouw. En daar kunnen u of ik…” Hij stopte even met praten en keek haar indringend aan. Het was even heel stil in het kantoortje van het kleine bankfiliaal. “En daar kunnen wij niets aan veranderen,” maakte Hoogendoorn de zin af.

Xandra knikte langzaam. “Dat had ik al begrepen,” antwoordde ze zacht.

Hoogendoorn stak zijn hand naar haar uit. “Ik ga ervan uit dat u uw ondergeschikten op de hoogte brengt?” zei hij op een toon alsof de zaak hem al niet meer aanging.

“Natuurlijk doe ik dat,” antwoordde Xandra, “maar eh…moeten die ook naar het hoge noorden?”

“Nee,” zei Hoogendoorn tot haar schrik, “die worden overgeplaatst naar het hoofdkantoor aan de Van Weedestraat.”

“Ja, maar…Waarom moet ik dan naar Groningen?”

Ze stak eindelijk haar hand naar hem uit en terwijl hij die ferm drukte, zei hij met een lichte grijns: “Maar mevrouw De Vries, u wilt toch niet als baliemedewerker aan de slag? U bent hier de baas.” Hij liet haar los en ze zag zijn ogen in een ondeelbaar moment goedkeurend over haar welgevormde lichaam flitsen. “De bazin, bedoel ik,” verbeterde hij zichzelf.

Hij draaide zich op zijn hakken om, mompelde een korte groet en verdween door de zijdeur.

Xandra keek hem zuchtend na. Groningen. Ze streek vermoeid over haar ogen en zuchtte opnieuw. Daarna stond ze op en liep naar het piepkleine keukentje helemaal achter in het bankgebouw. Eerst maar eens koffie, daar zou haar beginnende hoofdpijn misschien van overgaan. Alhoewel. Als die Hoogendoorn inderdaad gedacht had, dat ze zo fel deed vanwege maandelijkse problemen, dan had hij niet eens zo erg ongelijk. Ze had last van PMS en niet zo’n klein beetje ook. Meestal kon ze met behulp van extra vitaminepillen en gezond eten de zaak nog een beetje in balans houden, maar in dit soort gevallen, als ze zich opwond, werd het erger. Dan kreeg ze hoofdpijn en voelde ze zich een totaal andere Xandra. Een Xandra die in haar gedachten ijskoude gieters water over de hoofden van lastige klanten uitstortte. Of de brandblusser in hun gezichten leegspoot.

Ze glimlachte onwillekeurig. Hoewel de drang soms erg sterk was, had ze zich tot nu toe altijd weten in te houden. Ze was vriendelijk en beleefd tegen haar klanten geweest, zelfs toen de hond van meneer Jonassen op amper een meter afstand van de balie een stinkende hoop had gedaan. Terwijl zij die man al minstens honderd keer had verteld dat honden buiten moesten blijven.

Ze voelde zich vaak zó beroerd en dan ging ze toch naar haar werk. Het kwam niet in haar op zich ziek te melden.

Ze dacht terug aan al die keren dat ze met een zeurende hoofdpijn achter de balie had gestaan en de glimlach bevroor op haar gezicht. Ze sloofde zich zó uit voor de zaak. Ze werkte kei- en keihard en nu was dit haar beloning.

Afgeserveerd. Alsof ze een zak rotte aardappels was.

Ze nam een kop koffie, maar daar knapte ze niet van op. De onrust in haar lichaam nam toe. Het was niet eerlijk. Die bank maakte miljoenen winst, maar ze hadden nooit genoeg. Hoe moest dat nu met de oudere klanten? Er waren er erg veel die moeite hadden met het bedienen van de geldautomaat. Die liever binnen geld kwamen halen, omdat daar meteen een praatje aan vast zat en ze dan bovendien die ellendige pincode niet hoefden te onthouden.

“De klanten die persoonlijk contact willen, zijn welkom in het hoofdkantoor,” had Hoogendoorn glimlachend gezegd.

Ach, die man wist niet waar hij over praatte. Kende hij mevrouw Jelgerson, die met haar looprekje maar een klein stukje lopen kon? Dat mensje haalde het hoofdkantoor niet.

En meneer Van Dam, ook slecht ter been, was bang op straat. “Als ik buiten geld uit zo’n muur haal, heb ik het idee dat alle boeven over mijn schouders mee staan te kijken,” zei hij vaak.

De man had gelijk. Voor ouderen was zo’n automaat niet bepaald comfortabel. Voor jongeren trouwens ook niet. Berovingen waren aan de orde van de dag. Zelfs in het rustige Soest.

Xandra zette haar lege kopje met een klap in de gootsteen.

“Ze kunnen voor mij allemaal de pot op,” zei ze hardop, “ik ga naar huis.”

Ze haalde haar blazer van de stoel in het kantoortje en liep met heftige passen naar de ruimte waar de balie voor de klanten was.

Daar zaten haar twee medewerkers, Hans van Orven en Tony Glied, achter hun computers ijverig cijfers in te typen. Ze waren allebei piepjong en werkten nog niet zo heel lang bij de bank.

Omdat er geen klanten waren, besloot Xandra om maar gelijk met de deur in huis te vallen: “De grote baas heeft me net gezegd, dat jullie worden overgeplaatst naar de Van Weedestraat.”

Van Orven en Glied keken allebei tegelijk op en hun reactie kwam ook precies synchroon. “De Van Weedestraat?”

Als ze niet zo’n hoofdpijn had gehad, zou Xandra de humor van de situatie nog wel hebben ingezien, maar nu kon er geen lachje bij haar af.

“Vanaf volgende maand gaat de boel hier dicht.”

“Dicht?”

“Ja, we hebben het blijkbaar zo goed gedaan dat ze ons wel kunnen missen,” zei ze cynisch. Ze wilde er nog iets aan toevoegen, maar op dat moment ging er een belletje. Het was een klant, die naar binnen wilde.

In een automatisch gebaar drukte Xandra op het knopje om de deur te openen en in de vijf tellen die de man nodig had om naar binnen te lopen, zei Xandra: “Ik barst van de hoofdpijn en ik ga nu naar huis. Als er wat is, kunnen jullie me mobiel bereiken. Tot morgen.”

Ze zwaaide kort, knikte met een gemaakt lachje naar de klant en stapte het vertrek weer uit.

De twee mannen keken haar even verbaasd na. Hun cheffin had er blijkbaar niet veel zin in vanmorgen. En nu ging ze naar huis. Ze moest wel behoorlijk overstuur zijn geraakt van de boodschap van de grote baas.

“Mooi shit,” mompelde Hans van Orven, terwijl hij opstond om de binnenkomer te gaan helpen. “De tent hier dicht.”

“Stevig balen,” beaamde zijn collega, al even zachtjes, “en dat gastje van het hoofdkantoor is een regelrechte zeikerd. Ik heb er weinig trek in om daarheen te gaan.”

Hans van Orven knikte wat zuurtjes. Daarna trok hij zijn gezicht in een beroepsmatige plooi, draaide zich naar de klant om en vroeg in keurig Nederlands: “Goedemorgen, meneer Zuilen. Wat kan ik voor u doen?”



Intussen liep Xandra naar buiten. Ze had de getailleerde blazer van haar elegante mantelpakje dichtgeknoopt, zodat haar mooie vrouwelijk ronde vormen extra benadrukt werden.

De stratenmakers die aan de overkant van de weg op hun knieën de stoep van nieuwe tegels voorzagen, stopten direct met hun saaie werkzaamheden. Als één man rechtten ze hun ruggen en floten naar haar.

Xandra keek opzij en lachte. Een verleidelijke, parelende lach. Dit was niet de eerste keer dat mannen haar nafloten. Ze was kortgeleden dertig jaar geworden en nog steeds een mooie vrouw.

In een uitdagend gebaar schudde ze haar prachtige kastanjebruine krullen naar achter en zette er daarna met soepele bewegingen de pas in.

De mannen riepen haar iets na, en hoewel Xandra hun woorden niet precies kon verstaan, was de strekking overduidelijk. Ze vonden haar een geweldig lekker ding.

Xandra grinnikte. Die stratenmakers hadden haar humeur in één klap met stukken opgewaardeerd. En eigenlijk was dat raar. Want meestal ergerde ze zich behoorlijk als er weer zo’n malloot stond te fluiten. Waarom nu dan niet? Omdat ze na dat rottige gesprek met Hoogendoorn het gevoel had gekregen dat ze overbodig was? Dat niemand op haar zat te wachten?

Deze mannen lieten haar tenminste merken, dat ze er wel degelijk mocht zijn.

De uitdagende lach verbleekte langzaam op haar gezicht en er kwam een trieste glans in haar felgroene ogen. Het was zo jammer van haar baan. Waarom moest dit nou weer? Ze had hard gewerkt om dit filiaal op poten te krijgen en nu was alles voor niks. In feite stond ze op straat. Want naar Groningen verhuizen was echt geen reële optie voor haar. Ze had te veel banden met Soest. Ze was hier geboren en getogen.

En daar, aan de rand van een paadje op de Eng, had Jorg haar voor het eerst gekust.

Haar ogen werden leeg. Amper twee jaar later was Jorg op bijna dezelfde plek begraven. Op het kleine kerkhof aan de Veldweg, dat misschien vijftig meter verder lag.

Er ging een rilling door Xandra heen, zoals altijd wanneer ze aan Jorg dacht. Hij was haar grote liefde geweest en ze had het echt de mooiste dag van haar leven gevonden, toen ze waren getrouwd. Veel te jong volgens haar tante Herma, bij wie ze na de vroege dood van haar ouders was opgegroeid.

“Je bent amper eenentwintig, kind. Wil je nu al trouwen?” had tante gezegd. “Jullie hebben alle tijd van de wereld.”

Tijd. Xandra onderdrukte een zucht. Veel tijd was haar en Jorg niet vergund geweest. Hooguit twee jaar van geluk hadden ze gekend. Ze streek met haar linkerhand een traan weg die volkomen onverwacht over haar wang gleed.

Eerst was er dat bijna totale geluk geweest, de volmaakte liefde tussen Jorg en haar, die bekroond werd met een baby’tje: Justin.

Jorg was zo trots op zijn zoon. Hij rende vrijwel meteen na de geboorte naar de sportwinkel en kwam terug met een joggingpak en een voetbal. Er gleed een vage glimlach over haar gezicht. Het pakje was natuurlijk maten te groot en met de voetbal wist de pasgeborene ook nog geen raad.

Twee weken daarna stond er een agent op haar stoep. Jorg was die dag voor het eerst weer aan het werk gegaan. Op de motor naar Amsterdam.

“Ik zal jullie zo missen,” had hij bij het afscheid gezegd, “ik heb helemaal geen zin om weg te gaan.”

“Ach, het is maar voor een paar uurtjes,” troostte Xandra, “je bent immers om vijf uur alweer terug.”

Ze herinnerde zich hun laatste kus. Liefde, passie, geluk, het zat er allemaal in.

“Ik vlieg op weduwschap,” hoorde ze zijn stem in haar hoofd nog zeggen. “Ik kom zo gauw mogelijk bij jullie terug.”

Was hij daarom onder die bus gereden? Omdat hij zo’n haast had om weer bij zijn gezinnetje te zijn? Ze zou het nooit weten.

Ze had hem ook niet meer teruggezien. Haar trouwring wel, zwartgeblakerd en de resten van zijn stoere leren jack, dat hem altijd zo fantastisch mannelijk stond.

“Het is beter van niet, mevrouw, de motor is precies onder het chassis van die bus geschoven en daarna in brand gevlogen.”

Met Jorg daar ergens onder als een rat in de val. Zijn lieve gezicht, zijn prachtige lichaam, het was er niet meer. Er was niets meer van over.

Er klonk een luid getoeter naast haar en Xandra sprong geschrokken opzij. Ze was zo in haar trieste gedachten opgegaan, dat ze alles om zich heen vergeten had.

Ze keek de voortrazende auto wat wazig na en daarna vroeg ze zich drie lange tellen af, waar ze nu eigenlijk was.

Liep ze heus op de Dalweg? Maar hoe had ze dat nou voor elkaar gekregen? Haar flat was de compleet andere kant op. Of had ze onbewust behoefte aan steun? Een sterke mannenarm om haar schouder en een stem die in haar oor fluisterde dat het allemaal wel mee zou vallen?

Steven.

De Dalweg was de kortste route naar de winkel van Steven.

Xandra had het na Jorgs dood jaren zonder man gedaan. Ze had geen enkele behoefte gevoeld om ooit nog gelukkig te worden. Als een robot zorgde ze voor haar zoontje Justin en toen die naar school mocht, had ze haar eigen leven weer opgepikt en een baan gezocht in de bankwereld.

Er waren genoeg mannen geweest, die het hadden geprobeerd. Ze was een mooie vrouw en zelfs in haar sombere zwarte rouwkleding zag ze er uit als een topmodel op een showdag.

Xandra had de mannelijke belangstelling altijd afgewimpeld. Mannen…Bah! Ze wilde Jorg.

Steven leek op Jorg. Steven was rustig en het was bijna onmogelijk om hem uit zijn evenwicht te brengen. Steven was een rots in de branding. Hij had brede schouders en gespierde armen, waar je hoofd zo heerlijk ontspannen tegen leunen kon. Steven kon haar vast van haar ellendige gevoel afhelpen.

Dus zette Xandra er, voorzover dat mogelijk was op hoge hakken, stevig de pas in.

Een minuut of vijf later kwam ze in de winkelstraat, waar op dit uur van de dag nog niet veel te doen was. Er liepen wat huisvrouwen met volle boodschappentassen en een gehaaste zakenman probeerde in een ijltempo de trein nog te halen. Xandra zag de bomen van de overweg naar beneden gaan en gaf de draver weinig kans.

De pui van Stevens juwelierszaak doemde al snel voor haar op en zoals altijd bleef Xandra even buiten staan om de etalage te bewonderen.

Het zag er prachtig uit.

Gouden chokers gezet met diamant, smaakvol gedrapeerd tegen een zwartfluwelen achter grond, werden geflankeerd door zilveren geboortehangertjes waar de naam van de nieuwe wereldburger in kon worden gegraveerd. Daarnaast diverse kostbare parelsnoeren op een vachtje van rood fluweel en natuurlijk een scala aan gouden ringen, al dan niet gezet met een flonkerende briljant of een andere fraaie edelsteen. Er waren gouden armbanden van allerlei afmetingen met bijpassende oorstekers en een collectie horloges waar de meeste mensen het water van in de mond liep.

De etalage van een juwelierszaak had op Xandra dezelfde uitwerking als de vitrine van de banketbakker. Ze werd er hongerig van. En ongelofelijk hebberig. Ze had wel eens horen zeggen dat elke vrouw compleet doordraait bij het zien van een mooie diamant en ze moest toegeven dat er wat haar betrof een kern van waarheid in de uitspraak zat. Steven had haar een ring gegeven. Een verlovingsring met een schitterende briljant.

Als ze het sieraad tegen het licht in bewoog, flonkerden er duizenden kleine sterretjes aan haar vinger. Een fascinerend gezicht, waar ze geen genoeg van kon krijgen. En na de ring had ze oorstekertjes gekregen uit dezelfde kostbare serie. Ze was er dolgelukkig mee, maar tegelijkertijd voelde ze zich vaag ontevreden. Ze snapte het zelf niet, maar het was een feit. Hoe meer juwelen ze kreeg, des te meer wilde ze er nog bij hebben.

Xandra draaide zich met een kordate ruk van de kostbare verleidingen weg en stapte de zaak binnen. Steven stond achter de kleine, bruinhouten toonbank, maar hij was niet alleen. Er was een klant in de winkel. Een bejaarde dame van een jaar of zestig met witte haren in een ouderwets netje. Ze was druk in gesprek met Steven en het was duidelijk dat al hun aandacht gericht was op een fonkelend collier, dat voor hen op de toonbank lag.

Steven keek daarom amper op toen Xandra binnenkwam, maar begroette haar automatisch met een zakelijk: “Goedemorgen, mevrouw.”

“Goedemorgen, meneer,” zei ze plagerig terug en Stevens stomverbaasde blik was haar beloning.

“Xandra? Wat doe jij nou hier? Is er iets?”

Xandra haalde vaag haar schouders op en knikte in de richting van de klant. Steven begreep dat ze in het bijzijn van de oude dame niets wilde zeggen en antwoordde met een uitnodigend handgebaar in de richting van de trap: “Moeke heeft vast de koffie wel bruin.”

“Ik wacht wel even,” zei Xandra met een lachje, “er is genoeg te zien.”

“Zoals je wilt,” antwoordde hij en daarna boog hij zich weer naar het glinsterende collier op de toonbank.

“Nogmaals, mevrouw,” vervolgde hij zijn verhaal tegen de dame, “bij diamant gaan we uit van het gewicht. En één karaat is precies 0,2 gram.”

De vrouw antwoordde iets wat Xandra niet kon verstaan, maar blijkbaar had ze het begrepen, want Steven begon nu een heel betoog over kleurgradering en slijpvormen.

Xandra boog zich met een glimlach over een staande vitrine waarover een sprankelend schone glasplaat was gelegd.

Wat een weelde!

Flonkerende edelstenen in omhulsels van glanzend goud. Bicolor kettingen, broches, oorknopjes…

Haar blik stopte bij een geelgouden hanger met een sprankelend groene smaragd. Ze hield even haar adem in. Wat een prachtige steen! Exact dezelfde kleur als haar ogen. Die zou schitterend uitkomen aan een dun gouden kettinkje om haar hals.

Ze keek naar het prijskaartje en schudde zachtjes haar hoofd. Echte juwelen waren duur. Logisch natuurlijk, maar wel jammer. Ze verdiende niet slecht en haar inkomen was ruim voldoende om samen met Justin redelijk riant van te leven.

Maar wat zou het heerlijk zijn om geld als water te hebben. Om een juwelierszaak binnen te kunnen stappen en simpel aan te wijzen wat je mooi vond.

Pakt u die witgouden choker maar voor me in en dat platina armbandje mag er ook wel bij. Dat kleurt heel aardig bij mijn schoenen.

Xandra moest zelf om haar gedachten lachen. Dat zij als rationele en intelligente vrouw zó weg kon dromen bij wat simpele opsmuk. Maar toch was het eeuwig zonde, dat goud zo duur was. Zilver was heel wat beter betaalbaar, maarja.

Xandra hield niet van zilver. Dat werd gauw lelijk zwart in het gebruik en dan moest je het poetsen. Natuurlijk was het ouderwetse gedoe met een dot katoen en een bus poetsmiddel inmiddels behoorlijk uit de tijd geraakt. Er waren nu van die kant-en-klare doekjes en een speciale vloeistof waar je je ketting even in kon leggen. Maar toch, witgoud en platina hadden dat soort problemen niet.

Xandra wilde net omhoog komen uit haar gebukte houding om de ernaast staande vitrine te gaan bewonderen, toen de hel losbrak. Met een daverende klap sloeg de winkelruit in stukken en viel in duizenden twinkelende scherven op de groene vloerbedekking uit elkaar. Op bijna hetzelfde moment vloog de deur open en in een waas van splinters rende een donkere gestalte naar binnen. In een bruine handschoen blonk metaal.

Xandra had heel even het gevoel dat ze naar de televisie zat te kijken. Een goedkoop realityprogramma van zo’n populaire reclamezender. Zo’n uitzending waarbij je met een zak borrelnoten en een glas wijn onderuitgezakt op de bank hangt.

Er rende een tweede gemaskerde figuur naar binnen en ook die had een revolver. In zijn linkerhand, dat zag Xandra duidelijk.

Het rondje van de loop draaide dreigend in haar richting. “Liggen!” schreeuwde een vreemd vervormde stem. “Allemaal liggen.”

In een flits dook ze naar de grond en zocht een veilig heenkomen achter de houten standaard van de vitrine. Het was een smal plekje, maar het moest maar. Ze voelde hoe haar hart heftig in haar keel klopte en ze kreeg een felle kramp in haar maag. Ze realiseerde zich met een rillerige schok dat de werkelijkheid een stuk anders was dan de film. Dit was niet leuk meer.

Een overval.

Als Steven nou maar zou doen wat ze zeiden! Straks schoten ze hem dood voor een paar rotcenten.

Er klonk een klap vlak boven haar hoofd en Xandra kromp nog verder in elkaar. Op nog geen tien centimeter naast haar verscheen ineens een schoen in haar blikveld. Een suède bruine pump met een vage hak. Een vrouwenschoen?

Had je tegenwoordig ook al vrouwelijke overvallers? Of was dit zo’n verwijfd type dat er graag ‘modern’ bijliep?

“Je bent een brave meid,” zei een blikkerige stem boven haar, “als je zo blijft zitten, overkomt je niks.”

Ze wilde haar hoofd optillen in een natuurlijke reactie om de spreker aan te kijken, maar een ruwe hand op haar haren duwde haar terug in haar onderdanige positie.

“Stil zitten,” herhaalde de stem knarsend, “dan ben je braaf.”

Ondanks haar angst voelde Xandra een vage ergernis opkomen. Die vent deed net of ze een hond was, die in haar mandje moest. Of was het geen vent? Maar het klonk ook niet als een vrouwenstem. Het was zo’n raar metalig geluid. Ze hadden vast iets met een microfoontje in elkaar geknutseld. Er zat een stemvervormer in dat masker.

Intussen werd de vitrine boven haar hoofd vakkundig leeggehaald en Xandra hoorde de sieraden op elkaar vallen. Ze draaide haar hoofd schuin en zag dat de overvaller een zak in zijn hand hield. Van een zwarte fluwelen stof.

“Neer, zeg ik je!” snauwde de robotstem en ze kreeg nu een flinke tik tegen haar hoofd.

“Au,” zei ze verontwaardigd, maar haar stem ging verloren in een ongelofelijke knal. Een schot.

Ze schoten!

Er klonk een gil uit de richting van de toonbank en Xandra voelde hoe een machteloze woede in haar boven kwam. Wat gebeurde daar? Was alles goed met Steven?

Steven was er de man niet naar om zich als oud vuil te laten behandelen. “Ik houd niet van opzitten en pootjes geven,” dat had ze hem vaak genoeg horen zeggen.

“O Steven,” fluisterde ze, “Steven, doe het dan voor mij. Ik heb al een man verloren. Ik kan jou niet óók nog missen.”

Maar ze besefte natuurlijk best dat Steven haar niet kon horen.

Ze bleef nog heel even doodstil zitten, maar de bruine pumps waren uit haar directe zicht verdwenen en het geluid van brekend glas maakte haar duidelijk dat de overvaller nu minstens drie meter verder bezig was met de vitrine naast de etalage. En vandaaruit kon hij haar niet meer zien.

Ze had al die tijd op haar hurken gezeten, maar nu zakte ze zo voorzichtig mogelijk op haar knieën om wat meer bewegingsvrijheid te krijgen. Zodra ze haar trillende lichaam wat meer in balans had, keek ze voorzichtig om de standaard heen.

De oude dame lag voorover op de grond voor de toonbank. Het grijze haarnetje hing als een vreemd sliertje tussen de verwarde, witte haren. Haar ogen stonden vreemd leeg, maar Xandra zag haar borst als een razende op en neer gaan en ze haalde even opgelucht adem. Die mevrouw was flink overstuur, maar in elk geval leefde ze nog en er was in haar buurt nergens bloed te zien.

Maar waar was Steven? Geen spoor van Steven.

Ze hadden hem toch niet neergeschoten?

“Stel je niet aan,” mompelde Xandra heftig rillend tegen zichzelf. Steven kon zich heus goed redden. Hij was vast op het juiste moment achter de toonbank weggedoken en terwijl hij dat deed, had hij ongetwijfeld de alarmknop nog ingedrukt.

Het was alleen maar een kwestie van tijd voor de politie op zou dagen. Hoorde ze nog geen sirenes aankomen?

Ze spitste haar oren, maar kon geen geluiden van naderende hulptroepen onderscheiden.

Er verscheen weer een overvaller in haar blikveld. Hij bleef wijdbeens midden in de winkel staan en Xandra zag dat hij een groen attachékoffertje onder zijn arm droeg.

De zichtzending! Dat was vast de zichtzending met diamanten die net aangekomen was. Steven had er gisteren behoorlijk opgewonden over verteld. Een of andere excentrieke klant had een diamanten collier besteld, dat speciaal gemaakt moest worden. En hij wilde de stenen eerst per se zelf uitzoeken.

Hadden ze dat geweten, die rotzakken? Er zat voor miljoenen in dat koffertje.

Er klonk gerommel op de trap die van de winkel naar het bovengelegen woonhuis voerde. Xandra’s keel kromp opnieuw samen. Er kwam iemand aan. Stevens vader waarschijnlijk. Die was ook diamantair en hij was degene die deze winkel jaren geleden was gestart. En hoewel Steven volop bezig was om de zaak geleidelijk aan over te nemen, stond de firma officieel nog op zijn vaders naam.

Xandra’s eerste neiging was omhoogspringen om haar aanstaande schoonvader te waarschuwen, maar ze durfde niet goed.

Op dat moment hoorde ze een vrouwenstem wat neuzelig zeggen: “Wat is er aan de hand, Steven? Heb je extra hulp nodig?”

Het was Stevens moeder.

“Kijk uit!” schreeuwde Xandra keihard en ze kwam omhoog om haar woorden kracht bij te zetten. “Ga weg! Er is een overval!”

Ze kreeg amper de kans haar zin af te maken. De gemaskerde man met de groene koffer draaide zich om en schoot gericht op haar. Terwijl ze wegdook, hoorde ze de kogel vlak achter zich in de houten lambrisering slaan. Suizebollend van de klap bleef ze zitten.

Er klonk opnieuw een hoop lawaai, iemand jammerde en daarna waren er twee schoten kort achter elkaar. Een vrouw gilde. Xandra kon niet zeggen of het de stem van haar aanstaande schoonmoeder was of die van de oude vrouw die daarnet nog stil voor de toonbank op de grond had gelegen. En ze durfde niet meer om het hoekje te kijken. Als versteend bleef ze op haar plekje zitten. Haar hele lichaam trilde van de spanning.

Buiten galmde vaag het geluid van een naderende politiesirene.

“Wegwezen!” riep de blikkerige stem van de overvaller. “Juten!”

Er klonk een nieuwe klap, weer vlak boven haar hoofd. Daarna rennende voetstappen. Een deur sloeg met een dreun dicht. Gebroken glas rinkelde na in de sponning.

Waren ze weg? Was het eindelijk voorbij?

Een gillende sirene vlak voor de deur. En gierende banden. Daar zou je ze hebben. De politie. Zoals altijd te laat.

“Xandra? Xandra? Is alles goed met je?”

Steven.

“O Steven, ik was zo bang dat ze jou…”

“Ik ben oké,” zei Steven kort en zijn heldere blauwe ogen gleden onderzoekend over haar gestalte. “Maar moeke niet. Ze hebben haar gewoon als een hond…”

Hij liep haastig van haar weg in de richting van de trap.

Xandra kwam bibberig overeind en veegde wat verward haar haren uit haar gezicht. Daarna gleden haar ogen door de winkel. De eerst zo keurig opgeruimde zaak was in een compleet slagveld veranderd. Overal versplinterd glas, kapotte vitrines en een vreemd soort rode vlekken.

Ze realiseerde zich met een schok dat het bloed moest zijn. Het zat zelfs op het plafond.

De bejaarde klant die al die tijd voor de toonbank op de grond gelegen had, probeerde juist omhoog te komen. Ze hing nu heftig schokkend tegen de houten voorkant van de balie en deed duidelijk zichtbare pogingen om zich met haar voeten af te zetten.

Xandra’s blik gleed verder. Steven zat op zijn knieën onder aan de trap naast een vormeloze berg, die nog het meest op een zomaar leeggeschudde wasmand leek. Terwijl Xandra zich vaagjes stond af te vragen waar die rommelige hoop kleding ineens vandaan kwam, zwaaide de deur open en er stapten drie politiemannen binnen. Steven schoot direct overeind en liep naar ze toe. Daardoor kreeg Xandra opeens een compleet uitzicht op de berg kleren op de grond. Het was geen vuil wasgoed.

Stevens moeder!

Xandra rende naar haar aanstaande schoonmoeder toe en nu begreep ze pas wat Steven had willen zeggen. Xandra had in haar leven nog nooit een dode gezien, maar hier was geen twijfel mogelijk. Agnes Vandermeer was dood. Een enorme bebloede plek aan de linkerkant van haar lichaam met een vaal schroeirandje langs de rand liet weinig vragen meer over. Ze was van dichtbij neergeschoten. De schoften hadden haar geen enkele kans gegund.

Xandra zakte op haar knieën en ze maakte een vaag gebaar om tenminste het hoofd van de dode vrouw wat prettiger neer te leggen, maar op dat moment zei een autoritaire stem in haar oor: “Niets aanraken, mevrouw. Dat zou het onderzoek verstoren.”

Xandra keek om. Er stond een agent achter haar. Een brede politieman in een keurig uniform.

“Is mevrouw familie van u?” vroeg hij zakelijk.

Xandra schudde haar hoofd. “Nee, tenminste…nog niet. Ze is mijn aanstaande schoonmoeder. Steven en ik gaan over drie maanden trouwen.”

“En Steven is…?”

“Mijn verloofde. Hij staat daar bij de deur.”

De agent knikte instemmend en vroeg: “Was u bij de overval aanwezig?”

“Ja.”

De agent trok een notitieblokje uit zijn zak. “Mag ik u dan wat vragen stellen, of wilt u daar liever even mee wachten?”

Xandra haalde haar schouders op. “Wat heeft het voor zin?” vroeg ze langzaam. “Daar krijgen we moeke niet mee terug.”

“We kunnen proberen een dergelijke ramp in de toekomst te voorkomen,” antwoordde de agent. “Wat is uw naam?”

“Ik heb hoofdpijn,” zei Xandra, “ik wil koffie.”

Ze stond op en draaide de agent resoluut haar rug toe.

“Zoals u wilt, mevrouw,” mompelde de man.

Xandra liep naar Steven, maar die was druk in gesprek met een andere politieman, die een jaar of vijftig moest zijn. Hij had in de verte wat weg van hoofdinspecteur Derrick uit de bekende politieserie.

“Signalement?” hoorde Xandra de agent vragen.

Signalement? Van die overvallers? Nou, dan zou Steven wel snel klaar zijn. Zwarte maskers en suède schoenen.

“De eerste was ongeveer één meter tachtig lang, normaal postuur, blauwe ogen, waarschijnlijk blond haar. Er stak tenminste zo’n blonde krul onder dat masker vandaan.”

Stevens antwoord klonk zakelijk, maar Xandra zag de verdrietige glans in zijn ogen en er ging een steek van ellende door haar heen. Arme Steven, het was zijn moeder die daar als een hoop oud vuil in het hoekje lag.

“Nummer twee was beduidend kleiner, ik denk een meter zeventig. Tenger postuur. Dezelfde blauwe ogen.” Steven stopte even met praten en keek de agent aan. “Verder geen bijzonderheden voorzover ik weet.”

“Die ene had hoge hakken aan,” mengde Xandra zich onverwacht in het gesprek.

De twee mannen draaiden zich verbaasd naar haar om. Ze waren geconcentreerd aan het praten geweest en ze hadden geen van beiden gemerkt dat Xandra bij hen in de buurt was komen staan.

De agent keek Steven kort aan en ze begrepen elkaar zonder woorden. “Mijn verloofde, mevrouw De Vries,” stelde Steven haar voor en hij vervolgde: “Dit is inspecteur Van Laan.”

De inspecteur verspilde verder geen tijd meer aan de plichtplegingen. “Hoge hakken?” vroeg hij.

Xandra knikte. “Ik heb ze verder niet zo goed gezien,” antwoordde ze langzaam en ze wees wat vaag achter zich, “ik zat daar achter die vitrine. Maar toen die vent in mijn buurt kwam, zag ik bruine pumps met een hoog hakje.”

“Een vrouwenschoen.” Het was meer een vaststelling van een feit dan een vraag.

“Het was niet zo heel hoog. Gewoon, zo’n…zo’nhak. Ik dacht nog…” Ze stopte met praten en keek even hulpzoekend naar Steven.

Die stapte bij de inspecteur vandaan en sloeg troostend een arm om haar schouders.

“Wat dacht u nog?” vervolgde de inspecteur alsof hij niets van de korte storing had gemerkt.

“Dat het misschien zo’n verwijfde vent was.”

“En over wie van de twee praten we? De langere of de korte?”

Xandra zuchtte wat ongemakkelijk. “Ik heb geen idee. Ik heb er geloof ik maar eentje gezien. En niet eens goed, want…”

“Want u zat achter die vitrine,” onderbrak de inspecteur haar kort. “En de maat?”

“De maat?”

“De maat van de schoen die u gezien hebt,” herhaalde de inspecteur geduldig.

“O, nou…Eh…achtendertig mischien?” Ze keek hulpzoekend naar Steven, maar die had zijn hoofd half weggedraaid en leek volkomen in zijn eigen gedachten verdiept.

“Achtendertig is een damesmaat,” knikte de inspecteur, “Kijkt u eens naar uw eigen schoenen. Waren ze groter? Of kleiner?”

Xandra keek gehoorzaam naar beneden. “Stukken groter dan die van mij,” mompelde ze langzaam, “maar dit zijn nette schoenen.”

De inspecteur negeerde haar laatste opmerking. “U hebt maat zesendertig?” vroeg hij.

“Ja, hoe weet u dat?”

“Ervaring mevrouw,” zei de inspecteur met een vaag glimlachje en daarna kuchte hij uitvoerig om Stevens aandacht te vangen.

“Wat denkt u, meneer Vandermeer? Kan die overvaller van één meter zeventig een vrouw geweest zijn?”

Steven dacht na. “Ik heb geen idee. Ik ging ervan uit dat het mannen waren. Tenminste, ik heb er verder niet over nagedacht, inspecteur. Ik had eerlijk gezegd iets anders aan mijn hoofd.”

“Begrijpelijk,” knikte de inspecteur.

“Hoeveel schoten hebt u gehoord?” vroeg hij aan Xandra.

“Vier of vijf…of…eigenlijk weet ik het niet goed meer. Het kunnen er ook drie geweest zijn. Nee, eerst één, geloof ik en toen nog een en in elk geval twee kort achter elkaar.”

Ze besefte zelf dat ze een waardeloze getuige was, ze wist niet eens meer hoeveel schoten er te horen waren geweest. Alleen maar dat het harde knallen waren en dat ze hoofdpijn had.

“Misschien wil ik wel een aspirientje en…o Steven! Is je vader thuis?”

“Mijn vader!” reageerde Steven geschrokken. “Die ligt waarschijnlijk nog in bed. Daarom kwam moeke vragen of zij kon helpen.” Zijn blik gleed naar de vormeloze berg onder aan de trap en zijn stem brak.

“We kunnen haar toch niet zomaar laten liggen,” zei Xandra ineens opstandig. “Ze ligt daar zo akelig. Haar hoofd is zo raar gedraaid en toen ik het goed wilde leggen, mocht dat niet van die man.”

“Ik begrijp dat het moeilijk voor u is, mevrouw, maar het is voor het onderzoek van belang dat er even niets wordt veranderd hier. Ze is overleden, dus vervoer naar een ziekenhuis heeft geen enkele zin en…” Hij kuchte en het was duidelijk dat de geharde politieman toch even moeite had met de emotionele situatie. “De technische recherche had er allang moeten zijn, mevrouw. Het spijt me. Ik begrijp echt dat dit heel vervelend voor u is, maar ik kan geen ijzer met handen breken.”

“Kan ik mijn vader gaan waarschuwen?” vroeg Steven. “Straks komt die ineens beneden en valt over moeke heen. Hij ziet niets zonder zijn lenzen.”

De inspecteur maakte een bevestigend gebaar met zijn hand. “Als u overal voorzichtig…,” begon hij.

“Ik ga mee,” zei Xandra kordaat, “ik wil hier niet langer meer zijn. En ik moet een bruistablet en een kop koffie.”

Ze streek over haar ogen en haar resolute houding zakte als een plumpudding weer in elkaar.

Steven trok haar troostend nog dichter tegen zich aan.

“Kom maar,” zei hij, “dan gaan we samen.” Hij keek vragend naar de inspecteur. “Zal ik voor u ook koffie maken?”

“Nee, doet u geen moeite. Ik…ah, daar zijn de jongens van de technische dienst eindelijk.”

Hij knikte kort en liep naar de deur om de twee binnenkomende mannen met hun koffertjes te begroeten.

Steven loodste Xandra voorzichtig door alle troep heen en samen bleven ze onder aan de trap staan.

“Ze was zo lief,” zei Steven met een blik op wat eens zijn moeder was geweest. “Ik kon er niks meer aan doen. Ik hoorde haar aankomen en jij begon te roepen. Toen kwam ik overeind, maar die vent gaf me een klap met dat pistool en ik viel naar achter. Daarna meteen dat schot. Ik was heel bang dat ze jou ook…”

Zijn stem brak alweer af. Xandra sloeg haar arm om zijn middel en draaide zijn hoofd naar zich toe. Haar ogen gleden onderzoekend over zijn gezicht en ze ontdekte de blauwe zwelling vlak onder zijn haarlijn.

“Die schoft,” zei ze heftig, “die vuile schoft. We hadden allemaal wel dood kunnen zijn.”

Ze kroop dicht tegen hem aan en kuste hem voorzichtig op de zere plek. “Ik hou zoveel van je. Ik was zo bang.”

Steven keek met een zijdelingse blik naar zijn bejaarde klant die door een agent op een stoel was gezet en daar zat bij te komen van de emoties. De oude dame bekeek hun gevoos met duidelijke belangstelling en ook de agent die haar verhoorde, had zijn hoofd naar hen toegedraaid.

Steven duwde Xandra voorzichtig van zich af. “Laten we maar naar boven gaan,” zei hij schor. “Dit heeft geen zin zo.”

Er was gelukkig nog wat ruimte over en ze hoefden niet over moeke heen te stappen om op de trap te komen.

Dicht achter elkaar liepen ze naar boven waar het appartement was dat Stevens ouders samen bewoonden. Erboven was nog een verdieping en daar had Steven sinds jaren zijn eigen woonruimte ingericht. Hij woonde bij zijn ouders, maar toch ook weer niet. Meestal ging hij via de verdieping van zijn ouders naar zijn eigen flatje, maar er was ook een trap aan de zijkant van het huis gemaakt, zodat Steven in feite zijn eigen opgang en voordeur had.

Xandra bleef dan ook aarzelend bij de volgende trap staan. “Zal ik boven koffie zetten?”

“Neem deze keuken maar,” zei Steven, “het wordt anders zo’n geloop.”

“Zal ik meegaan naar je vader?”

“Nee, je weet hoe va op dat punt is. Een vrouw in zijn slaapkamer, terwijl hij nog in bed ligt, lijkt me geen goed idee.” Hij haalde diep adem en liep weg.

Xandra keek hem na en hoorde aan de geluiden hoe Steven na een kort klopje de ouderlijke slaapkamer binnenstapte. Er volgde een vaag geroezemoes van stemmen en Xandra beet op haar lip. Dit was afschuwelijk. Afschuwelijk voor die arme Steven, die zijn vader dit afgrijselijke nieuws moest brengen. Maar natuurlijk was het nog veel erger voor Manfred Vandermeer.

Er klonk ineens een ingehouden gil uit de slaapkamer van Stevens ouders. “Nee! Nee, dit is niet waar!”

De felle snik die volgde, maakte Xandra maar al te duidelijk dat Stevens vader volkomen afknapte.

Ze onderdrukte de sterke neiging om naar binnen te rennen en de geschokte man simpelweg in haar armen te nemen. Gewoon zoals je een verdrietig kind zou steunen.

Nee, dat kon ze niet maken, ook al waren de omstandigheden nog zo verschrikkelijk. Stevens vader was een vormelijke man die veel waarde aan decorum hechtte. Hij droeg speciale, voor hem op maat gemaakte driedelige kostuums en Xandra had hem nog nooit anders gezien dan in zo’n duur pak. Als ze nu binnenliep terwijl hij in zijn pyjama zat, zou ze de toestand alleen maar erger maken.

Dus stapte ze naar de keuken en vond een volle pot met versgezette koffie. Moeke moest juist voordat ze naar beneden was gegaan het apparaat nog in werking hebben gesteld.

Heel even wilde Xandra de kan leeggieten in de gootsteen, maar ze deed het niet. Dat zou raar zijn. Moeke had de koffie gemaakt met de bedoeling haar gezinnetje van een ‘lekker bakje’ te voorzien, zoals ze dat altijd noemde. Het gaf geen pas om het nu weg te gooien, omdat zij het gevoel had de vloeistof niet door haar keel te kunnen krijgen. Er was niks mis mee.

Dus schonk Xandra een kopje vol, goot daar wat melk bij en nam voorzichtig een teugje.

Moest ze nou straks tegen Steven zeggen dat zijn moeder de koffie nog had gemaakt? Of toch maar niet?

Terwijl ze de vreemde kwestie volop zat te overdenken, kwam Steven onverwacht binnen.

“Ik heb de dokter gebeld. Va is compleet van de kaart. Een shock lijkt het wel.”

Al pratend stapte Steven op de volle pot af, schonk in en nam een voorzichtige slok.

“Je moeder heeft,” begon Xandra, maar ze kon haar zin niet afmaken doordat inspecteur Van Laan de keuken binnenstapte.

“Ah, hier bent u,” zei hij lichtjes hijgend. “De technische recherche is nog wel even bezig, maar uw moeder wordt dadelijk afgehaald.”

“Ik laat haar hier,” zei Steven, “ik zal de begrafenisondernemer bellen, dan kunnen die haar in haar eigen kamer opbaren.”

“Dat zal nog even niet gaan, vrees ik,” kwam het onverwachte antwoord.

“Wat bedoelt u?” vroeg Steven argwanend.

“Dat is in verband met het gerechtelijk onderzoek,” legde de inspecteur uit.

“Gerechtelijk onderzoek? U bedoelt toch niet dat ze moeke gaan opensnijden!” Stevens stem sloeg over van pure emotie.

“Helaas, meneer, dat is de gebruikelijke gang van zaken bij een misdrijf.”

“Maar dat verbied ik,” riep Steven kwaad, “ik wil niet dat jullie moeke…”

“Het spijt me, meneer, maar u hebt geen enkele keus in dit geval. Zo luidt de wet nou eenmaal,” onderbrak de inspecteur Stevens uitbarsting en meteen daarop probeerde hij tactisch van onderwerp te veranderen: “Hoe is het met uw vader?”

“Die zit te zingen in bed,” snauwde Steven woedend, “dat lijkt me logisch als je ligt te slapen en je hoort dan ineens dat je vrouw is afgemaakt!”

De inspecteur deed net of hij niets van Stevens cynisme merkte.

“Hij sliep nog?” vroeg hij op normale zakelijke toon. “Maar er is beneden toch genoeg herrie geweest. Ik zou zo denken, dat…”

“Mijn vader lijdt aan slapeloosheid!” schreeuwde Steven. “Hij had pillen genomen!” Hij haalde de lucht met een gierende uithaal naar binnen en stampte naar de deur. “Jullie blijven met je vuile poten van moeke af. Ik ga een advocaat bellen!”

“Dat zal u weinig helpen, meneer,” antwoordde de inspecteur, maar Steven was de keuken al uit en gooide de deur met een enorme klap achter zich dicht.

Het duizelde Xandra. Was dit haar Steven? De altijd zo rustige ‘rots-in-de-branding’ – Steven? Ze wilde opstaan om hem achterna te lopen, maar de inspecteur hield haar tegen.

“Kunt u een kop koffie voor me inschenken?” vroeg hij op een toon die bijna bevelend was, “Dan kan ik u daarna een paar vragen stellen.”

Er schoten alle mogelijke antwoorden door Xandra’s hoofd, die varieerden van ‘Barst met je koffie, vent’ tot ‘Ik ben absoluut niet van plan om ook maar één vraag te beantwoorden’, maar het leek haar uiteindelijk toch beter om gewoon mee te werken. Des te eerder zou ze weer van die vent verlost zijn. Dus stond ze op en schonk zuchtend koffie voor hem in.





2


Inspecteur Van Laan nam een dik half uur de tijd om Xandra uitvoerig te verhoren. Ze hadecht het gevoel dat de man maar bleef doorvragen. Over het aantal schoten dat ze had gehoord en over of het nu een revolver dan wel een pistool was geweest.

“Hoe kan ik dat nou weten,” zei ze uiteindelijk behoorlijk geërgerd, “ze konden ermee schieten. Is dat niet voldoende?”

En intussen bedacht ze zich dat hij alleen uiterlijk op commissaris Derrick leek. Ze kon zich niet herinneren dat er op de televisie zo oeverloos werd doorgezwamd.

Daarna wilde de inspecteur nog meer koffie en Xandra had absoluut geen zin om het te zetten. Maar toen ook Steven om iets te drinken vroeg, kon ze niet anders. Als een soort robot ging ze aan de slag en ze realiseerde zich bij elke beweging dat die arme moeke amper een uur geleden precies hetzelfde had staan doen. En nu was ze dood.

Natuurlijk haalde haar eindproduct het niet bij dat van moeke en juist toen de inspecteur zijn nog volle kopje met een vies gezicht aan de kant schoof, ging haar mobieltje af.

“Met Xandra de Vries?”

Het was bankmedewerker Tony Glied, die op verontschuldigende toon uitlegde dat zijn computer was vastgelopen.

“Daar hebben we toch een netwerkbeheerder voor?” zei Xandra. “Bel die maar even.”

“Dat heb ik al gedaan, maar die is niet bereikbaar.”

“Nou, dan doe je maar even samen met die van Van Orven,” raadde Xandra hem aan.

“Dat gaat wat moeilijk, die is er ook mee opgehouden.”

“O, brandt het licht nog wel?”

“Het licht?” klonk het wat onnozel terug.

“Ja, mijn vraag is eigenlijk of de stroomvoorziening het nog doet,” zei Xandra.

“Geloof ik wel.”

“Aan geloof hebben we in dit verband niks,” antwoordde Xandra met toenemende ergernis, “zekerheid is belangrijk.”

Glied ging de suggestie van zijn cheffin uitvoerig met zijn collega bespreken en hij kwam terug met de conclusie dat ‘alles het nog gewoon deed’.

“Mooi, dan probeer je de netwerkbeheerder te bereiken en tot die doe je de mutaties maar handmatig.”

“Handmatig,” mompelde Glied wat onzeker.

“Pen en papier,” verklaarde Xandra, “er liggen formulieren in mijn bureau. Linkerla aan de rechterkant. En een pen heb je vast zelf wel ergens.”

Zonder nog op antwoord te wachten, drukte ze de verbinding weg.

Kort daarna stond er een grote zwarte wagen voor de deur en Steven kwam met een vreemde blik in zijn ogen naar de inspecteur toe.

“Ik verbied u om mijn moeder mee te nemen,” protesteerde hij kwaad. “Ik doe u een proces aan.”

“U heeft van uw advocaat ongetwijfeld gehoord…”

“Wat interesseert mij de wet?” schreeuwde Steven. “Het is MIJN moeder. Het mens heeft nog nooit iemand kwaad gedaan!”

“Het spijt me echt,” zei de inspecteur, “dat zijn nou eenmaal de regels. Ik heb ze niet bedacht.”

“Dat riepen ze in nazi-Duitsland ook,” brulde Steven in machteloze woede. “Jullie schijt ambtenaartjes zijn allemaal hetzelfde! Befehl ist Befehl. En maar Joden vergassen!”

“Maar meneer Vandermeer, ik…”

Xandra was opgestaan en pakte Steven bij zijn arm. “Rustig nou maar, Steven. Dit heeft toch geen zin. Als de inspecteur nou zegt…”

“Doe jij ook al met die schoften mee?” vroeg hij woest. “Weet je wel wat er met moeke gaat gebeuren? Ze leggen haar naakt op zo’n kouwe tafel en dan staan er allemaal van die kerels naar haar blote lijf te kijken!”

“Maar Steven.”

“Je weet toch zelf hoe preuts ze was? Dit zou ze nooit gewild hebben!”

“Lieverd, ik…”

“En ze hebben niet genoeg aan kijken, die vuilakken. Ze gaan haar overal bevoelen en helemaal opensnijden. Niets is heilig voor ze!”

Hij duwde Xandra ruw van zich af en stampte de keuken uit. Vervolgens hoorden ze hem met veel geweld naar beneden bonken.

“Ik ga maar even een oogje in het zeil houden,” deelde inspecteur Van Laan kalmpjes mee, maar de snelheid waarmee hij vervolgens de keuken verliet, maakte Xandra duidelijk dat hij niet zo onbewogen was als hij zich voordeed.

Ze ging hem haastig achterna.

Beneden was moeke Vandermeer inmiddels op een brancard geladen en Xandra zag dat er een groepje agenten onder leiding van de inspecteur om Steven heen was gaan staan.

Ze hielden hem nog net niet vast, maar daar was alles mee gezegd.

De trieste restanten van wat eens een levend mens was geweest, werden voorzichtig de deur uitgedragen en in de zwarte wagen geschoven.

Steven deelde inmiddels een paar welgemikte stompen uit aan de agenten om hem heen, maar die hadden dergelijke toestanden natuurlijk al vaker meegemaakt en ontweken de meppen soepeitjes.

“Laat hem maar naar buiten gaan,” zei inspecteur Van Laan. Het transport stond op punt van vertrekken en daar kon niemand meer wat aan veranderen. Zelfs een woedende Steven niet.

Langzaam reed de auto weg. Steven stond wijdbeens en met gekruiste armen op de stoep, en keek de zwarte wagen met samengeperste lippen na.

Xandra kwam naast hem staan en wilde haar arm troostend om zijn middel leggen. “Stil maar,” begon ze, maar Steven draaide zich uit haar omhelzing weg en liep met heftige stappen de winkel weer in.

Xandra bleef in de war achter. Wat had Steven opeens? Ja, het was duidelijk dat hij goed overstuur was van al dit gedoe rond zijn moeder, maar daarom hoefde hij haar toch niet zo bot af te wijzen? Ze wilde hem troosten, het samen wat dragelijker zien te maken. Maar hij gaf haar geen kans. Hij sloot zich af, alsof ze vreemden waren.

Hij had geen steun nodig, of wilde die niet.

Terwijl zij zo heel anders was. Zij knapte juist op van een arm om haar schouder, van een liefdevolle kus op haar lippen.

Was dat een markant verschil tussen mannen en vrouwen? Vond een vrouw het heel normaal om om steun te vragen en was dat ook maatschappelijk geaccepteerd? Terwijl jongens nog steeds werden opgevoed met het ingebakken idee dat ze het zelf maar moesten zien uit te zoeken en dat tranen zwaar taboe waren?

Of was hij kwaad op haar, omdat hij vond dat zij met ‘de vijand’ heulde? Maar zijn optreden had toch geen enkele zin gehad? Sommige dingen moest je nou eenmaal accepteren, hoe ellendig het ook was.

Ze duwde de gedachte aan een blote moeke op een kille snijtafel resoluut van zich af en liep langzaam tussen de glasscherven door terug naar binnen.

Daar botste ze bijna tegen inspecteur Van Laan aan, die juist de tegenovergestelde kant op wilde.

“De technische recherche is hier wel klaar. U kunt met opruimen beginnen,” zei hij, nadat hij haastig aan de kant gestapt was om lichamelijk contact met haar te ontwijken.

Xandra keek om zich heen. Tja, dat was een buitenkansje hier, als je tenminste van poetsen hield. Ze had eens zo’n type buurvrouw gehad, die om de andere dag haar ramen stond te lappen. Ze werd er nog gestoord van, als ze eraan terug dacht. Het mens gebruikte het weekend steevast om haar hele boeltje een grote beurt te geven. En als Xandra dan dacht even rustig met een kopje thee achterover te kunnen leunen, ging in het buurhuis de lawaaimachine van start. Bonkende geluiden van heen en weer schuivend meubilair, gezoem van een stofzuiger die zijn beste tijd had gehad, geknal van deuren als er een stofdoek moest worden uitgeslagen of een emmer leeggekiept. Xandra had haar lol op gekund. Het was gewoon een opluchting toen het mens eindelijk haar verhuizing aankondigde.

Met haar huidige buurvrouw Ilse Burger had ze het heel wat beter getroffen. Een leuke meid, die Ilse. Ze was tien jaar ouder dan Xandra, maar dat was niet aan haar te zien. Ze leek dertig en zo kleedde ze zich ook. Ze woonde er inmiddels alweer bijna een half jaar en in die tijd waren Xandra en Ilse echte vriendinnen geworden.

Ilse had net als Xandra een broertje dood aan huishoudelijk werk en dat scheelde een hoop schuldgevoelens. Want zeg nou zelf, als je buurvrouw zo staat te zemen en jij kunt amper door je ramen heen kijken.

“U kunt met opruimen beginnen,” herhaalde inspecteur Van Laan, die blijkbaar in de veronderstelling verkeerde, dat Xandra hem niet had gehoord.

“Mooi niet,” antwoordde Xandra, “ik heb tegenwoordig thuis een hulp voor dit soort werk, dan ga ik hier echt niet in die puinhoop aan de slag.”

“Zoals u wilt,” knikte Van Laan, “ik ga er weer vandoor. Houdt u zich wel beschikbaar voor verder onderzoek?”

“Ik ga straks naar huis, naar mijn zoontje.”

“O, dat is waar. Dat was ik even vergeten. Wilt u uw verloofde meedelen, dat zijn moeders lichaam na het onderzoek direct wordt vrij gegeven. Dan kan ze hier muis worden opgebaard volgens zijn wens.”

“Dat mag u hem zelf ook zeggen hoor. Ik ben de boodschappenmeid niet.”

“Het lijkt mij maar beter om even uit zijn buurt te blijven,” bekende de inspecteur met een vaag lachje.

Xandra knikte langzaam. “Oké, ik begrijp het. Ik zal het hem vertellen.”

“Sterkte,” zei de inspecteur. Ze wisselden een korte groet uit en Xandra ging terug naar boven. Daar vond ze Steven in de keuken. Hij zat met zijn ellebogen op de tafel en hield zijn hoofd in zijn handen. Het nauwsluitende maatcolbert was bijna te krap voor de sterke spieren van zijn brede schouders.

Ze haalde diep adem en besloot om maar met een neutrale vraag te beginnen. “Hoe is het met je vader?”

Steven keek niet op. “Die slaapt. De dokter heeft hem wat gegeven. Hij ging compleet door het lint.”

“Dat is geen wonder natuurlijk,” zei Xandra zacht, “als je zo ineens je vrouw verliezen moet. Een enorme klap.”

Ze rilde onwillekeurig omdat het vrolijke gezicht van Jorg opeens voor haar geestesoog verscheen. Jorg, die ook van het ene op het andere moment uit het leven was weggerukt. Zij wist precies wat voor hel de arme juwelier nu door moest maken.

Nou ja, maar even niet meer aan denken.

“Die inspecteur zei dat we beneden mogen opruimen,” praatte ze langzaam verder, “jullie hebben toch een contract met zo’n firma?”

“Nu maar even niet, Xandra,” zei Steven tot haar verbazing, “ik heb geen zin in dat gezeur nu.”

“Ja maar, een schoonmaakbedrijf zal…”

“Hou op met je gezeik!” klonk het heel geërgerd en voor Xandra snapte wat er gebeurde, liep Steven met zware passen de keuken uit.

“Hè toe nou, Steven,” riep Xandra hem na, “doe niet zo raar.” Ze haastte zich achter hem aan en vond hem onder aan de trap in de winkel, waar hij met een lege blik in zijn ogen naar de bloedvlekken van zijn moeder stond te staren.

“Die inspecteur zei net, dat moeke zo gauw mogelijk weer naar huis komt. Dan kan ze boven worden opgebaard. Hè Steven, ik vind het toch ook heel erg?”

“Jij vond het goed dat ze in haar gaan snijden!” kwam het volkomen onredelijke antwoord. “Het is jouw schuld dat die kerels haar onteren!”

“Dat is flauwekul, Steven. Ik vind het ook een afschuwelijk idee. Maar wat konden we doen?”

“Ze tegenhouden,” siste Steven tussen zijn lippen door, “samen was het ons wel gelukt.”

“Dat is nonsens. Wat moet je als gewone burger nou beginnen?”

“Je hebt me in de steek gelaten,” zei hij woedend.

“Dat is niet waar, Steven.” Xandra legde haar hand op zijn arm, maar hij draaide zich met een woeste beweging van haar af en rende de trap op.

Xandra onderdrukte een lelijk woord. Ze kon goed begrijpen dat hij het moeilijk had, maar deze onzinnige verwijten sloegen totaal nergens op. Misschien kon ze beter naar huis gaan en terugkomen als hij weer wat was afgekoeld. Ze had zich nog steeds redelijk kunnen inhouden, maar langzamerhand kreeg ze zin om hem te gaan slaan. Haar ogen gleden over de bloedvlekken in de groene vloerbedekking en bleven rusten op de krijtstrepen die de technische recherche had neergekalkt. Dat was de vorm van moekes lichaam. Lieve, goedlachse moeke, aan wie ze zoveel fijne herinneringen had.

Straks kwam er een schoonmaakbedrijf en dat zou met een zwabber die stukjes moeke opdweilen en door de afvoer spoelen.

Maar dat mocht niet! Daar was moeke te lief voor geweest. Xandra ging boven een emmer halen en een grote rol keukenpapier. Ze trok huishoudhandschoenen aan en begon heel voorzichtig het tapijt te deppen. Druppel voor druppel zoog zich in de keukenrol. Als een mens bloedde, zorgden bloedplaatjes normaal voor de stolling, maar moeke had zoveel tegelijk verloren, dat haar lichaam het niet meer kon bijbenen. En daarom lagen er van die plassen rood vocht, die vermengd waren met een vreemde, gelige substantie.

Xandra was een vol uur bezig met haar klusje. En iedereen die er later over hoorde, vroeg haar of ze het niet een afgrijselijk werk had gevonden. Maar het was niet akelig. Op de een of andere manier was het zelfs fijn om dit voor moeke te kunnen doen. Zij behandelde de restjes met respect en liefde, en dat kon een wildvreemd schoonmaakbedrijf nooit zo doen. En intussen dacht ze aan moeke. Aan de fijne dingen die ze samen hadden meegemaakt, de lange gesprekken en de grapjes waaraan in huize Vandermeer nooit een gebrek was geweest. Voor haar was moeke Vandermeer een beetje de moeder geworden die ze zelf nog steeds miste.

Als laatste veegde Xandra de spetters van het plafond en ze keek rond. Natuurlijk zaten er nog vage vlekken in het kleed, maar die kreeg ze zonder allesreiniger niet weg. En het was ook goed zo. Ze had haar plicht gedaan.

Ze nam de emmer mee naar de tuin en haalde een schep uit het schuurtje. Daarna begroef ze de droevige inhoud heel voorzichtig naast de grote zwerfkei in het achtertuintje. Onder de zwerfkei lag moekes lievelingskat. En zo waren ze toch nog een klein beetje samen. Moeke en haar kater Tibeert.

Ze zou het later wel eens aan Steven vertellen. Als hij weer een beetje aanspreekbaar was.

Ze ruimde de schep op en maakte de emmer in de kleine badkamer zorgvuldig schoon. Daarna haalde ze haar blazer uit de keuken en vertrok. Ze had geen zin meer om Steven, die trouwens nergens te zien was, nog dag te zeggen. Hij bekeek het maar even.

Buiten wurmde ze zich onder het roodwitte lint door dat de politie over de stoep had gespannen om de nieuwsgierigen op een afstandje te houden en daarna bleef ze wat aarzelend staan. Ze realiseerde zich nu pas dat ze lopend was. Zou ze binnen nog even een taxi bellen? Of maar gewoon de pas erin zetten. Zo ver was het nou ook weer niet.

Ze besloot tot het laatste en al wandelend liet ze haar gedachten de vrije loop.

Omdat ze er min of meer langskwam, liep ze nog even bij haar bank binnen om te kijken of haar medewerkers het alleen aan konden. Ze werd vol enthousiasme ontvangen, maar de aanvankelijke vreugde ebde al snel weer weg, toen Van Orven en Glied merkten dat hun cheffin alleen even poolshoogte kwam nemen.

Xandra gaf nog wat korte aanwijzingen en liet de heren weer aan hun lot over. Ze snapte eigenlijk zelf niet hoe ze het over haar hart kon verkrijgen. Het was niks voor haar, om de boel zo in de steek te laten.

Ach wat! Volgende maand ging dit filiaal dicht en alle energie die ze er nog in zou steken, was in feite verloren moeite.

Groningen! Die idiote Hoogendoorn met zijn stomme Groningen. Die man wist best dat ze een kind had en een verloofde die door zijn winkel met handen en voeten aan Soest vastgebakken zat. Groningen! Het idee!

Ze wandelde langzaam naar het flatgebouw waar ze woonde en terwijl ze haar sleutel in het slot van de zware buitendeur stak, hoorde ze ineens iets achter zich.

Voor ze om kon kijken, zei een bekende stem: “Heb je het al gehoord van Vandermeer Juwelen? Een overval, zeiden ze op het nieuws.”

Het was Ilse Burger, de buurvrouw die in korte tijd Xandra’s vriendin geworden was.

“Hé Ilse,” zei Xandra, terwijl ze de deur openduwde. Ze stapte naar binnen en wachtte tot haar vriendin bij haar stond, voor zé verder praatte.

“Ik was erbij,” zei ze toen.

Ilse Burger drukte op het liftknopje en keek Xandra verbaasd aan. “Erbij? Je bedoelt toch nietdat je bij die overval was?”

“Ja,” knikte Xandra met een zucht, “helaas wel. En ik wil er even niet over praten.”

Ilse streek haar lange blonde haar uit haar gezicht en keek Xandra aan.

“Jeetje, meid, hoe kan dat nou? Jij zat toch op je werk?”

“Klopt, ik ZAT op mijn werk. Ze gaan het filiaal sluiten.”

“Nee toch? Waarom?”

“Weet je, Ilse, dit klinkt misschien niet aardig, maar ik heb zoveel rottigs meegemaakt vandaag. Ik ben hartstikke moe. Steven deed ook al zo raar tegen me.”

Er kwam een medelijdende glans in Ilses ogen. “Wil je daar wel over praten?” vroeg ze rustig. “Of…”

“Ze hebben zijn moeder doodgeschoten.”

“Wat! O, wat vreselijk zeg. Wat afschuwelijk voor je. En voor Steven ook. O, ik weet gewoon niet meer wat ik zeggen moet.”

Xandra haalde wat moeizaam haar schouders op. “Ik neem zo eerst eens een lekker warm bad met flink wat olie voordat Justin thuiskomt.”

“Als je wilt dat ik Justin vandaag opvang, dan zeg je het maar hoor.”

“Lief van je,” zei Xandra met een lachje, “maar dat hoeft niet. Het gaat straks heus wel weer. Hoop ik.”

Er klonk een belletje ten teken dat de lift eindelijk op de begane grond was aangekomen en ze stapten achter elkaar naar binnen.

Ilse drukte op de knop voor de vierde verdieping. “Ik kan het bijna niet geloven van Stevens moeder. Ik zag haar gister nog bij de bakker. Hoe kan dit nou?”

“Ze hebben haar gewoon overhoop geschoten. We weten ook niet waarom. Misschien zag ze iets wat ze niet mocht zien.”

“En jij was er ook bij?” vroeg Ilse verder.

Xandra wilde zeggen, dat ze er heus niet verder over wilde praten, maar ze besefte dat Ilse echt belangstelling voor haar had. Dit waren geen vragen uit sensatiezoekerij.

“Ik had hoofdpijn en daarom had ik me op de bank afgemeld. Als ze me over een maand niet meer nodig hebben, kunnen ze me nu ook wel missen.” Het klonk cynisch.

Ilse duwde de deur van de lift weer open en liep naast Xandra over de galerij in de richting van hun flats.

“En toen ben je naar Steven gegaan?” Het was meer een vaststelling dan een vraag.

“Ja, ik had behoefte aan een praatje, een arm om me heen. En ik was nog niet binnen of daar gebeurde het.”

Ze vertelde zo zakelijk mogelijk over wat er zich die morgen allemaal had afgespeeld. En terwijl ze praatte, besefte ze dat ze hier goed aan deed. Het luchtte op om haar verhaal even aan iemand kwijt te kunnen. Iemand die haar begreep.

“Nou ja, en toen ben ik maar naar huis gegaan,” besloot ze uiteindelijk.

Ilse knikte meelevend. “Wil je koffie?” vroeg ze. “Loop even met mij mee naar binnen.”

“Nee, dank je, ik kan even geen koffie meer zien.”

“Nou, als je wat nodig hebt, moet je het zeggen hoor. Kom anders eten vanavond. Maak ik spaghetti met rooie saus. Daar is Marco ook dol op.”

Marco was Ilses iets oudere broer. Ilse had Xandra destijds natuurlijk uitvoerig op de hoogte gebracht van haar privé-situatie. Marco was vrijgezel en had Ilse kort na haar scheiding liefdevol in zijn toenmalig studentenflatje opgevangen. Het samen een woning delen was broer en zus zo goed bevallen, dat ze van de voorlopige regeling intussen een permanente hadden gemaakt. En dus woonde Ilse samen met Marco in de flat naast Xandra.

Xandra aarzelde. Kon ze vanavond wel bij Ilse en Marco gaan eten? Moest ze niet ondanks alles voor Steven zorgen?

“Het lijkt me hartstikke gezellig,” zei ze langzaam, “maar Steven…”

“Steven heeft overduidelijk even tijd voor zichzelf nodig. Dring je maar niet op. Krijg je alleen maar meer ruzie.”

“Maar we gaan over drie maanden trouwen. Stel, dat we al getrouwd waren geweest.”

“Steven heeft een klap gehad, dit is een tamelijk normale reactie. Je afreageren op de persoon die het dichtst bij je staat. Zijn vader is zelf van de kaart, dus blijf jij over.”

“Mooie boel. Ik kan het echt niet helpen, dat ze die lijkschouwing bij moeke doen. Daar hoeft hij mij toch niet de schuld van te geven?”

“Ach joh, die is over een paar dagen wel weer bijgetrokken. Dan staat hij met hangende pootjes op je stoep. Let op mijn woorden.”

“Nou, dat hoop ik dan maar,” zuchtte Xandra.

“Dus ik maak spaghetti?”

“Nou graag. Maar als Steven me nodig heeft, dan…”

“Dan komt hij gewoon mee eten. En zijn vader is ook welkom. Ik maak wel een wastobbe sliertjes.”

“Wat denk je? Zal ik hem dan uitnodigen?”

“Nee joh, laat hem maar even betijen. Hij komt vanzelf wel.”

“Ja, maar dan zit jij straks met al dat eten.”

“Och, dan hoef ik me de rest van de week geen zorgen meer te maken over wat ik nu weer op het menu moet zetten,” lachte Ilse droogjes en ze gaf Xandra een knipoog.

“Tegen zessen is het wel klaar. Tot dan.” Ze draaide zich om en liep de deur van haar flat in.

Juist toen Xandra haar voordeur wilde binnenstappen, klonk er een opgewonden kinderstem achter haar.

“Ha mam, mag ik bij Bas?”

Er trok een blijde glans over Xandra’s gezicht en ze ving haar onstuimig aanstormende zoontje geroutineerd op.

“Ha, die Justin. Je bent vroeg, joh. Hoe was het op school?”

“Goed,” zei Justin, “mag ik bij Bas?” En hij wees heftig achter zich.

In de aangewezen richting zag Xandra op enige afstand nog een achtjarig jongetje staan. Justins kameraadje Bas, die in een twee-onder-een-kap om de hoek woonde. Er was daar een grote tuin achter het huis en Justin vond niets heerlijker dan boompje klimmen en hutten bouwen. Ja, daar was op het kleine balkon van hun flat niet veel gelegenheid voor.

Xandra wenkte Bas en zodra het kind binnen gehoorsafstand was, vroeg ze: “Vindt jouw moeder het goed als Justin bij jullie komt spelen?”

Bas knikte heftig. “Ja,” zeihij, “wij moesten even bij jou gaan vragen, mama van Justin.”

“Dus je moeder wacht beneden?”

“Nee, ze is naar huis, want Harmen slaapt.” Harmen was het kleine broertje van Bas.

“Nou, komen jullie dan eerst even binnen iets drinken,” stelde Xandra voor en ze gooide de voordeur uitnodigend open.

Tot haar verbazing schudden de beide jongetjes eensgezind hun hoofden. “Bas zijn moeder heeft ijsjes,” verklaarde Justin.

“Ik heb cola,” probeerde Xandra het pleit nog in haar voordeel te beslechten.

Weinig kans. Het ijs was stukken aantrekkelijker, dat zag Xandra duidelijk op de gezichten.

“Oké, halfzes thuis dan maar.”

“Yeah!” riep Justin blij en zonder nog op Xandra te letten, renden de beide boefjes de galerij weer af in de richting van het trappenhuis.

“Doe je wel voorzichtig?” riep Xandra nog, maar het was duidelijk dat de jongens haar al niet meer hoorden.

Ze haalde wat berustend haar schouders op, terwijl ze haar flat binnenging. Justin werd groot. Hij was al acht. Dan kropen klefrïe jongetjes meestal heel langzaam onder hun moeders rokken vandaan. Zo hoorde het ook. Het kind was haar verlengstuk niet. En hij was ook geen vervanger van zijn dode vader. Justin was een zelfstandig mensje en haar taak als moeder was vooral begeleiden. Sturen en richting geven waar dat nodig was, maar verder moest ze haar zoon steeds vaker zijn eigen gang laten gaan. Hij had er recht op om groot te worden. Ze zuchtte kort. Dat was niet makkelijk. Justin was alles wat er nog van Jorg over was. En ze hield zielsveel van hem. Maar ze mocht hem niet dooddrukken met overdreven moederlijke bezorgdheid en haar angst om hem ook te verliezen. Justin had recht op een onbezorgde jeugd, ze mocht geen neurotisch ventje van hem maken.

Ze zuchtte opnieuw en stapte resoluut haar flat in.

Hoog tijd voor een lekker warm bad.



Ilse had zich fantastisch uitgesloofd op haar spaghetti, maar Xandra genoot er niet echt van. Ze had haar mobiele telefoon naast haar bord gelegd en mengde zich amper in het geanimeerde tafelgesprek. Waarom liet Steven maar niks van zich horen? Hij kon toch wel even bellen?

Ze ging vroeg naar huis, maar op het display van haar nummermelder knipperde er niets. Er waren geen binnenkomende telefoontjes geweest. Ze bracht Justin naar bed en na een half uur van piekeren, besloot ze uiteindelijk om de raad van Ilse in de wind te slaan. Deze stilte van haar kant leidde immers nergens toe. Ze moest even weten hoe het met hem ging. Daar was niks raars aan. Steven was haar verloofde!

Een beetje bibberig draaide ze het nummer van de juwelierszaak.

Nadat de bel zo’n vijf keer was overgegaan, hoorde ze het bekende gekraak van het antwoord apparaat en de opgewekte stem van Manfred Vandermeer zei in haar oor ‘dat er nu even niemand bereikbaar was’.

Dus sprak Xandra een boodschap in en bleef expres nog wat langer op. Maar de telefoon rinkelde niet.

Tegen half twee schrok Xandra wakker van een pijnlijke stijve nek. Ze was op de bank in slaap gevallen.

Verdraaid! Dit was toch niet aardig van Steven? Hij liet haar zomaar zakken. Of zou er wat zijn, waardoor hij niet had kunnen bellen? Stel, dat zijn vader onverwacht in het ziekenhuis was opgenomen en Steven zat aan zijn bed. Zo ondenkbaar was dat niet. Die arme Manfred was zo overstuur geweest.

Tja, dan baalde Steven op dit moment natuurlijk ongelofelijk van haar. Dat zij niks van zich liet horen.

Haar hand reikte naar de hoorn. Ze zou…Nee, dat was ook onzin, het was midden in de nacht. Dan belde je iemand niet uit zijn bed.

Bovendien had zij om elf uur nog een boodschap voor hem ingesproken. Als Steven thuis was, moest hij die allang afgeluisterd hebben. Maar als ze nou dwars door zijn telefoontje was heengeslapen?

Ach onzilf. Die bel maakte een herrie waar je een dove nog mee wakker kreeg. Toch stond ze op om haar nummermelder te controleren, maar die gaf nog steeds zakelijk ‘Geen berichten, Geen bellers’ aan.

Heel even vroeg ze zich in alle ernst af of het ding misschien kapot was, maar ze besefte zelf dat ze nu zat door te draven. Steven had niet gebeld en aangezien de klok inmiddels kwart voor twee aanwees, was het niet waarschijnlijk dat ze nog een bericht zou krijgen. Ze kon maar beter naar bed gaan.

Toch was ze nog minstens een kwartier aan het rommelen met kabels en verlengsnoeren om de telefoon op haar nachtkastje te kunnen zetten. En toen ze eindelijk in bed lag, wilde de slaap niet meer komen.



De volgende morgen was Xandra min of meer gebroken. Ze zat half slapend aan tafel en probeerde haar hete koffie met kleine slokjes naar binnen te krijgen. Ondertussen kletste Justin honderduit. Normaal vond ze dat heerlijk. Gezellig samen met Justin ontbijten en een beetje kletsen.

“En toen gooide meester zijn jas op de grond,” riep Justin opgewonden, “maar daar lag poep!” Hij begon te gieren van het lachen, maar omdat Xandra niet eens wist waar het over ging, deelde ze niet in de vreugde.

“Mam,” zei Justin verwijtend, “je moet wel luisteren, hoor.”

“Sorry, kind, ik heb wat hoofdpijn.”

Justins gezicht betrok. Het leek wel of zijn moeder altijd maar hoofdpijn had.

“Zal ik brood voor je maken?” vroeg hij.

“Nee, ik heb geen trek. Hé, tanden poetsen. We gaan zo.”

Hoewel Justin al acht was en die paar minuten naar school best in zijn eentje aan kon, bracht Xandra hem ‘s morgens altijd weg. Een beetje stiekem, de laatste maanden. Ze liep mee tot de hoek en daar wachtte ze onopvallend tot ze hem het hek in zag lopen. Dan wist ze zeker dat hij veilig op school zat en daarna ging ze door naar haar werk.

Tussen de middag bleef Justin meestal over en om kwart over drie liep hij zelf naar huïs. Als hij tenminste niet bij een vriendje ging spelen. Volgens afspraak belde Justin zijn moeder altijd even op en vertelde waar hij zat. De bank ging om vier uur dicht en als ze wist dat Justin alleen thuis was, racete ze meteen de deur uit. Zat hij bij een vriendje dan was er geen reden voor haast.

Ze had twee keer per maand tot zes uur een vergadering met het hoofdkantoor en dan sprong Ilse meestal even bij.

Zo kon ze het als alleenstaande moeder heel aardig redden, maar ze wist best dat ze ook geluk had. Justin was zelden ziek. Stel je voor dat hij een kwakkelend poppetje was geweest? Dan hadden alle zorgvuldig opgezette schema’s geen bal geholpen en was buiten de deur werken heel wat moeilijker geworden. Nou ja, dan had ze ook wel weer een oplossing gevonden, dacht Xandra bij zichzelf. Er waren ook flexbanen, hoewel die in de bankwereld natuurlijk niet echt voor het oprapen lagen.

Ze ging controleren of Justin daadwerkelijk zijn tanden aan het poetsen was en zag flink wat bloedspetters in de wastafel.

“Je moet rustiger poetsen, joh,” zei ze vermanend. “Als je het zo hard doet, gaatje tandvlees naar de maan. Laat die borstel eens zien.”

Justin spoelde zijn mond uitvoerig schoon en gaf haar de borstel. Die zag eruit alsof hij al maanden als toiletboender dienst deed. De haren lagen bijna plat.

“Ik snap niet hoe jij dat steeds doet,” mompelde Xandra meer tegen zichzelf dan tegen haar zoon. “Je hebt het ding amper vijf weken.” En wat harder liet ze erop volgen: “Ik zal vanmiddag een nieuwe voor je kopen.”

“Dan wil ik een Pokémon,” zei Justin meteen, “heeft Bas ook.”

“Ik zal eens kijken wat ze hebben.”

“Ze zijn bij de drogist. Ik wil een Pikachu.”

“Een wat?”

“Pikachu, da’s een electric Pokémon. Hij is onwijs gaaf.”

Xandra trok een wenkbrauw op. Misschien moest ze toch eens mee kijken als Justin voor de televisie hing. Ze liep duidelijk achter waar het de moderne helden betrof.

“Dan gaan we vanmiddag samen wel even naar de winkel. Kun je hem zelf uitzoeken,” antwoordde ze langzaam. En intussen vroeg ze zich af of Justin soms expres zijn tandenborstel zo had afgeragd.

“Gaaf!” zei Justin opgewekt en hij spuugde nog een straaltje bloed in de wasbak.

“Heb je dat wel vaker, Justin?”

“Wat?”

“Dat bloed.”

“Kweetniet,” zei Justin en hij huppelde de badkamer uit om zijn schoenen te gaan aantrekken.

Xandra bleef even nadenkend staan. Was het wel normaal dat het kind zo bloedde van een rondje tandenpoetsen? Ze keek nog eens argwanend naar het martelwerktuig, dat ooit een stralend schone borstel was geweest en schudde langzaam haar hoofd. Nee, er was niks om je ongerust over te maken. Gewoon een nieuwe kopen en het was weer over.

Ze bracht nog snel wat make-up op en stapte haastig naar de hal, waar Justin met zijn rugzak omgehangen ongeduldig op haar stond te wachten.

Ze liep met Justin mee tot de hoek, zwaaide hem na tot hij achter de ijzeren hekjes van het plein verdwenen was en ging terug om haar fiets te halen.

Normaal wandelde ze die paar minuten naar haar werk, maar ze wilde nog heel even bij Steven langs voor ze aan de slag ging. Dus trapte ze stevig door en fietste even later wat hijgend de Van Weedestraat in. De afzetting van roodwitte linten voor de juwelierszaak was verdwenen. In plaats daarvan stond er nu een grijze bestelbus dwars op de stoep. Schreeuwend rode letters op de zijkant maakten er geen geheim van dat hier Glashandel Sterkema aan het werk moest zijn.

Ze zette haar fiets een eindje van de zaak af in het rek voor de groentezaak, stak het sleuteltje in haar zak en liep het laatste stukje. Ze had weinig zin in een lekke band door vergeten glassplinters.

De glazenmakers keken verheugd op bij het zien van Xandra, maar die deed net of ze de mannen niet in de gaten had. Ze drukte op de bel van de winkel en wachtte.

Niets. Geen enkele reactie uit het pand.

Ze belde nog eens en liep daarna naar Stevens eigen opgang om het daar opnieuw te proberen.

“Weinig kans, zus,” zei een van de glazeniers. “Er is niemand.”

Xandra’s eerste gedachte was om de man te negeren, maar haar bezorgdheid om Steven won.

“Hoezo, er is niemand?” vroeg ze.

“Ze zijn weggegaan. Een ouwe en een jonge.” Het was duidelijk dat hij Steven en zijn vader bedoelde.

“Zijn ze allang weg?” vroeg Xandra.

“Een minuutje of zes,” bemoeide een andere glazenier zich met het gesprek.

“Dan ben ik dus net te laat,” constateerde Xandra zuchtend, “Nou ja, bedankt dan maar.”

Ze draaide zich om en liep terug naar haar fiets. Voor ze opstapte, keek ze op haar horloge. Als ze niet opschoot, kwam ze voor de allereerste keer in al die jaren te laat op haar werk. Ze snoof opstandig.

Waar zou ze zich voor haasten? Ze was al afgeserveerd, dus die paar minuten kwamen er ook niet meer op aan.

Ze stapte op en reed in een kalm gangetje weg.



Een paar uur later ging de telefoon op Xandra’s werk. Hans van Orven nam op en knikte al gauw naar Xandra. “Het is drukkerij Veenstra. Zal ik doorverbinden?”

“Ja, doe maar.”

Zodra haar toestel begon te rinkelen, drukte ze de knop in. “Xandra de Vries, goedemorgen.”

“Mevrouw De Vries, Antoine Vermeer van drukkerij Veenstra hier. Ik bel in verband met de rouwkaarten,” verstond Xandra, “ik zou nog even een belletje geven over het juiste aantal.”

“Ja, dan kunt u het beste de juwelierszaak bellen. Ik heb er geen idee van hoeveel er nodig zijn.”

“Maar we hebben toch afgesproken dat ik dat met u zou kortsluiten?”

“Met mij? Hoe kan dat nou? Ik heb hier toch niets mee te maken?”

“Twee maanden geleden bent u samen bij me geweest,” zei de man en in zijn stem was duidelijk te horen, dat hij zich afvroeg of Xandra ze wel allemaal op een rijtje had.

“Twee maanden geleden?” begon Xandra, maar ineens rinkelde er een waarschuwend belletje in haar hoofd. Die man had het absoluut niet over rouwkaarten.

“Neem me niet kwalijk,” zei Xandra verontschuldigend in de hoorn, “u bedoelt onze trouwkaarten.”

“Ja, eh…wat anders?”

“Mijn aanstaande schoonmoeder is gisteren overleden,” legde Xandra uit, “ik dacht dat het daarom ging. Sorry voor het misverstand.”

“O, gecondoleerd mevrouw. Ik dacht ook al.”

Het was even stil aan de andere kant van de lijn. “Zal ik u op een ander tijdstip terugbellen?” stelde de man daarna voor. “Ik begrijp dat het nu niet zo gelegen komt.”

“Ja, lijkt me beter,” zei Xandra, “volgende maand of zo.”

“Dan kom ik in problemen met mijn planning. Is eind volgende week ook goed?”

“Ja, doet u dat dan maar.”

Ze groette de man en legde de hoorn neer.

De trouwkaarten. Ze was ze glad vergeten. Geen wonder natuurlijk in deze toestand. Gelukkig stond alles voor de komende bruiloft redelijk op de rails. Ze had er niet te veel drukte van willen maken, omdat het immers haar tweede huwelijk zou zijn. Heel vaag in haar hart voelde ze het nog steeds als een soort verraad aan Jorg. Maar Jorg was dood. Als het andersom was geweest, had ze van hem ook niet verwacht dat hij de rest van zijn leven alleen zou blijven. De wereld draaide immers gewoon door. Heel even flitste de gedachte aan Jorg door haar hoofd. Jorg in de armen van een ander.

Pure onzin natuurlijk. Ze hield nog steeds zielsveel van Jorg en ze wist dat die gevoelens nooit meer echt over zouden gaan. Maar Jorg was er niet meer.

Steven wel. Warm, sterk, troostend.

Ze pakte de hoorn weer op en draaide het nummer van de juwelierszaak.

“Vandermeer,” zei een bekende stem zakelijk in haar oor.

“Steven, eindelijk. Hoe is het met je?”

“Uitstekend,” klonk het cynisch, “datje dat zelf niet kunt bedenken.”

Er schoot een brok in Xandra’s keel. “Nou zeg. Ik bedoel het toch goed. Ik maakte me ongerust.”

“Ja, dat zal wel,” zei Steven en het cynisme droop van zijn stem, “het is een compleet gekkenhuis. En alles komt op mij neer.”

“Zal ik naar je toe komen dan? Helpen?”

“Die hulp van jou ken ik intussen,” zei hij sarcastisch.

Xandra onderdrukte de neiging om terug te gaan schelden.

“Drukkerij Veenstra belde over onze trouwkaarten,” zei ze langzaam. “We zouden het aantal nog doorgeven.”

“Trouwkaarten! De nonsens! Ik heb wel wat anders aan mijn hoofd.”

“Dat snap ik, Steven, maar die man wilde het snel weten. Hij zit met zijn planning.”

“We verschuiven het maar,” zei Steven.

“Wat bedoel je?”

“De bruiloft natuurlijk. Die schuiven we op.”

“Wil je ons huwelijk uitstellen?” De woorden kwamen er veel harder uit dan haar bedoeling was en ze zag Van Orven en Glied belangstellend opkijken.

O help, dit was geen onderwerp om en plein public te bespreken.

“Ik kom vanavond wel even langs,” zei ze een stuk zachter, “dan moeten we maar even…”

“Dat kan niet. Die verzekeringspief en die vent van de zichtzending komen langs.”

“Maar ik ben toch geen bezoek? Ik ben je aanstaande vrouw!”

“Zeg die vent nou maar gewoon af. En nu moet ik verder.”

Een tel later was de verbinding verbroken.

Xandra keek naar de toeterende hoorn en er kwam een enorme boosheid in haar op. Hoe haalde Steven het in zijn hoofd om haar zó te behandelen. Ze was de werkster niet, die je maar even simpeltjes kon afbestellen!

“De computer loopt alweer vast,” onderbrak Van Orven haar boze gedachten.

“Nou, smijt hem het raam uit,” adviseerde Xandra onparlementair. Ze schoof haar stoel met een ruk naar achter en liep met woeste stappen naar het keukentje.

Koffie. Eerst koffie. Dan zou die ellendige kwaadheid wel weer afzakken. Ze móést zich inhouden. Ze kon haar woede niet op haar medewerkers en de klanten botvieren. Was Steven maar hier, dan zou ze hem.

Haar hand balde zich tot een vuist en het duurde even voor ze de verkrampende spieren weer kon ontspannen. Daarna schonk ze koffie in en nam nadenkend een slok.

Wat deed Steven nou raar. Zo kende ze hem toch helemaal niet? Steven was de rust zelve, haar eigen rots in de branding. Hij moest wel heel erg van slag zijn.

En wat kon zij eraan doen? Proberen om door die botheid heen te breken? Of hem maar gewoon in zijn vet laten gaarsmoren?

Er klonk een bescheiden klopje en de deur van het keukentje ging een klein stukje open.

“Er is telefoon,” klonk de stem van Van Orven, “het hoofdkantoor. Dringend, zeggen ze.”

“Ik kom eraan,” zei Xandra tegen de deur. Ze pakte haar nog halfvolle kopje en liep de keuken uit.

In de acht stappen die ze nodig had om bij haar bureau te komen, besloot ze Steven voorlopig maar met rust te laten. Ze voelde er niets voor zich op te dringen. Ze was een zelfstandige, werkende vrouw en ze had in de afgelopen jaren wel bewezen, dat ze het leven heel goed alleen aan kon.

Als de man die haar heel romantisch, op zijn knieën, gevraagd had om zijn vrouw te worden, dat ineens niet meer wilde, dan bekeek hij het maar. Zij was er te goed voor om hem achterna te lopen!

Ondanks haar opstandige houding kon ze de pijnlijke steek die plotseling door haar hart schoot, niet negeren. Ze hield zoveel van Steven. Moest zij hem nou ook nog verliezen?

Ze zette haar kopje met een klap op haar bureau en greep naar de hoorn.

“Met Xandra,” zei ze ferm, maar ze kon er niets aan doen dat haar stem akelig schor klonk.





3


Het werd een rare week voor Xandra, waarin ze Steven alleen op de begrafenis van moeke even zag. Ze stond bij het condoleren naast hem om de goedbedoelde steunbetuigingen van buren en klanten in ontvangst te nemen, maar ze had voortdurend het vage gevoel dat ze er niet echt bij hoorde.

Steven gedroeg zich vreemd. Afstandelijk. En als ze probeerde er met hem over te praten liep ze tegen een muur van onbegrip op. Aan Stevens vader had ze in dit verband ook weinig. Die ging volledig in zichzelf op. En in zijn verdriet.

Logisch natuurlijk, na zo’n zwaar verlies, maar toch…Zij had ook van moeke gehouden. Zij miste haar ook. De wandelingen in het bos op de wekelijkse koopavonden. De gezamenlijke uitjes naar het theater, omdat Steven en zijn vader daar een gruwelijke hekel aan hadden. Het koffiedrinken op een gestolen vrije doordeweekse dag. Moeke was voor haar heel langzaam aan de moeder geworden die zij in haar jeugd zo had moeten missen. Nu was moeke dood en ze kon haar eigen gevoelens van rouw nergens kwijt.

De enige die naar haar luisterde, was haar buurvrouw Ilse. Dat was fijn, maar niet genoeg. Steven, ze had Steven nodig. Ze wilde deze klap met hem delen. En hém de steun geven die hij nodig had. Maar Steven was geestelijk niet thuis.

Xandra vroeg zich in alle ernst af of dit nu de man was, waar ze haar verdere leven mee had willen delen.

Jorg…Was Jorg er nog maar. Die zou nooit zo afwijzend hebben gedaan.

“Dat is niet helemaal eerlijk, Xandra,” zei Ilse toen Xandra voor de zoveelste keer haar nood bij haar buurvrouw klaagde. “Je moet de mannen in je leven niet met elkaar vergelijken. Die arme Steven kan natuurlijk nooit tegen een heilige op.”

“Een heilige? Jorg? Wat een onzin!”

“Wees nou eerlijk, Xandra. Je zit Jorg te verheerlijken.”

“Ach welnee, maar Jorg zou…”

“Denk ik niet,” zei Ilse hoofdschuddend, “echt niet hoor. Hoe lang ken je Steven? En hoe lang kende je Jorg?”

“Je bedoelt dat Jorg en ik vanzelf wel een keer ruzie hadden gekregen? Als ons huwelijk maar lang genoeg geduurd had.”

“Klopt, je weet toch niet hoe het verder had kunnen gaan.”

Xandra schudde haar hoofd. “Met Jorg kon je praten.”

“Met Steven ook. Die draait wel bij.”

Xandra zuchtte diep. “Ik help het je hopen.”

“Misschien eh…” ging Ilse door, “misschien moeten jullie elkaar een tijdje niet zien.”

“Niet zien? Mens, ik heb hem sinds die overval…”

Ze besefte dat ze een erg vervelende toon tegen die arme Ilse begon aan te slaan en ze hield abrupt haar mond.

“Sorry,” mompelde ze zachtjes.

“Geeft niks,” knikte Ilse begrijpend, “ik snap je wel. Het is natuurlijk allemaal erg frustrerend voor je. Zeg, ik eh…”

Ze stond op, ging naar een hoek van de kamer en pakte daar een felgele enveloppe van het bergmeubel.

Terwijl ze langzaam terugliep, haalde ze een brief uit het couvert.

“Ik…eh, ik heb wat leuks,” zei ze aarzelend, “ik durfde het eigenlijk niet te laten zien, maar…Ik ben er zo opgewonden over.”

Xandra keek verbaasd op. “Wat heb je daar dan?”

“Ik heb een prijs gewonnen,” zei Ilse en ze zwaaide met de brief, “met een cryptogram in de zaterdagkrant.”

“O, leuk voor je,” knikte Xandra min of meer automatisch.

“Het is een reis,” ging Ilse door, “voor twee personen. Zeven dagen Jordanië.”

“Jordanië? Toe maar. Wat leuk voor je. Wanneer gaan jullie?”

Ilse keek moeilijk. “Dat is nou net het punt. Die held van een broer van me durft niet te vliegen.”

“Marco durft niet te vliegen? Wat een flauwekul. Vliegen is juist hartstikke leuk.” Xandra zei er nog net niet achteraan, dat zij het in Marco’s plaats wel zou weten.

Jordanië. Dat was een van de landen waar zij met Jorg heen had willen gaan. Ze hadden er samen over gedroomd om te gaan reizen. Als Justin wat groter zou zijn, en zij een beetje hadden kunnen sparen.

Jordanië. Xandra merkte niet eens dat ze diep zat te zuchten.

“We hebben een vast hotel in de hoofdstad Amman en van daaruit gaan we dingen bekijken,” vertelde Ilse, “Er zijn kastelen te zien in de woestijn, enne…de Dode Zee natuurlijk. Daar kun je op het water liggen. Je zinkt niet.”

“Ja, daar heb ik wel van gehoord,” knikte Xandra, “maar dat lijkt me toch stug. In water zakje weg. Lijkt me logisch.”

“Het schijnt echt zo te zijn. Kijk, hier heb ik een foto.”

Ze duwde Xandra een kleurige plaat onder haar neus, waarop een man was te zien die ontspannen onderuitgezakt een krant lag te lezen. Midden in de zee.

“Zou dat nou geen trucopname zijn?” vroeg Xandra zich hardop af.

“Volgens deze folder niet,” antwoordde Ilse, “daarom lijkt het me ook zo leuk om het zelf eens uit te proberen.”

Ze was even stil en voegde er nog aan toe: “Ik heb het trouwens al eens in het klein meegemaakt. In zo’n subtropisch zwemparadijs twee jaar geleden. Daar was zo’n zoutbad om te relaxen en daar lag je inderdaad aardig bovenop.”

“Nou, dan hoor ik wel van je hoe het was,” knikte Xandra nog steeds niet helemaal bij de les.

“We gaan ook naar Petra,” ging Ilse nu behoorlijk opgewonden door, “dat is een stad die ze in de rotsen hebben uitgehakt. Die ligt helemaal verborgen in de bergen. Je moet eerst door zo’n smalle kloof en kijk, dan zie je ineens dit.”

Xandra kreeg een tweede foto onder haar neus. Dit keer zag ze de voorkant van een antieke zuilentempel, waarover de zon haar stralen in een waas van roze uitwaaierde.

Ze bekeek de foto nauwgezet en ze zag vaag iets bekends aan de entourage.

Het was alsof Ilse haar gedachten raadde. “Ze hebben daar een film met Indiana Jones opgenomen. The Temple of Doom heette die, geloof ik.”

“Indiana Jones? Ja natuurlijk. Die films met Harrison Ford. Ja, nou weet ik het weer. Maar dat was in The Last Crusade, joh. The Temple of Doom was totaal iets anders.”

“Je bent aardig op de hoogte,” grinnikte Ilse, “ben je zo dol op Harrison Ford?”

“Nee, dat komt door Sean Connery. Die speelde in die film voor zijn pa.”

“Sean Connery?”

“Ja,” knikte Xandra, “dat vind ik een sexy vent. Hij wordt natuurlijker wel ouder, maar hij heeft iets. En hij blijft knap.”

“Dat heb ik nou met Harrison Ford,” bekende Ilse lachend, “die is eigenlijk heel erg lelijk, maar hij heeft van die aandoenlijke ogen. En dan zet hij zo’n soort trouwe hondenblik op en dan…”

“Dan zou je hem zo in je armen nemen en even knuffelen,” vulde Xandra aan.

Ilse begon te lachen. “Alleen maar knuffelen?” grapte ze. “Ik weet wel wat leukers om met Harrison Ford te doen.”

Xandra lachte met haar mee. “Ja, ja, lekker dromen over filmsterren. Ik denk niet dat je ooit van je leven de kans krijgt om die ventje bed in te praten.”

“Zou ik ook niet willen,” zei Ilse, “niet in het echt. Ik ken die man toch helemaal niet. Misschien is het wel een ongelofelijk pedante eikel.”

“Of een heel aardige jongen,” plaagde Xandra.

Ilse knikte langzaam. “Mission impossible,” zuchtte ze, “nou ja, misschien loopt er wat leuks los op mijn reisje.”

“O, vast wel. Er is altijd de reisleider.”

“De reisleider,” proestte Ilse, “over pedante eikels gesproken.” Ze grinnikte nog even door en trok toen een gezicht alsof haar plotseling iets te binnen schoot.

“Hé eh, Xan…Heb jij zin om mee te gaan? Het kostje verder niks.”

“Mee?” vroeg Xandra verbaasd. “Met jou mee?”

“Ja, volgens mij kunnen we hartstikke lol hebben. Lekker samen dollen met de reisleider.”

“Mevrouw, ik ben verloofd,” zei Xandra quasi verontwaardigd, maar daarna betrok haar gezicht.

“Het klinkt best goed, Ilse. Maar het kan natuurlijk niet. Ik zit met Justin.”

“Het is maar voor een paar dagen. We gaan dinsdagavond weg en dan staan we maandagochtend om half zeven alweer op Schiphol. Dat vind ik trouwens het minst leuke onderdeel.”

“Wat?”

“Die nachtvlucht terug. Ik lig liever in bed ‘s nachts.” Ze haalde diep adem en praatte snel verder: “Maar dat is dan ook het enige. Voor de rest is het toch een sprookje. Kijk, we hebben een viersterren hotel in Amman en halfpension. Je moet alleen tussen de middag zelf voor eten zorgen en…En je wilt misschien een souveniertje kopen, maar de entreegelden zijn allemaal inbegrepen. Zoveel gaat het echt niet kosten.”

Ilse sloot haar mond met een klap en ging in de keuken een pot koffie halen. Ze schonk in en schoof weer naast Xandra op de bank.

“Dit is toch super?” zei ze zacht, “Jij wilde toch altijd al eens naar Jordanië?”

Xandra knikte. “Ja, ik ben dol op reizen, maarja…Dat komt er de laatste jaren niet meer zo van.”

“Nou, als je jezelf dit nou gewoon eens gunt. Justin redt zich dat weekje wel zonder jou. Hij is al acht. Marco past natuurlijk op.”

“Zou je denken?” aarzelde Xandra. “Maar Steven…”

“Kom nou Xan, je doet de laatste week niks dan klagen over Steven. Het is wel goed voor hem als jij even uit zijn blikveld bent. Wedden dat hij je mist?”

Xandra snoof. “Misschien valt het hem niet eens op, als ik weg ben,” zei ze plotseling bitter, “ik ben tegenwoordig lucht voor hem.”

“Dan is je enige echte punt dus onze Justin,” concludeerde Ilse opgewekt. “Nu, Marco kan dat heus wel aan. Als je het prettig vindt, kan Marco wel in jullie flat slapen. Dan heeft Justin het zo gewoon mogelijk.”

Ze dronk haar kopje leeg en liet Xandra een reisoverzichtje zien. “Kijk,” zei ze opgewekt, “we gaan de eerste dag Amman bekijken en ‘s middags naar Jerash. Dat is een oude Romeinse stad die ze opgegraven hebben. Schijnt nog mooier te zijn dan Pompei.”

Xandra knikte wat vaagjes en Ilse ratelde door: “Dan een dag woestijnkastelen bekijken. In een ervan heeft Lawrence of Arabia zijn hoofdkwartier gehad. En dan gaan we ook nog naar de berg Nebo waar Moses over het Heilige Land mocht uitkijken.”

“Moses,” mompelde Xandra.

“Ja joh, het is allemaal historisch gebied daar. Hartstikke interessant. Misschien kunnen we zelfs Jeruzalem wel gaan bekijken. We hebben een dag over voor een optionele excursie. En als de brug open is, dan moet Jeruzalem lukken. Het is hemelsbreed in feite vlak om de hoek.”

Het duizelde Xandra inmiddels een beetje. “Het klinkt hartstikke goed,” zei ze aarzelend, “maar…”

“Niks maar,” zei Ilse, “jij gunt dit jezelf en voor Justin wordt goed gezorgd.”

“Maar wat gaat het dan kosten?” vroeg Xandra.

“Niks natuurlijk. Nou ja, wat ik zei. Eten tussen de middag en wat zakgeld voor een drankje.”

“Maar dat is natuurlijk onzin. Als jij een prijs wint, hoef ik niet op jouw kosten mee.”

“Je moet het even van de andere kant bekijken,” zei Ilse, “ik heb voor twee personen gewonnen. Marco wil niet mee en als jij niet gaat, moet ik wel alleen.”

“Ja maar, je kent toch genoeg andere mensen?”

“Tuurlijk wel. Maar ik wil niet met Jan en alleman op een kamer liggen. Het is jij of niemand. Dus…kostje niks, want het kost mij ook niks.”

“Ik wil er even over nadenken,” zei Xandra langzaam.

“Logisch. Daar hoef je niet moeilijk over te doen. Hier, neem de grote gids maar mee. Op bladzij 46 staat de hele reis beschreven en het hotel enzo.”

“Ik kan natuurlijk ook niet zomaar wegblijven van mijn werk,” wilde Xandra zeggen, maar terwijl de woorden zich in haar hoofd vormden, besefte ze dat dit een onzinargument was. Op haar werk konden ze haar heel goed missen.

Die wilden haar zo gauw mogelijk naar Groningen sturen! Het mocht wat!

Ze stond op. “Ik vind het heel lief aangeboden, Ilse. Ik denk er over na en ik zal eens met Justin overleggen. En met Steven. Weet Marco eigenlijk al dat hij op Justin gaat passen?”

Ilse begon te lachen. “Nee, daar heeft Marco nog geen flauwe notie van, maar ik weet zeker dat hij het een superidee zal vinden. Hij doet het al in zijn broek bij de gedachte aan een vliegtuig.” Ze liet haar stem wat dalen en voegde er nog aan toe: “Ik ga hem dreigen dat ik hem aan zijn haren het toestel insleep, als hij niet op Justin past.”

Xandra grinnikte. “Arme Marco. Bij zijn kleine zusje onder de plak. Nou ja, als de zaken er zo voorstaan…Maar ik beloof nog niks. Ik bedoel, het lijkt me hartstikke leuk, maar er zitten zoveel haken en ogen aan.”

“Zoals?”

“Nou, stel dat we neerstorten. Ja, dat gebeurt niet, maar stel…Dan is Justin mij ook nog kwijt.”

Ilse schudde haar hoofd. “Ik denk daar heel anders over,” zei ze langzaam. “Ken je dat verhaal van die tuinman die ineens de Dood zag lopen en maakte dat hij wegkwam?”

Xandra knikte. “Ja, het hielp hem niet veel.”

“Nou, zo is het volgens mij. Je krijgt allemaal een bepaalde tijd toegemeten en als die om is, ga je gewoon.”

“Je bedoelt dat ik anders hier voor de deur wel onder een auto loop?”

“Ja, in feite wel. Je moet niet zo bang leven. Je moet genieten van wat je hebt. Jij krijgt deze kans en…Nou ja, ik hou erover op. Denk lekker na, neem je tijd. En je moet zelf maar zien. Even goeie vrienden, wat je ook beslist.”

“Lief van je, Ilse,” lachte Xandra, “in elk geval bedanktdat je aan mij gedacht hebt.”

Ze stond langzaam op. “Ik ga weer eens. Justin kan elk moment thuiskomen. Als hij tenminste niet weer bij Bas blijft eten.”

“Hij is graag bij Bas hè?”

“Ja, vind je het gek? Ze hebben daar een gigantische tuin. Daar kan dat zielige balkonnetje van ons niet aan tippen.”

“Anders vraag je of hij daar een weekje kan logeren.”

“Wie? Justin? Bij Bas?”

Xandra dacht na. Het was misschien niet eens zo’n gek idee. Maar toch…

“Ingrid heeft haar handen al behoorlijk vol aan haar eigen kroost,” zei ze aarzelend.

“Je bedoelt Bas zijn moeder? Die heet Ingrid?”

“Ja,” knikte Xandra, “ze heeft van zichzelf al vier drukke kinderen. Inclusief een baby.”

“Ik kende haar niet van naam,” antwoordde Ilse, “maar die Ingrid lijkt mij zo’n typisch moederdier. Die houdt van die drukte om zich heen. Ik zie haar wel eens lopen met een sliert schreeuwers om zich heen. Compleet ontspannen.”

“Ja, je hebt haar niet gauw op de kast,” knikte Xandra, “maar ik durf dat niet te vragen hoor. Ik zie me al. Ze heeft het heus al druk genoeg zo.”

Al pratend waren ze naar de deur gelopen en Xandra nam met een korte groet afscheid.

“Je hoort wel van me,” zei ze, terwijl ze haar zakken afzocht naar haar sleutel.

“Best, maar dat moet geen jaren duren.”

“O, geen zorgen. Ik slaap er een nachtje over. Morgen weet ik het wel. Ciao.”

Ze zwaaiden naar elkaar en Xandra stapte haar eigen flat binnen.

Jordanië.

Wanneer was ze voor het laatst op vakantie geweest? Ze kon het zich niet eens meer herinneren. Of toch wel? Strand, zee, golven…Een brandend hete zon en zoete sangria met perzik. Mallorca. Haar laatste uitje met Jorg.

Haar ogen gleden over de brochure die ze van Ilse had meegekregen. Jordanië zag er fantastisch uit. Oude Romeinse steden, kastelen die nog door de kruisvaarders waren gebouwd en de mysterieuze verborgen stad Petra. Hete bronnetjes in de buurt van de Dode Zee, de Koningsweg waar Moses nog had gelopen en de rivier de Jordaan, die al eeuwen zo’n markante rol speelde. En misschien een tripje naar Jeruzalem.

Achter haar ging de bel. Een tel later vloog de deur open en Justin viel het huis in. Een andere term was er niet voor zijn uitbundige binnenkomst.

Xandra schrok ervan. “Justin, kan het niet wat rustiger?”

“Hai mam,” riep Justin. Hij sloeg zijn armen om Xandra’s hals, gaf haar een nattige kus op haar wang, riep dat hij tv ging kijken en drie tellen later was het alweer stil in de gang.

Xandra wilde de deur dicht gaan doen en zag toen pas dat er een vrouw op de galerij stond. Het was Ingrid, de moeder van Bas.

Haar hand leunde losje op de stang van een wandelwagen waarin een blozende baby in slaap gevallen was.

“Hé Ingrid, ik had je helemaal niet gezien. Wil je binnenkomen?”

Ingrid schudde lachend een blonde lok uit haar ogen. “Nee,” zei ze, “ik ben onderweg om melk te halen. Ik kom alleen even zeggen dat Justin een rare blauwe plek heeft.”

“Een blauwe plek?” vroeg Xandra verbaasd.

“Ja, ik weet niet hoe het gebeurd is. Maar ze waren aan het stoeien vanmiddag en toen zag ik het ineens. Hij is nogal groot dus…” Ingrid begon te grinniken. “Ik wou even zeggen dat wij hem niet mishandeld hebben.”

“Daar zag ik jullie ook niet voor aan,” zei Xandra. “Maar eh…Justin zit altijd vol blauwe plekken. Het is niet bepaald een rustig kind.”

“Weet ik wel,” lachte Ingrid en haar oog viel op de brochure die Xandra nog steeds in haar handen had. “Vakantieplannen?”

“Mijn buurvrouw heeft een reis gewonnen met een puzzel in de krant,” legde Xandra uit met een knikje in de richting van de buurflat, “voor twee personen.”

“Da’s boffen. En mag jij nou mee?”

“Eh…dat heeft ze me inderdaad aangeboden, maar…” antwoordde Xandra aarzelend.

“Als Justin het probleem is, kan die wel bij ons hoor.”

Xandra voelde zich even duizelig worden door dit onverwachte, hartelijke aanbod.

“Maar dat kan toch niet, Ingrid. Jij hebt het immers al druk genoeg.”

“Waar plek is voor vier, is er ook wel plaats voor vijf,” lachte Ingrid. “Bovendien is Bas van de zomer met jullie mee geweest naar Ameland.”

“Ja, dat is wel zo, maar ik heb er maar een.”

“Vraag maar aan Justin wat die ervan vindt,” zei Ingrid.

Xandra keek haar wat onzeker aan. “Wil je toch niet even binnenkomen?”

“Nee joh, ik moet achter de melk aan. Johan is dol op zelfgemaakte bitterkoekjespudding…Dus, danweet je het wel.”

“Ik snap niet waar je al die energie vandaan haalt,” zei Xandra hoofdschuddend. “Ik kom er nooit aan toe om zelf toetjes te maken.”

“Ik heb toch verder niks om handen,” grinnikte Ingrid en ze gaf Xandra een knipoogje. “Ik ben alleen maar huisvrouw. Een luizenleventje.”

“Nou, ik vind dat…” begon Xandra, maar Ingrid liet haar niet uitspreken.

“Ik citeerde mijn zuster Daphne,” grinnikte ze, “die heeft een baan. Hé, ik hoor wel van je. Justin is welkom hoor.”

Voor Xandra nog iets terug kon zeggen, wipte Ingrid met een geroutineerd gebaar de wandelwagen van de rem en stapte met soepele passen weg.

Xandra keek haar nog even na en liep nadenkend naar binnen. Als Justin bij Bas kon logeren, was er natuurlijk geen vuiltje aan de lucht. Dat hoefde ze niet eens te vragen.

Ze stapte de kamer in en zag Justin vreedzaam onderuitgezakt naar de buis staren.

Een blauwe plek, had Ingrid gezegd. En Ingrid was niet bepaald een paniekzaaier. Ze kon beter eens kijken wat er precies aan de hand was.

“Hé Justin? Heb jij een blauwe plek opgelopen?”

Justin keek op. “O niks,” zei hij.

“Laat eens zien?”

“Ik wil Pokémon kijken, het is net spannend.”

Xandra onderdrukte de neiging om naar de tv te lopen en het toestel rigoureus uit te zetten.

“Nou, komt er nog wat van?”

Justin stroopte mopperend zijn broekspijp op en Xandra kreeg uitzicht op een kuit, die alle kleuren van de regenboog vertoonde.

“Kind, hoe kom je daar nou aan?” zei ze wat geërgerd. “Je doet ook altijd zo druk.”

Justin trok de stof weer op zijn plaats en haalde zijn schouders op. “O, gemat,” verklaarde hij losjes.

“Gevochten? Met wie nou weer?”

“Met die eikel van een Jeroen Vossestaart.”

Justin keek Xandra aan en liet er met een trotse grijns op volgen: “Hij had een bloedneus. Janken, dat-ie deed. Dat mietje.” Bij de laatste woorden droop de minachting van zijn stem.

“Je weet best dat ik dit soort dingen…” begon Xandra, maar ze zag dat Justins volle aandacht alweer bij het tv-programma was en daarom liet ze het er maar bij. Ze had al honderd keer gezegd dat Justin niet moest vechten en hem even zo vaak tot kalmte gemaand. Maar dat was bij zo’n kind natuurlijk tegen dovemansoren gesproken. Justin was wild en jongens van die leeftijd hadden het blijkbaar nodig om hanerig tegen elkaar te doen.

De vete met Jeroen de Vos dateerde al uit de tijd dat de bengels nog in de zandbak speelden. Het was destijds Jeroen geweest die nieuwkomer Justin met zand had gegooid, als je het verhaal van de geschokte kleuterjuf tenminste mocht geloven. Justin had daar verder niet moeilijk over gedaan. Hij had zijn schep gepakt en Jeroen een fikse mep verkocht. Er waren minstens zes hechtingen nodig geweest om het luid krijsende Jeroentje weer een toonbaar uiterlijk te geven en in feite zat het litteken er nog steeds.

Eigenlijk kon Xandra er niet boos over worden. Justin liet zich niet op zijn kop zitten. En gelijk had hij.

“Zal ik patatjes gaan halen?” vroeg ze.

“Ja, lekker!” riep Justin verheugd.

“Zeg eh…voor ik ga…Heb jij zin om een weekje bij Bas te logeren?”

De juichkreet vanaf de bank vertelde haar meer dan duizend woorden konden doen. Justin had er geen enkel bezwaar tegen. Dan was het alleen nog de vraag hoe Steven erover zou denken…



Het commentaar van Steven loog er de volgende avond niet om. “Je doet maar wat je niet laten kunt,” mompelde hij ongeïnteresseerd.

Ze zaten in wat eens de knusse woonkamer van Stevens ouders was geweest en waar juwelier Manfred Vandermeer het nu alleen moest zien te redden.

Manfred was nog steeds niet in zijn oude doen en dat was waarschijnlijk de reden waarom Steven hele avonden bij zijn vader zat. Xandra had hem heel voorzichtig de hint gegeven dat ze hem even alleen wilde spreken, maar daar was Steven niet op ingegaan.

Dus vertelde ze noodgedwongen haar verhaal waar Manfred bij zat en voelde zich intussen diep ongelukkig.

Je doet maar wat je niet laten kunt…

“Wat is dat nou voor ee